Onduidelijkheden rond de rapportage van de academische huisartsgeneeskunde.

Nieuws
J.B. Meijer van Putten
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1998;142:429
Download PDF

Onduidelijkheden rond de rapportage van de academische huisartsgeneeskunde. Januari dit jaar bracht het Interfacultair Overleg Huisartsgeneeskunde (IOH) een rapport uit over de resultaten van 5 jaar Academisch Werkveld Huisartsgeneeskunde. Dit was de 2e keer dat dit stuk uitkwam; het ging hier om een herziene versie van het rapport van september 1997. In een bijgevoegde aanbiedingsbrief schreef prof.dr.C.van Weel, de voorzitter van het Interfacultair Overleg Huisartsgeneeskunde, dat prof.dr.E.Schadé hem na de eerste publicatie opmerkzaam had gemaakt op een ‘onjuistheid’ en dat die nu werd rechtgezet. De belangrijkste verandering zou zijn dat er minder proefschriften ontleend bleken aan het Academisch Werkveld Huisartsgeneeskunde; in plaats van 45 waren dat er 43.

Bij een nadere inspectie van de beide versies van het rapport blijken er echter in de herziene rapportage niet alleen 2 proefschriften verwijderd, maar ook een hele pagina met nog 28 andere publicaties. Al deze verwijderingen betreffen het verslag over het Huisartsgeneeskundig Netwerk van het Academisch Medisch Centrum Amsterdam (Hag-Net-AMC) onder leiding van prof.Schadé. De oorspronkelijke toelichting daarbij was: ‘Sinds de start van het netwerk in 1995 zijn 2 proefschriften afgerond en 28 wetenschappelijke publicaties verschenen, waarvan 7 in internationale tijdschriften’. Deze is in het 2e rapport volkomen veranderd: ‘Het netwerk is eerst in 1995 tot stand gekomen. . . er zijn nog geen wetenschappelijke publicaties of nascholingsartikelen gepubliceerd op basis van gegevens die aan dit netwerk zijn ontleend’. Desgevraagd licht prof.Van Weel toe dat hij in de aanbiedingsbrief alleen de 2 geschrapte proefschriften vermeld heeft omdat het exacte aantal daarvan ook in de inleiding van het rapport wordt genoemd.

Op Van Weels mededeling dat Schadé zelf de ‘onjuistheid’ in het rapport heeft rechtgezet, blijkt ook nog wel het een en ander aan te merken. In november vorig jaar heeft de Wirdumse huisarts dr.P.H.Dijksterhuis namelijk Schadé geschreven over de ‘twijfelachtige claims/referenties’ in het verslag over het Hag-Net-AMC, zonder resultaat. Dijksterhuis is de voorzitter van de Stichting Transitieproject, het 2e en oudste academische huisartsennetwerk aan de Universiteit van Amsterdam (niet onder leiding van Schadé, maar onder die van zijn collega, prof.dr.H.Lamberts). De twijfelachtige referenties kwamen volgens Dijksterhuis voort uit hele andere patiëntenpopulaties dan die van Schadés netwerk, namelijk uit het Transitieproject, de ‘Nationale studie’ en ziekenhuispopulaties. Dijksterhuis hierover: ‘Ik heb informeel contact opgenomen met prof.Schadé om dit recht te zetten. Toen dat niets opleverde Schadé bleek niet van zins de gewraakte referenties terug te trekken heb ik een brief geschreven aan prof.Van Weel. Die liet weten dat mijn bezwaren terecht waren. Hij heeft Schadé verzocht dit recht te zetten.’

Tot dan toe verliep alles in stilte. De al te rooskleurige rapportage over het Hag-Net-AMC kwam echter kort daarop in de openbaarheid. De Aerdenhoutse huisarts E.G.H.Kenter, een medewerker van het Transitieproject, publiceerde op 19 december een brief in Medisch Contact (1997;52:1604). De aanleiding was het onder andere door Schadé ondertekende pleidooi voor Academische Werkvelden Huisartsgeneeskunde in een eerdere aflevering van dit tijdschrift (Med Contact 1997;52:1272). In zijn brief wees Kenter erop dat hij bij Schadés verslag over Hag-Net-AMC ‘in de lange lijst referenties niet één publicatie trof die voldeed aan het kenmerk dat zij is gebaseerd op patiëntgebonden informatie, verzameld in academische huisartspraktijken van het betrokken netwerk’. Kenter besluit: ‘Geldt dit al te ruim verzamelen ook voor andere academische werkvelden?. . . Mij lijkt dat een kritische beschouwing van de lijsten met publicaties wel mag worden verwacht van de leden van het Interfacultair Overleg Huisartsgeneeskunde.’

Van Weel wil deze kwestie niet al te zeer opblazen. Hij houdt het allemaal op een misverstand: ‘De omstreden publicaties hebben wel degelijk een functie gehad voor de onderzoekslijn maar niet in de zin dat ze voortgekomen zijn uit het netwerk. Probleem is ook dat er aan de Universiteit van Amsterdam twee onderzoeksrichtingen werkzaam zijn, wat een heel exacte toeschrijving van publicaties noodzakelijk maakt. Daar kun je verschillend naar kijken.’

Van Weel benadrukt verder dat er voor de eerste versie van het rapport een concept is gestuurd aan alle betrokkenen, inclusief de leiding van het Transitieproject (dus ook aan prof. Lamberts). ‘Dat er toen helemaal geen commentaar is geleverd op de gewraakte referenties, kan ik niet anders zien als instemming met de totale opgave. Waarom hebben degenen die nu zulke problemen maken, niet eerder gereageerd. Ik vind het heel vreemd dat ik pas nadat het rapport in september was uitgebracht door medewerkers van de eerste Amsterdamse onderzoeksrichting het Transitieproject via allerlei omwegen ben geattendeerd op de vermeende tekortkomingen in het verslag van de andere club. Dat is toch wel merkwaardig. Corrigeren is corrigeren en niet achteraf becommentariëren. Maar ik wil me hier verder niet mee bemoeien’, aldus Van Weel.

Gerelateerde artikelen

Reacties