Multidisciplinaire aanpak van patiëntveiligheid op de kinder-IC

Onderzoek
Cynthia van der Starre
Ada van den Bos-Boon
Yvonne van der Tuijn
Ingrid Maas
A. (Harry) Molendijk
Martin Offringa
W. (Tim) Vreede
Dick Tibboel
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2009;153:B60
Abstract
Download PDF

Samenvatting

doel

Verbetering van de patiëntveiligheid en daarmee van de kwaliteit van zorg op een kinderchirurgische niveau 3-Intensive Care in een universitair centrum met ongeveer 550 opnames per jaar.

opzet

Beschrijvend onderzoek.

methode

Verschillende meetmethoden voor het melden van incidenten, registratie van complicaties, evaluatie van protocollen en protocollair werken, en gestructureerde trainingen werden geïntroduceerd. Er werden 3 verschillende analysemethoden van incidenten gebruikt.

resultaten

Er werden gemiddeld 125 incidenten per maand gemeld; ongeveer 25% van de patiënten liep 1 of meer complicaties op; per patiënt werden gemiddeld 5 verpleegkundige protocollen niet nageleefd.

conclusie

Het blijkt goed mogelijk een effectief veiligheidsmanagementsysteem te introduceren op een klinische afdeling, overeenkomstig de door het Nederlands Normalisatie-Instituut opgestelde norm, mits er een veilige en open afdelingscultuur wordt gecreëerd. Onderrapportage van incidenten en complicaties is desalniettemin nog een probleem. De cultuurverandering is een langzaam verlopend proces en de implementatie van gerichte verbeteringen heeft nog niet aantoonbaar geleid tot betere zorg, voornamelijk door de korte tijd dat het project loopt.

Inleiding

Volgens onderzoek zouden er in Nederland per jaar zo’n 1700 mensen overlijden door fouten in ziekenhuizen.1 Overheid, ziekenhuizen, verpleegkundigen en specialisten zien patiëntveiligheid als één van de belangrijke punten van verbetering van de zorg. Dat heeft de afgelopen jaren geresulteerd in projecten zoals ‘Sneller beter’, waarbij gestreefd wordt naar grotere transparantie, doelmatigheid en kwaliteit in de curatieve zorg (www.snellerbeter.nl), maar ook in de verplichting om per 1 januari 2008 een werkend veiligheidsmanagementsysteem te hebben. Het Nederlands Normalisatie-Instituut heeft samen met 36 andere partijen de minimumeisen voor een dergelijk systeem vastgelegd in de Nederlandse Technische Afspraak (NTA 8009:2007).2 De ontwikkeling van deze norm verloopt volgens een groeimodel, waarbij in 2011 een nieuwe versie als Nederlandse norm zal verschijnen.

In oktober 2003 werd op de kinderchirurgische Intensive Care van het Erasmus MC-Sophia Kinderziekenhuis te Rotterdam een project gestart, genaamd ‘Safety first’, met als doel de patiëntveiligheid te verbeteren. Het uitgangspunt was dat dit project uiteindelijk zou moeten leiden tot minder incidenten en complicaties, en daardoor tot een lagere mortaliteit en morbiditeit, en een kortere opnameduur.

Een belangrijke voorwaarde voor het verbeteren van de patiëntveiligheid is dat medewerkers zich bewust worden van de risico’s en gevaren van hun handelen in de dagelijkse praktijk. Deze bewustwording moet samengaan met een cultuurverandering: in plaats van reactief om te gaan met voorgevallen incidenten en de daaropvolgende schuldvraag (‘blaming and shaming’) moet men incidenten en complicaties gaan melden zonder angst voor repercussies (‘blame-free’), en risico’s proactief analyseren. Een stimulerende rol is hierbij weggelegd voor de leiders van de afdeling.

In dit artikel bespreken wij de verschillende onderdelen van het door ons opgezette veiligheidsmanagementsysteem ‘Safety first’, zoals risico-inventarisatie, risicoanalyse en teamtraining. Ook worden de samenhang tussen de verschillende onderdelen en de ontwikkelingen in de tijd weergegeven, naast de resultaten over de periode 2005-2007.

Gegevens en methoden

Het project ‘Safety first’ vond plaats op de kinderchirurgische Intensive Care, een multidisciplinaire IC van niveau 3 met ongeveer 550 opnames per jaar. De opgenomen patiënten zijn vooral kinderen met ernstige aangeboren afwijkingen, kinderen met neuro- of multitrauma, kinderen die een craniofaciale of orthopedische operatie hebben ondergaan en kinderen die behandeld worden met extracorporele membraanoxygenatie.3 Er werken ongeveer 120 verpleegkundigen, 5 intensivisten, 4 fellows en 7 arts-assistenten. Sinds januari 2008 zijn deze afdeling en de Intensive Care Pediatrie samengevoegd tot de Intensive Care Kinderen.

In ons project gebruikten wij een aantal methoden om de patiëntveiligheid te verbeteren, zoals het melden en bespreken van incidenten, protocollair werken en trainingen om het personeel bewust te maken van patiëntveiligheidsaspecten (figuur).

Figuur 1

Samenwerking en training

Optimale samenwerking in teamverband is van groot belang voor de kwaliteit en de veiligheid van de geleverde zorg. Omdat analyse van ongevallen en incidenten in de luchtvaart heeft aangetoond dat in 70% van de gevallen ontoereikende communicatie en samenwerking een rol speelden,4 startten wij met ‘Team resource management’(TRM)-training, een, van de luchtvaart afgeleide, veiligheidstraining op het gebied van samenwerking voor personeel in de gezondheidszorg. Zowel de medische als de verpleegkundige staf volgde een tweedaagse training onder andere gericht op menselijk gedrag en fouten, effecten van stress op handelen en perceptie, en op communicatie tussen teamleden. Inmiddels volgen ook alle nieuwe medewerkers deze training en wordt een herhalingstraining voorbereid.

In 2007 werd een programma van simulatietrainingen opgezet dat met name gericht was op het samenwerken in teamverband. Na instructie in het Center for Advanced Pediatric and Perinatal Education aan de Stanford University in Californië voerde het team regelmatig praktijkscenario’s uit die werden gefilmd. Na het bekijken van iedere opname vond een nabespreking plaats, waarbij de TRM-principes aan de orde kwamen.

Om de betrokkenheid van het hoger management en van de medewerkers bij de patiëntveiligheid te bevorderen, werden veiligheidsvisiterondes (‘safety walk rounds’) georganiseerd. Deze hielden in dat vertegenwoordigers van het ziekenhuis- en afdelingsmanagement (zowel het medisch als het verpleegkundig management) samen met de veiligheidsfunctionarissen van de kinder-IC de afdeling halfjaarlijks bezochten. Tijdens dit bezoek konden de deelnemers en de medewerkers, evenals de ouders van de kinderen op de afdeling, incidenten en situaties benoemen die zij als risicovol ervoeren.

Incidenten, complicaties en protocollair werken

Het ‘Vrijwillig incidentmeldingssysteem’ (of ‘Veilig incidentmeldingssysteem’) is een alom gebruikt instrument om potentiële risico’s op te sporen en gericht interventies te ontwikkelen om fouten en incidenten te voorkomen. De bereidheid om fouten te melden, wordt negatief beïnvloed door angst voor represailles, het ontbreken van feedback over ondernomen acties en door de hoeveelheid tijd die met een melding gemoeid is.5,6

Voor het melden van (bijna-)incidenten werd een eigen formulier ontwikkeld, in overleg met een klankbordgroep bestaande uit vertegenwoordigers van verschillende disciplines werkzaam op de ic-afdeling, zoals van de apotheek en het laboratorium. Het hoe en waarom van het melden van incidenten werd in voorlichtingsbijeenkomsten aan alle medewerkers uitgelegd. De definitie van ‘incident’ is: ‘onbedoelde gebeurtenis in het zorgproces die tot schade voor de patiënt heeft geleid dan wel had kunnen leiden’, maar de medewerkers werd gevraagd ‘alles te melden wat niet ging zoals de bedoeling was’. Er werd een brainstormgroep van een tiental verpleegkundigen in het leven geroepen om een breed draagvlak voor het melden te creëren. Terugkoppeling aan de medewerkers vond plaats via het maandelijkse ‘Safety first journaal’, waarin de 5 meest voorkomende meldingen van de afgelopen maand worden beschreven, maar ook door het doorvoeren van verbeteringen door middel van interventies.

Twee leden van de ‘Safety first’-projectgroep (een verpleegkundige Kwaliteit en een stafarts) beoordeelden wekelijks de meldingen. Dit gebeurde aan de hand van een risicomatrix om zodoende zowel de potentiële als de feitelijke ernst van het (bijna-)incident te beoordelen en de kans op herhaling ervan in te schatten. De uitkomst van deze beoordeling bepaalde vervolgens of nadere analyse van het incident zou plaatsvinden.

De ‘Critical nursing situation’-index (CNSI) werd geïntroduceerd als indicator voor het al dan niet protocollair werken door verpleegkundigen. Een ‘critical nursing situation’ is een observeerbare situatie die afwijkt van geprotocolleerde zorg en die kan leiden tot een incident of complicatie.7 Inzicht in het aantal en het soort situaties waarbij er niet volgens protocol gewerkt wordt, kan richting geven aan verbeteringen, zoals het aanpassen van protocollen of het geven van scholing. In de zomer van 2004 werden alle verpleegkundige protocollen geactualiseerd en bekwaamden 10 verpleegkundigen (vrijwilligers) zich in het scoren van de index. Om de betrouwbaarheid van de waarnemingen vast te stellen, werd de overeenstemming tussen de beoordelaars gemeten. Deze was voldoende (kappa = 0,69), waarna in 2005 het gebruik van de CNSI werd ingevoerd. De scoorders verrichtten eenmaal per dienst een CNSI bij een willekeurig gekozen patiënt.

Complicatieregistratie dient, behalve als kwaliteitsindicator voor ziekenhuizen op gezag van de Inspectie voor de Gezondheidszorg, ook voor risico-inventarisatie. De definitie van ‘complicatie’ zoals deze door de Orde van Medisch Specialisten en de inspectie gehanteerd wordt, luidt: ‘Een onbedoelde en ongewenste gebeurtenis of toestand, tijdens of volgend op medisch-specialistisch handelen, die voor de patiënt zodanig nadelig is dat aanpassing van het medisch (be)handelen noodzakelijk is, dan wel dat er sprake is van onherstelbare schade.’

Na deelname aan 2 pilotstudies naar de bruikbaarheid van de complicatieregistratie8 werd daadwerkelijk gestart met registreren. De complicaties werden geclassificeerd in verschillende assen met bijbehorende codering, zoals eerder door Marang-van de Mheen in dit Tijdschrift beschreven.9

Sinds 1 januari 2007 werden tweewekelijks zogenaamde mortaliteit-, morbiditeit- en veiligheidsbesprekingen gehouden in multidisciplinair verband. Naar aanleiding van overlijdensgevallen, complicaties of andere ernstige (bijna-)incidenten die zich voordeden, werden beheers- en verbetermaatregelen voorgesteld. Voorbeelden hiervan zijn richtlijnen die werden opgesteld voor de preventie van trombose, voor sedatiebeleid en voor het fixeren van maagsondes, diepe veneuze lijnen en endotracheale tubes op uniforme wijze.

Analyses

(Bijna-)incidenten die matig of ernstig letsel hadden kunnen veroorzaken, werden geanalyseerd met behulp van de ‘Prevention and recovery information system for monitoring and analysis’(PRISMA)-methode. Hierbij wordt een oorzakenboom opgesteld, zodat men tot de basisoorzaken komt. Deze zijn in te delen in menselijke, technologische en organisatorische factoren.10

Bij een ernstig incident werd een ‘Systematische incident reconstructie en evaluatie’(SIRE)-analyse verricht.11 Bij deze methode wordt niet alleen naar oorzaken gezocht, maar vooral ook naar mogelijke maatregelen die het incident hadden kunnen voorkomen; drempels die in het systeem ingebouwd moeten worden ter preventie van incidenten. De aanbevelingen die voortkwamen uit deze analyses werden maandelijks besproken met de medische en de verpleegkundige staf.

Prospectieve analyses van de risico’s – dus niet analyses naar aanleiding van bijvoorbeeld een incidentmelding – werden uitgevoerd met behulp van de ‘Healthcare failure mode effect analysis’ (HFMEA; http://www.va.gov/NCPS/SafetyTopics.html). Hierbij wordt preventief gezocht naar mogelijke oorzaken van het falen van processen. Vervolgens wordt bepaald waar drempels opgeworpen kunnen worden die de kans op fouten verkleinen, en daarop worden gerichte interventies ontwikkeld.

Resultaten

Informatie uit bovenstaande bronnen werd gebruikt om gerichte interventies te ontwikkelen en uit te voeren. Door continu alle binnenkomende informatie te verwerken, konden aanpassingen gedaan worden, zowel in het beleid voor de patiëntenzorg als in het veiligheidsbeleid.

Training

De onderwerpen van de TRM-training werden door een multidisciplinaire werkgroep in de praktijk gebracht op de afdeling en verschenen als screensavers op de computerterminals op de afdeling. Waar nodig werden maatregelen ter verbetering geïntroduceerd. Voorbeelden hiervan zijn: het elkaar aanspreken op onvoldoende handhygiëne, het verminderen van geluidsoverlast en het nabespreken van ernstige incidenten of acute situaties met de betrokkenen.

Incidenten, complicaties, en protocollair werken

Van 1 januari 2005-31 december 2007 werden 4512 (bijna-)incidenten gerapporteerd, een gemiddelde van 125 per maand. De 5 frequentste meldingen staan in tabel 1 beschreven. Meldingen met betrekking tot medicatie kwamen het meest voor (31% van alle meldingen), zoals de toediening van een verkeerde dosis of een onjuiste infuusstand.

Figuur 2

In het eerste volledige jaar dat de CNSI gebruikt werd (2006), werd de CNSI bij 247 patiënten bepaald. Er werd 1232 keer niet volgens een verpleegkundig protocol gewerkt, wat neerkomt op een gemiddelde van 5 maal per patiënt per dag. De 5 handelingen die het vaakst niet volgens protocol verricht werden, waren: plaatsing of verschoning van centrale lijnen of infuussystemen, plaatsing of verschoning van maag- of duodenumsondes, mondverzorging, het invullen van het transfusieformulier, en het instellen van de beademing of het maken van afspraken hierover.

Van 1 december 2005-28 februari 2006 werden 120 complicaties geregistreerd bij 46 van de 181 opgenomen patiënten. Dit houdt in dat een kwart van de opgenomen patiënten 1 of meer complicaties opliep; anders gezegd ging het om 8 complicaties per 100 verpleegdagen. De 5 meest vóórkomende complicaties waren: medicatiefouten, hypoxie (voornamelijk bij accidentele extubatie), sepsis (vooral bij aanwezigheid van een centrale lijn), problemen met een centraal-veneuze of arteriële lijn en atelectase.

Uit tabel 2 wordt duidelijk dat er verband bestaat tussen de resultaten van deze 3 onderdelen van het veiligheidsmanagementsysteem. Zo is te zien dat zorgprocessen waarbij medicatie, beademing, intraveneuze en intra-arteriële lijnen, beademingstubes of katheters, en apparatuur een rol spelen, een hoog veiligheidsrisico hebben.

Figuur 3

Analyses

In 2005 en 2006 werden 157 PRISMA-analyses verricht, waarbij 464 basisoorzaken benoemd konden worden. In tabel 3 is de onderverdeling van de basisoorzaken in de verschillende categorieën weergegeven. Menselijke factoren speelden een belangrijke rol bij de meeste incidenten, maar ook werden veel technische en organisatorische basisoorzaken gevonden.

Figuur 4

Sinds de zomer van 2006 werden 8 SIRE-analyses verricht, die gemiddeld 14 manuren in beslag namen. De aanbevelingen hieruit betroffen technische aspecten, zoals het aanpassen van het elektronisch medicatievoorschrijfsysteem, en menselijke factoren, zoals afspraken over supervisie.

In 2006 werd een prospectieve HFMEA-analyse verricht van de orale toediening van clonidine. Deze analyse kostte 30 manuren. Hierna konden 8 verschillende aanbevelingen gedaan worden om 13 risicovolle processtappen te verbeteren.

Succes- en faalfactoren

Meerdere factoren droegen bij tot het slagen van de verschillende onderdelen van het veiligheidsmanagementsysteem, zoals een klimaat van openheid en veiligheid, het geven van feedback, een breed draagvlak voor de implementatie, teamtraining, steun van het (hoger) management en het aanhoudend onder de aandacht brengen van de patiëntveiligheid. Andere factoren hadden een vertragende werking op de ontwikkeling van het systeem, zoals vooral de traagheid van de cultuurverandering en onderrapportage.

Beschouwing

Het project ‘Safety first’ ging van start als een systeem voor het vrijwillig melden van incidenten. Door dit te integreren met het evalueren van protocollair werken, de door ons gevalideerde complicatieregistratie en met de bewustwording van groepsprocessen door TRM-training, is het uitgegroeid tot een volledig patiëntveiligheidsmanagementsysteem overeenkomstig de norm zoals die is geformuleerd in de Nederlandse Technische Afspraak 8009:2007.

Het vrijwillig melden van (bijna-)incidenten is goed ontvangen en blijkt inmiddels verankerd te zijn in de cultuur van de afdeling. De meldingen worden daadwerkelijk gebruikt om verbeteringen te bewerkstelligen, maar het aantal meldingen blijft constant. We vermoeden dat er overrapportage is van onschuldige incidenten en onderrapportage van ernstige incidenten. Capuzzo et al. beschreven al dat er een verschil bestaat tussen het aantal en het soort incidenten dat door medewerkers gemeld wordt en het aantal en het soort incidenten dat door onafhankelijke waarnemers worden gesignaleerd.12 Er is gelukkig een toename van het aantal meldingen door artsen, waarschijnlijk door de aanhoudende aandacht voor patiëntveiligheid en door het voorbeeldgedrag van stafleden.

Analyse van gerapporteerde incidenten (PRISMA- dan wel SIRE-analyse) blijkt een tijdrovende, maar zeer waardevolle bezigheid. Het verdient de voorkeur een PRISMA-analyse kort na de melding te verrichten, zodat de betrokkenen zich nog zoveel mogelijk details kunnen herinneren. Zij en hun collega’s zien dat er actie wordt ondernomen en dat de bedoeling nadrukkelijk is om te leren van de voorgevallen incidenten.

Ook bij het registreren van complicaties is er onderrapportage. In de praktijk blijkt het aantal gemelde complicaties nauw samen te hangen met de aandacht die de superviserende intensivist of fellow aan het melden besteedt. Er blijkt een neiging om alleen de ernstigste complicaties te melden, alsmede die waarbij er een fout in het zorgproces is opgetreden. Daarnaast werd door artsen ‘registratiemoeheid’ als reden voor niet registreren genoemd.

Het niet melden van incidenten en complicaties hangt samen met het ontbreken van feedback en van een ‘veilige’ cultuur, en met angst voor repercussies. Een eenvoudig en toegankelijk meldinstrument en doeltreffende educatie over de zin van het melden van incidenten en complicaties maakt de meldingsbereidheid groter.1,14

Zoals te verwachten, blijkt het doorvoeren van technische en organisatorische verbeteringen minder moeilijk dan het aanpakken van menselijke factoren. Onze overtuiging is dat juist hier teamtraining een belangrijke rol kan spelen, omdat daarin aspecten zoals communicatie, groepsdynamiek en stressmanagement aan de orde komen.

Ook een systeem voor het melden van (bijna-)incidenten kan een belangrijke bijdrage leveren aan cultuurverandering. Hierbij hoort uiteraard een analyse naar oorzakelijke factoren. In een functionerend veiligheidsmanagementsysteem hoort een meetinstrument voor de uitkomst van de zorg, zoals complicatieregistratie of een andere prestatie-indicator, zodat gecontroleerd kan worden of de verbeteringen ook werkelijk effectief zijn. Gezien de relatief korte looptijd van het ‘Safety first’-project, konden we echter nog niet aantonen of het veiligheidsmanagementsysteem leidt tot een betere kwaliteit van zorg.

Uitleg

  • Niveau 3-IC: Intensive Care van het hoogste niveau, voorbehouden aan de academische centra en gericht op de behandeling van gecompliceerde aandoeningen. Het is noodzakelijk dat een intensivist en een gespecialiseerde verpleegkundige continu aanwezig zijn.

  • ‘Veilig incidentmeldingssysteem’ (VIM): is bedoeld om (snel) zicht te krijgen op het hoe en waarom van ongewenste gebeurtenissen in het zorgproces. Daarbij staat niet de vergissing van een persoon centraal, maar de condities waaronder mensen werken en de wijze waarop de zorg is georganiseerd.

  • Extracorporele membraanoxygenatie (ECMO): een cardiopulmonale bypasstechniek bij ernstig, acuut, maar reversibel longfalen of hart-longfalen.

Conclusie

Het blijkt goed mogelijk een veiligheidsmanagementsysteem te implementeren en de professionele verantwoordelijkheid hiervoor te dragen.15 De basiselementen van de Nederlandse Technische Afspraak 8009:2007 blijken goed kwantificeerbaar, zodat ook gerichte maatregelen en de resultaten hiervan in maat en getal kunnen worden uitgedrukt. Cultuurverandering, dat wil zeggen een klimaat van openheid en veiligheid creëren, is een belangrijke voorwaarde voor het slagen van de implementatie. Hierbij dient de klinische staf, samen met het hogere management – tot aan de raad van bestuur –, een voorbeeldfunctie te vervullen in het omgaan met incidenten, fouten en complicaties.

Literatuur
  1. Wagner C, de Bruijne M. Onbedoelde schade in Nederlandse ziekenhuizen. Amsterdam: EMGO Instituut; 2007.

  2. NTA 8009:2007. Veiligheidsmanagementsysteem voor ziekenhuizen en instellingen die zorg verlenen. Delft: Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut; 2007.

  3. Hanekamp MN, Mazer P, van der Cammen-van Zijp MHM, van Kessel-Feddema BJM, Nijhuis-van der Sanden MWG, Knuijt S, et al. Neurologische afwijkingen en ontwikkelingsstoornissen na extracorporele membraanoxygenatie van pasgeborenen: resultaten van een follow-uponderzoek na 5 jaar. Ned Tijdschr Geneeskd. 2008;152:207-12.

  4. Billings CE, Reynard WD. Human factors in aircraft incidents: results of a 7-year study. Aviat Space Environ Med. 1984;55:960-5.

  5. Pronovost PJ, Thompson DA, Holzmueller CG, Lubomski LH, Dorman T, Diekman F, et al. Toward learning from patient safety reporting systems. J Crit Care. 2006;21:305-15.

  6. Harris CB, Krauss MJ, Coopersmith CM, Avidan M, Nast PA, Kollef MH, et al. Patient safety event reporting in critical care: a study of three intensive care units. Crit Care Med. 2007;35:1068-76.

  7. Binnekade JM, de Mol BA, Kesecioglu J, de Haan RJ. The Critical Nursing Situation Index for safety assessment in intensive care. Intensive Care Med. 2001;27:1022-8.

  8. Van den Beuken MGA, Schulpen TWJ, te Pas E, Veeze HJ, Vreede WB, Offringa M, et al. Complicatieregistratie in de kindergeneeskundige praktijk. Tijdschr Kindergeneeskd. 2006;74:106-13.

  9. Marang-van de Mheen PJ, Kievit J. Geautomatiseerde registratie van complicaties door heelkundige afdelingen in Nederland: huidige stand van zaken. Ned Tijdschr Geneeskd. 2003;147:1273-7.

  10. Kaplan HS, Battles JB, van der Schaaf TW, Shea CE, Mercer SQ. Identification and classification of the causes of events in transfusion medicine. Transfusion. 1998;38:1071-81.

  11. Leistikow IP, den Ridder K. Patiëntveiligheid. Systematische incident reconstructie en evaluatie. Maarssen: Elsevier gezondheidszorg; 2005.

  12. Capuzzo M, Nawfal I, Campi M, Valpondi V, Verri M, Alvisi R. Reporting of unintended events in an intensive care unit: comparison between staff and observer. BMC Emerg Med. 2005;5:3.

  13. Schuerer DJE, Nast PA, Harris CB, Krauss MJ, Jones RM, Boyle WA, et al. A new safety event reporting system improves physician reporting in the surgical intensive care unit. J Am Coll Surg. 2006;202:881-7.

  14. Leape LL. Reporting of adverse events. N Engl J Med. 2002;347:1633-8.

  15. Stephenson T. Improving patient safety in paediatrics and child health. Arch Dis Child. 2008;93:650-3.

Auteursinformatie

Erasmus MC-Sophia Kinderziekenhuis, Rotterdam.

Afd. Intensive Care Kinderen: drs. C. van der Starre, kinderarts-neonatoloog (tevens: afd. Intensive Care Neonatologie); A. van den Bos-Boon, regieverpleegkundige Kwaliteit; prof.dr. D. Tibboel, kinderarts-intensivist.

Afd. Intensive Care Kinderchirurgie: Y. van der Tuijn, verpleegkundig specialist Kwaliteit.

Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde, Utrecht.

Dr. I. Maas, beleidsmedewerker.

Isala Klinieken, afd. Neonatologie, Zwolle.

Dr. A. Molendijk, kinderarts-neonatoloog.

Emma Kinderziekenhuis AMC, Amsterdam.

Prof.dr. M. Offringa, kinderarts-neonatoloog.

Flevoziekenhuis, afd. Kindergeneeskunde, Almere.

W. Vreede, kinderarts.

Contact prof.dr. D. Tibboel (d.tibboel@erasmusmc.nl)

Verantwoording

Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: geen gemeld.
Aanvaard op 11 augustus 2008

Gerelateerde artikelen

Reacties