Onderzoek alternatieven komt niet van de grond

Onderzoek alternatieven komt niet van de grond
Femia Kievits
Hans van Maanen
Citeer dit artikel als: Ned Tijdschr Geneeskd. 2009;153:C126

Alternatieve artsen klagen nogal eens dat zij geen voet aan de grond krijgen in het academische circuit en daardoor nooit kunnen aantonen dat hun methodes effectief zijn. Om aan dat bezwaar tegemoet te komen, maakte het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport begin 2004 eenmalig ruim twee ton vrij, zodat alternatieve artsen, onder begeleiding van ZonMw, hun voorstellen voor effectiviteitsonderzoek ‘rijp konden maken voor reguliere financiering’.

Daar is weinig van terechtgekomen, zo blijkt uit het eindrapport van de begeleidingscommissie van ZonMw. De ervaringen waren, aldus het rapport, ‘buitengewoon leerzaam voor de onderzoekers’, maar aan behoorlijk toetsbare hypothesen zijn zij niet toegekomen.

Nadat de 15 deelnemers (allen alternatief arts) een stoomcursus ‘methoden en technieken’ hadden gevolgd bij het EMGO Instituut in Amsterdam – waar bleek dat ‘veel stof helemaal nieuw was’, al werd dit ‘ruimschoots gecompenseerd door enthousiasme en nieuwsgierigheid van de deelnemers’ – konden zij voorstellen formuleren voor pilotstudies die zij belangrijk achtten. Er kwamen 6 voorstellen; de commissie vond de helft direct al onder de maat. Uitverkoren werden een onderzoek naar het gebruik van een ‘semi-standaard homeopathisch behandelschema voor premenstrueel syndroom’, een onderzoek naar het gebruik van elektroacupunctuur tegen blaasstoornissen bij patiënten met multiple sclerose, en een voorstel om de bloedlactaatspiegel te gebruiken als maat voor inspanning bij fibromyalgiepatiënten.

Voor de eerste studie bleken noch homeopathische artsen, noch vrouwen veel belangstelling te hebben. ‘Het doel lijkt toch te hoog gegrepen’, aldus de commissie. Er deden maar 15 artsen mee; na 7 maanden waren pas 38 vrouwen geïncludeerd, en slechts 20 werden 3 maanden gevolgd. Bovendien bleek dat bij 8 vrouwen het voorschrift tussentijds was gewijzigd. Of de middelen effectief waren, kwam al helemaal niet aan de orde. De commissie vindt de opzet achteraf nogal circulair en raadt af ermee door te gaan. Over de biologische plausibiliteit doet zij geen uitspraak.

De tweede studie, begeleid door hoogleraar Epidemiologie Riekie de Vet van het EMGO Instituut, krijgt meer waardering van de commissie. Volgens de onderzoekers zelf was er ‘zelfs significante’ verbetering van de blaasfunctie door de elektroacupunctuur – maar omdat er geen controlegroep was, is dat een slag in de lucht. Ook hier viel de deelname niet mee: het kostte 7 maanden om 35 bereidwillige vrouwen te vinden. Van die 35 vielen er 25 meteen af en van de resterende 10 ondergingen 8 de complete kuur van 10 behandelingen, waarbij ze 3 dagen een dagboekje moesten bijhouden en een vragenlijst invullen. Een artikel is inmiddels aangeboden aan het tijdschrift Urology.

De laatste goedgekeurde studie, naar lactaatspiegels bij fibromyalgie, is niet echt alternatief; bovendien is dit onderzoek ‘door logistieke en privéomstandigheden uiteindelijk niet gestart’.

De beoordelingscommissie vindt de resultaten ‘niet voldoende om onderzoek naar complementaire behandelwijzen in Nederland succesvol van de grond te krijgen en te laten beklijven’. Niettemin spoort zij het ministerie aan het onderzoek te blijven stimuleren, en spoort zij alternatieve artsen aan zelf meer onderzoek te gaan doen.

Effectiviteitsonderzoek blijft wenselijk, aldus de ZonMw-commissie, al was het maar omdat een groot aantal Nederlanders alternatieve behandelaars bezoekt. ‘Dit rechtvaardigt de inzet van publieke middelen, bijvoorbeeld via een ZonMw-programma.’

Reacties

CT
Klein-Laansma

25 maart 2009 - 19:52

In dit bericht staan enige feitelijke onjuistheden, die ik graag wil corrigeren aan de hand van enkele citaten.

Citaat 1: 'Er kwamen 6 voorstellen; de commissie vond de helft direct al onder de maat'. Reactie: het was vooraf de bedoeling dat er maar 3 van de 6 voorstellen zouden worden uitgevoerd.

Citaat 2: 'Voor de eerste studie bleken noch homeopathisch artsen, noch vrouwen veel belangstelling te hebben'. Reactie: dit klopt niet. Dat er 15 homeopathisch artsen bereid waren om aan zo'n bewerkelijk onderzoek mee te doen, was meer dan we vooraf hadden verwacht. Recrutering van patiënten was niet gemakkelijk, maar leverde voldoende deelnemers op. Dat was overigens ook één van de onderzoeksvragen van deze haalbaarheidsstudie.

Citaat 3: 'Of de middelen effectief waren, kwam al helemaal niet aan de orde'. Reactie: dat was ook helemaal niet de onderzoeksvraag. Met 15.000 euro kun je nu eenmaal geen effectiviteitsstudie doen. Het is goed gebruik om, voorafgaand aan effectiviteitsstudies, pilotstudies te verrichten om antwoorden te krijgen op specifieke vragen.

Zo kan ik nog wel even doorgaan. Maar liever ga ik een contructief gesprek aan met mensen die belangstelling hebben voor wetenschappelijk onderzoek.

Christien Klein, arts voor homeopathie en coördinator van het VHAN-onderzoeksproject Homeopathie en PMS

R.M.F.M.
Leclercq

19 april 2009 - 08:25

Aanvankelijk had ik het bericht over de bijscholing van alternatieve artsen alleen maar ter kennisgeving aangenomen. Wetenschappelijk onderzoek is ook moeilijk. Maar gaandeweg realiseer ik me dat er in Nederland met twee maten wordt gemeten. In mijn 32-jarige loopbaan als huisarts was ik per jaar ongeveer 2000 gulden kwijt aan nascholing en bijscholing om wetenschappelijk onderzoek te begrijpen en te doen. Dat was gewoon vanzelfsprekend. Elke verbetering van je beroepsuitoefening wil en doe je toch zelf. Er zijn dus twee groepen artsen. Zij die alles gewoon zelf regelen en zij die klagen dat ze niets kunnen regelen omdat ze door anderen niet voor vol worden aangezien en daardoor nascholingssteun nodig hebben. Die 'nascholingssteun' had eigenlijk aan wetenschappelijk onderzoek ten goede moeten komen.

Universiteit Maastricht, Maastricht

R.M.F.M. Leclercq, docent geneeskunde