Met opzet besmet voor onderzoek

Nieuws
09-11-2020
Lara Harmans

In het Verenigd Koninkrijk beginnen binnenkort besmettingsstudies voor SARS-CoV-2: onderzoek waarbij proefpersonen opzettelijk met het virus worden besmet. In Nederland treft men de nodige voorbereidingen voor dergelijke trials, maar het is nog maar de vraag of ze hier ook starten.

Bij een besmettingsstudie worden mensen in een gestandaardiseerde omgeving gevolgd voor, tijdens en na de blootstelling aan een pathogeen. Om te beginnen bepalen de onderzoekers met dosis-escalatiestudies wanneer proefpersonen geïnfecteerd raken: ze druppelen het virus in toenemende doses in de neus, startend met extreem weinig viruspartikels (circa 100). Deze studies zullen in eerste instantie vooral informatie geven over de besmettelijkheid van het virus en over de klachten en immuunrespons die zich tijdens een SARS-CoV-2-infectie over de tijd voordoen. Zo kan men bijvoorbeeld diagnostische methoden vergelijken.

Als de geschikte dosis SARS-CoV-2 voor het ‘humane model’ is gevonden, kan die later ook bij eventuele geneesmiddelen- en vaccintrials worden gebruikt. Door verschillende vaccins naast elkaar te leggen, kunnen onderzoekers analyseren welke immuunresponsen verantwoordelijk zijn voor bescherming en hoe lang die bescherming aanhoudt. Ook kunnen ze bijvoorbeeld therapieën testen die alleen in een vroeg stadium van de ziekte effect hebben. De resultaten kunnen bijdragen aan goedkeuring van vaccins, maar dat gebeurt vrijwel nooit op basis van alléén besmettingsstudies.

Voor besmettingsstudies worden alleen gezonde proefpersonen van 18-30 jaar ingezet. ‘Supergezonde jonge mensen’, zegt Meta Roestenberg, internist-infectioloog bij het LUMC. Zelf deed ze eerder besmettingsstudies met malaria; momenteel treffen zij en haar team voorbereidingen voor een Nederlandse besmettingsstudie met SARS-CoV-2. Ze vertelt dat de proefpersonen niet alleen uitgebreid mentaal, fysiek en op specifieke risicofactoren voor covid-19 worden gescreend; ze moeten ook een toets afleggen om te laten zien dat ze de risico’s echt begrijpen.

Omdat alle deelnemers bij dit soort onderzoek in principe besmet raken, kan er met kleine aantallen worden gewerkt. Geleidelijk wordt toegewerkt naar groepen van 10-20 proefpersonen, die in kleine groepjes na elkaar worden besmet. De website 1daysooner.org is speciaal opgezet om deelnemers te vinden voor covid-19-besmettingsstudies: inmiddels staat de teller hier op 38.659 aanmeldingen uit 166 landen, waaronder ook Nederland. Volgens Roestenberg doen de meeste deelnemers aan dit soort studies mee omdat ze iets willen bijdragen, ‘een beetje te vergelijken met de vrijwillige brandweer’.

Niet eerder is er een besmettingsstudie uitgevoerd naar een virus waarover zo weinig bekend was. En dat maakt een besmettingsstudie voor SARS-CoV-2 ethisch nog lastiger dan dit soort studies altijd al zijn: we zijn er allerminst zeker van dat de jonge, gezonde proefpersonen er niet alsnog goed ziek van worden. Roestenberg: ‘We denken dat de kans op ernstige ziekte rond de 1 op 1000 is bij deze leeftijdsgroep. Daarnaast weten we nog onvoldoende over welke mensen vatbaar zijn voor langdurige klachten door de infectie, dus dat risico is ook niet uit te sluiten.’ Het kiezen voor een groep met een laag risico heeft ook nadelen: juist de risicogroepen maken geen deel uit van het infectiemodel. ‘Elk model kent zijn beperkingen: in het “echte leven” is de infectie altijd anders. Maar dat wil niet zeggen dat het model niet waardevol is en dat we er niet heel veel van kunnen leren.’

Besmettingsstudies kunnen zoveel vragen beantwoorden, zegt Roestenberg, dat je ze – als ze veilig blijken – liefst op verscheidene plekken in de wereld en goed met elkaar afgestemd uitvoert. ‘Vooral de technische aspecten vergen veel denkwerk: hoe werkt de quarantaine van de proefpersonen, hoe zorg je ervoor dat de zorg die eventueel nodig is voor de proefpersonen niet interfereert met de reguliere patiëntzorg, hoe doe je alles veilig?’

Maar gaan we er in Nederland ook echt mee aan de slag? Roestenberg: ‘Dat weten we nog niet. Ik denk dat iedereen het er wel over eens kan zijn dat dit onderzoek wetenschappelijke en maatschappelijke waarde heeft. De vraag is of die wetenschappelijke waarde opweegt tegen het risico dat je daarbij neemt: je weet van tevoren natuurlijk niet wat het concreet gaat opleveren. De Britse overheid ziet het als een essentiële stap in de bestrijding van covid-19, in Nederland moet die discussie nog worden gevoerd.’