Nederlandse Vereniging voor Radiodiagnostiek

Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1989;133:640-2
Download PDF

artikel

42e vergadering gehouden op 28 mei 1988 te Utrecht

N.J.J.Klooster, G.A.Risseeuw (Maastricht), Maagvolvulus

Maagvolvulus is een zeldzame rotatie van de maag, waarbij deze hetzij organo-axiaal, dat wil zeggen om de eigen orgaanas (‘upside-down stomach’), hetzij mesenterio-axiaal omklapt. In het laatste geval is het distale maagdeel naar links craniolateraal verplaatst. Soms is er sprake van een combinatie van deze twee typen. Een acute maagvolvulus ontstaat, indien de draaibeweging over een hoek van meer dan 180 graden plaatsvindt, en leidt tot een ernstige doorbloedingsstoornis.

Klinisch kenmerkt zich de acute organo-axiale volvulus door de zgn. trias van Borchardt: een pijnlijke zwelling in het epigastrium, kokhalzen en de onmogelijkheid een sonde door de afgeknikte gastro-oesofageale overgang in de maag te brengen. Door het vage, ‘dyspeptische’ klachtenpatroon wordt de chronische en chronisch-intermitterende vorm vaak pas jaren na de aanvang van de klachten gediagnostiseerd.

Naast een primaire vorm op basis van slapte van de ligamenten welke de maag aan de omringende structuren fixeren, bestaat ook een secundaire vorm. Als predisponerende factoren worden hierbij diafragma-afwijkingen zoals eventratie, para-oesofageale hernia diaphragmatica en phrenicusafwijkingen gezien; ook distensie van de maag, ulcus ventriculi en splenomegalie worden genoemd.

De diagnose berust in de meeste gevallen op radiologisch onderzoek van de maag. Van de verschillende vormen worden voorbeelden getoond. Op de thoraxfoto zijn soms twee retrocardiale vloeistofspiegels te zien. Reductie door middel van gastroscopie is mogelijk bij chronische maagvolvulus. Hierbij wordt met de scoop een draaibeweging, tegengesteld aan de torsierichting van de maag uitgevoerd. Chirurgische therapie (gastropexie, herstel van de diafragma-afwijking e.d.) blijft voorbehouden voor de acute en chronisch recidiverende gevallen.

M.Meradji en A.F.M.Diepstraten (Rotterdam), Coxitis fugax: echografie versus radiologie; een vergelijkend onderzoek bij 84 patiënten

In een retrospectieve studie zijn de sonogrammen van 84 kinderen met een klinisch manifeste coxitis fugax geanalyseerd en de bekkenfoto's van 60 van hen opnieuw beoordeeld. Het sonografische kenmerk van een vochtophoping in de recessus anterior van het heupgewricht was bij alle patiënten aanwezig. Ten opzichte van de contralaterale zijde was het gewrichtskapsel verbreed, variërend van 2-9 mm.

In tegenstelling tot sonografie zijn de radiologische kenmerken van een coxitis fugax slechts herkenbaar door secundaire verandering in de vorm van verbreding of onscherpte van de laterale of mediale vetlijnen, hetgeen mogelijk veroorzaakt wordt door oedemateuze afwijkingen. In sommige gevallen wordt ook een verbreding van de gewrichtspleet gezien. Slechts bij 60 van de patiënten waren op de bekkenopname 1 of 2 radiologische kenmerken zichtbaar. Het sonografische follow-up-onderzoek bij 38 patiënten uit deze groep toonde bij 21 patiënten die na 3 weken werden gecontroleerd, in 5 gevallen een geringe hoeveelheid restvocht; bij de overige 17 patiënten die pas 4 à 6 weken na het begin van de symptomen werden onderzocht, waren de bevindingen bij echografisch onderzoek normaal.

Als resultaat van dit onderzoek wordt geconcludeerd, dat echografie betrouwbaar is om intra-articulaire vochtophoping bij coxitis fugax aan te tonen. Radiologisch onderzoek van de heupgewrichten is bij ongecompliceerde gevallen van coxitis fugax niet noodzakelijk, wanneer de aanwezigheid van vocht sonografisch is aangetoond. Een sonografisch follow-up-onderzoek na uiterlijk 6 weken na het begin van de klachten is onafhankelijk van de klinische bevindingen uit differentieel-diagnostisch oogpunt bij al deze patiënten geïndiceerd. De differentieel-diagnostische problemen en de sonografische en klinische kenmerken van andere heupafwijkingen, zoals bacteriële coxarthritis, ziekte van Perthes en epiphysiolysis worden aan de hand van voorbeelden geïllustreerd.

F.B.M.Sanders, T.J.W.Sleijster, P.de Hooge en G.Rosenbusch (Utrecht), Echografische diagnostiek van coxitis fugax

Coxitis fugax is verreweg de meest voorkomende oorzaak van acuut ontstane heupaandoeningen op de kinderleeftijd. De andere oorzaken (septische artritis, epiphysiolysis, ziekte van Perthes) zijn veel zeldzamer. De betekenis van het röntgenonderzoek is vooral gelegen in het aantonen van een hydrops en het uitsluiten van skeletafwijkingen.

In een prospectieve studie onderzochten wij 23 patiëntjes (16 jongens en 7 meisjes, gemiddelde leeftijd 6,4 jaar) met acute heupaandoeningen zowel röntgenologisch als echografisch. Het röntgenonderzoek bestond uit een voor-achterwaartse opname van het bekken, evt. aangevuld met tractieonderzoek. Het echografische onderzoek werd uitgevoerd met een 5 MHz linear array of een 7,5 MHz mechanische sectortransducer. Vanuit de lies werden doorsneden parallel aan het collum femoris vervaardigd.

Echografisch werd in 12 gevallen een hydrops aangetoond; het röntgenonderzoek bleek hierbij in 8 gevallen negatief. Van de 7 gevallen waarbij op grond van het röntgenonderzoek een hydrops werd vermoed, bleek deze echografisch in 3 gevallen afwezig. Nimmer werden in de beginfase skeletafwijkingen aangetroffen.

In één geval bestonden de klachten al enkele weken. Echografisch was vervaging van de kapselcontouren zichtbaar, passend bij resttoestand na coxitis. Eénmaal werd op basis van echografische bevindingen een septische artritis vermoed en na punctie bevestigd. Na twee weken was bij röntgenonderzoek een osteomyelitishaard in het collum zichtbaar.

Vastgesteld wordt, dat echografie de meest gevoelige methode is om een hydrops van de kinderheup vast te stellen. Röntgenonderzoek levert in de acute fase van de klachten doorgaans geen aanvullende informatie op.

M.S.van Leeuwen, R.Meijer, W.P.Th.M.Mali en J.van Hattum (Utrecht), Duplexonderzoek bij portale hypertensie

Het duplexonderzoek is bij uitstek geschikt om het abdominale vaatstelsel te beoordelen zonder gebruik te maken van invasieve methoden. De waarde van dit kwalitatieve onderzoek is algemeen geaccepteerd. Voor de kwantificering van de bloedstroom bestaat echter nog geen algemeen aanvaarde methode.

Teneinde bij patiënten met portale hypertensie de kans op bloeding uit gastro-oesofageale varices te voorspellen, hebben wij een duplexonderzoek ontwikkeld dat inzicht geeft in de individuele portale hemodynamiek. Shunting naar de vena cava superior door de gemakkelijk bloedende gastro-oesofageale varices wordt vergeleken met shunting naar de vena cava inferior. Deze laatste shunts zijn in omvang vaak fors, terwijl de bloedingsneiging door de anatomische lokatie minimaal is. Verder kan de hyperdynamische component van de portale hypertensie worden beoordeeld door meting van de bloedstroom in de vena lienalis.

Dit onderzoek bleek bij ¾ van de patiënten goed uitvoerbaar. Eén kwart bleek een duidelijke shunting naar de vena cava inferior te tonen. Wij veronderstellen dat deze subgroep een verminderde kans op bloeding heeft. Meer dan de helft van de patiënten had een hyperdynamische miltcirculatie.

Conclusie

Duplexonderzoek kan klinisch belangrijke kwalitatieve en kwantitatieve gegevens leveren betreffende het portale stelsel.

P.R.Algra, H.M.Kroon, R.B.Noordveld, J.P.J.de Valk, G.W.Seeley en O.Rompelman (Leiden), De beoordeling van een compressie-algoritme

Een belangrijk probleem dat zich voordoet bij de invoering van ‘picture archiving and communication systems’ (PACS) is het gebrek aan opslagcapaciteit van informatiedragers. De capaciteit nodig voor het in stand houden van een 10-jaarsarchief van een middelgroot ziekenhuis bedraagt 2 tot 20 T (tera) byte (T = 1012). De huidige informatiedragers hebben een capaciteit van tien- tot honderdtallen M (mega) bytes (M = 106). De nieuwere optical discs hebben door hun hogere datadichtheid een informatiecapaciteit in de orde van grootte van G (giga) bytes (G = 109).

Hoewel de datadichtheid van de informatiedragers nog vergroot kan worden, is de capaciteit vooralsnog onvoldoende om de grote hoeveelheid informatie op te slaan.

Aan de kant van het informatie-aanbod zijn er compressie- en reductiemethoden ontwikkeld om het aanbod te verminderen. Reductiemethoden veroorzaken een irreversibel informatieverlies. De compressieratio (de verhouding tussen de computercapaciteit nodig voor de opslag van het origineel en de gecomprimeerde afbeelding) die met reductie bewerkstelligd kan worden, is belangrijk hoger dan de compressieratio die met compressie bereikt kan worden en bedraagt 16 tot 20. Het nadeel van reductie is echter dat het ontstane informatieverlies mogelijk verlies aan diagnostische informatie veroorzaakt.

Van 48 CT-onderzoeken van de bovenbuik werden 2 gereduceerde versies vervaardigd: één versie 16 keer gereduceerd en één versie 20 keer gereduceerd. De gereduceerde versies werden dubbelblind, at random door een team van 3 ervaren radiologen beoordeeld op subjectieve beeldkwaliteit en diagnostische informatie.

De conclusie luidt dat het gebruikte reductie-algoritme bij CT-onderzoek van de buik zonder verlies aan diagnostische informatie een compressieratio van 1:20 mogelijk maakte. Dit betekent dat nadat de originele foto's zijn beoordeeld, de opnamen in de gereduceerde vorm opgeslagen kunnen worden.

W.P.Th.M.Mali, P.W.Westerhof, S.N.Berengoltz, R.M.Verdaasdonk en C.Borst (Utrecht), Rekanalisatie van obstructies van de arteria femoralis superficialis met behulp van laser- en dottertechnieken

Bij 23 patiënten met klachten over dysbasia werd bij angiografisch onderzoek een occlusie in de arteria femoralis superficialis aangetoond. De lengte varieerde van 1 tot en met 18 cm (gem. 5,6 cm). Bij deze patiënten werd besloten tot rekanalisatie met behulp van een gecombineerde laser-dotterbehandeling. Er werd gebruik gemaakt van een CW Nd-Yag-laser. De laserpuls (15 W, 1 S) werd via een fiberoptic draad van 0,6 mm kerndiameter met een saffieren tip op de occlusie overgebracht. Na antegrade punctie werd in eerste instantie getracht de lasercatheter voorzichtig door de occlusie heen te duwen. Dit gelukte 8 maal. Bij de overige 15 patiënten waren 1 tot 27 pulsen nodig (energiegem. 7,27). Bij 13 patiënten kon op deze manier de occlusie gepasseerd worden. Bij 2 werd de vaatwand geperforeerd, wat verder geen nadelige gevolgen voor de patiënten had. De 21 patiënten bij wie een weg gebaand was door de occlusie, werden vervolgens met behulp van een balloncatheter (5-7 mm) gedotterd. Bij 2 patiënten ontstond hierbij op de trifurcatie een embolus. Met streptokinase kon 1 patiënt effectief behandeld worden, de ander niet. Deze laatste patiënt kon na fasciotomie van de musculus tibialis anterior en enkele weken conservatieve therapie in bevredigende toestand ontslagen worden. Bij 2 patiënten ontstond na de behandeling een fors hematoom in de lies. Bij 1 patiënt trad binnen 1 week opnieuw occlusie op. Bij de overige patiënten was de arterie open. Percutane rekanalisatie van obstructies in de arteria femoralis superficialis lijkt met behulp van de Nd-Yag-laser met saffieren tip betrouwbaar en met een gering percentage perforaties uitgevoerd te kunnen worden.

H.A.O.Warnars, M.S.van Leeuwen, W.P.Th.M.Mali, P.Westerhof, S.N.Berengoltz en C.Borst (Utrecht), Follow-up van gerekanaliseerde occlusies van de arteria femoralis superficialis met behulp van duplexonderzoek Het doel van het onderzoek is inzicht verkrijgen in de lokale hemodynamiek van perifere vaten na percutane transluminale angioplastiek (PTA) en opsporing van restenosering in de gedotterde gebieden.

Bij 14 patiënten bij wie een occlusie in de arteria femoralis superficialis is gerekanaliseerd, werd follow-up-onderzoek verricht met behulp van een ATL 8 duplex-scanner (beeldvorming 10-7,5-5 mHz, doppler 5 mHz). Het onderzoek richtte zich op het opsporen van stroomversnellingen en turbulenties in het betrokken been, met name in de gedotterde gebieden. De resultaten werden vergeleken met bloeddrukmetingen en angiografie. Het onderzoek was bij alle patiënten technisch goed uitvoerbaar. Uit analyse van de lokale stroomprofielen was het mogelijk reststenoses en turbulenties op te sporen en te kwantificeren.

Conclusie

Duplexonderzoek lijkt een veelbelovende noninvasieve methode voor follow-up-onderzoek van patiënten na PTA.

W.P.Th.M.Mali, R.Thalman, C.Borst, A.Oomen en R.Rienks (Utrecht), Eerste experimentele ervaringen met endovasculaire stents

Sinds Dotter in 1968 voor het eerst de mogelijkheden van een endovasculaire stent beschreef is de ontwikkeling van deze methode slechts langzaam voortgeschreden. In de afgelopen 3 jaar is door Medinvent te Zürich een endovasculaire stent ontwikkeld die onlangs reeds klinisch in perifere en coronaire vaten geplaatst werd. Mogelijke indicatie en de methode worden beproken evenals de eerste experimentele ervaringen.

Auteursinformatie

Nederlandse Vereniging voor Radiodiagnostiek, Postbus 8171, 3503 RD Utrecht.

J.C.N.M.Aarts, 2e secretaris.

Gerelateerde artikelen

Reacties