In memoriam prof.dr.G.M.H.Veeneklaas.

L.J. Dooren
J.J.P. van de Kamp
J. Rohmer
A.Th. Schweizer
J.M.J.J. Vossen
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1991;135:2047-8
Download PDF

– Het overlijden van kinderarts Henk Veeneklaas (1909-1991), oud-hoogleraar aan de Rijksuniversiteit in Leiden, noopt tot bezinning op zijn betekenis als mens en als arts. Hij was een man met onorthodoxe ideeën en met een hang naar het avontuurlijke. Dit werd al duidelijk in zijn schooltijd, toen hij in de vakanties als lichtmatroos op vrachtschepen voer, en in zijn studententijd, toen hij naar Griekenland fietste – een voor die dagen ongelofelijke tocht.

Hij studeerde medicijnen in Utrecht en specialiseerde zich daar in de kindergeneeskunde. Dat hij assertief en moedig was, bleek al duidelijk uit de bokscarrière in zijn studententijd, maar veel meer nog uit zijn deelneming als arts aan een door het Rode Kruis georganiseerde missie naar het in oorlog verkerende Abessinië. Hij was zich ervan bewust dat hij een bijzondere taak vervulde en legde zijn belevenissen en inzichten in boekvorm vast. Twee jaar later verscheen wederom een boek van zijn hand, ditmaal zijn proefschrift over beenmergonderzoek bij kinderen.

In de Tweede Wereldoorlog werkte hij in een sanatorium voor kinderen met tuberculose; toen besloot hij om zich te specialiseren in de interne geneeskunde. Het was in die periode dat hij betrokken raakte bij het ondergrondse verzet. Met grote moed, doortastendheid en kundigheid en met veel organisatietalent heeft hij zich ingezet voor zijn land. De erkenning van zijn formidabele verdiensten volgde later in de vorm van de Militaire Willemsorde, een onderscheiding die slechts bij hoge uitzondering aan een burger ten deel is gevallen.

Na de oorlog keerde hij als chef de clinique terug naar het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht. In 1951 volgde zijn benoeming tot hoogleraar in Leiden. Veeneklaas bracht voor de kindergeneeskunde nieuwe technieken mee naar Leiden, zoals beenmergpunctie, bronchoscopie en wisseltransfusie, destijds door hem in Nederland geïntroduceerd.

Als hoogleraar boezemde Veeneklaas vooral ontzag in. Hij hield van, zoals hij dat zelf noemde, ‘robuuste verhoudingen’. Hij stond erop dat zijn medewerkers niet alleen hun werk goed deden, maar ook hun gedachtengang en handelingen op heldere en gemakkelijk toegankelijke wijze schriftelijk vastlegden. Hij hechtte ook veel waarde aan mondelinge uitdrukkingsvaardigheid en organiseerde daartoe cursussen, die door zijn medewerkers gevolgd ‘moesten’ worden, hoewel hij ze nimmer verplicht gesteld heeft.

Na een oriëntatiereis naar de USA en het Verenigd Koninkrijk kwam hij terug naar Leiden met het vaste voornemen om de zich in snel tempo ontwikkelende somatische deelspecialismen toe te vertrouwen aan zijn medewerkers, terwijl hij zichzelf tot taak stelde de psychosociale kindergeneeskunde tot ontwikkeling te brengen. Hij vond namelijk dat kinderen in het ziekenhuis groot onrecht werd aangedaan door de eenzijdige belangstelling voor de somatische afwijking en het gebrek aan aandacht voor psychische en emotionele implicaties van de opname en de daaruit voortvloeiende scheiding van ouders en andere familieleden en van de dagelijkse, normale leefwereld. Om deze aspecten naar behoren te verduidelijken voor de reeds aanwezige kliniekmedewerkers en zo te komen tot een integrale kindergeneeskunde, introduceerde hij psychiater, psycholoog, socioloog en maatschappelijk werker in de kindergeneeskunde. Hieruit vloeiden de wekelijkse, soms zeer boeiende, driehoeksbesprekingen voort; ook kwam er een ‘derde persoon aan het ziekbed’; de spelleidster, later observatrice, nog later pedagogisch medewerker geheten. Aangezien er geen opleiding voor spelleidsters bestond, heeft hij die zelf georganiseerd.

Het feit dat Henk Veeneklaas gezien heeft hoezeer het in het ziekenhuis opgenomen kind te kort gedaan werd door de selectieve aandacht voor de somatische afwijking alleen, bewijst dat hij niet alleen goed observeerde, maar ook zeer begaan was met de angst en de ontreddering van zieke kinderen. Hij heeft ervoor gezorgd dat de synthese tussen de aandacht voor het zieke kind en de aandacht voor de ziekte op een – thans algemeen geaccepteerde – wijze gestalte kreeg. Hier komen dan ten slotte eigenschappen van hem naar voren die minder evident waren dan de al eerder genoemde, maar die zijn persoonlijkheid toch in hoge mate kenmerkten: zijn invoelingsvermogen en zijn vermogen om warme steun te bieden waar dat nodig was. Terecht werd hij door de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde met de Gorterpenning geëerd.

Gerelateerde artikelen

Reacties