Lessen van de Spaanse griep

Marc Bonten
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2020;164:C4547

Het was lange tijd ‘not done’, maar inmiddels mogen we COVID-19 gerust vergelijken met de Spaanse griep. Wel zo makkelijk, want zelfs 100 jaar later begrijpen we nog steeds niet alles van die pandemie, net zoals we nu na enkele maanden nog niet alles snappen van deze. Zo leek de Spaanse griep in 1918 virulenter te worden. Kan dat met SARS-CoV-2 ook gebeuren?

Kolonel Jefferson Kean, een Amerikaanse legerarts in Noord-Frankrijk, noteerde in mei 1918: ‘Mild epidemic of “three-day fever” since April 15th, causing no deaths.’ Op 17 augustus schreef hij: ‘Influenza increasing and becoming more fatal.’ Op 18 september: ‘Sudden and serious increase in influenza-pneumonia’. En op 6 oktober: ‘Thousands of cases… the situation is very serious.’ Ook anderen was een toename van virulentie opgevallen, waardoor er ineens veel slachtoffers vielen in de leeftijdsgroep van 20- tot 40-jarigen, en waardoor de typische W-curve in sterfte ontstond. Veel sterfte bij de allerjongsten en de alleroudsten gedurende het griepseizoen was ook toen al een bekend gegeven, maar die piek daartussen bij de 28-jarigen was nooit eerder gezien.

In die tijd werd nog geen longitudinaal moleculair virologisch onderzoek verricht, dus zijn we op evolutionair biologen aangewezen voor een verklaring van dit fenomeen. In 1993 poneerde Paul Ewald een theorie die volgens anderen nooit weerlegd is. Het komt erop neer dat je als virus vriendelijk bent voor je gastheer zolang je die gastheer nodig hebt om een nieuwe gastheer te bereiken. Als je je gastheer daarvoor niet nodig hebt, kun je hem net zo goed doden. Een goed voorbeeld is malaria. Bij deze parasiet wordt het transport naar een nieuwe gastheer door een mug verzorgd. Geen reden voor onnodige vriendelijkheid dus, en jaarlijks vallen er bijna een half miljoen doden.

De situatie aan het eind van de Eerste Wereldoorlog was ideaal voor selectie van meer virulente varianten van influenza. In de loopgraven, de primitieve ziekenhuizen en de overbevolkte kazernes leefden soldaten dicht op elkaar, vaak te midden van dode lichamen, zodat zelfs niet-bewegende gastheren het virus konden overdragen. Presymptomatische besmettelijkheid helpt ook, want de kans op overdracht wordt kleiner als je mensen met symptomen ‘verwijdert’ door ze naar een ziekenhuis te brengen waar meer mogelijkheden voor isolatie zijn. Na de oorlog werden afstandsmaatregelen genomen, net als nu, en moest het virus weer aardiger worden voor de gastheer. Vanaf dat moment daalden de sterftecijfers geleidelijk.

Kan zoiets nu ook gebeuren? Bijvoorbeeld door verspreiding van SARS-CoV-2 in vluchtelingenkampen, of in andere situaties waar veel geïnfecteerde en vatbare personen dicht op elkaar verkeren? Zoals carnaval?

Niets evolueert uit altruïsme. De variant die zich sneller vermenigvuldigt dan anderen heeft een selectief voordeel en kan uiteindelijk de fenotypische eigenschappen van de populatie veranderen. Ook voor SARS-CoV-2, dat nu overal aan het toenemen is, kan het zijn dat varianten die sneller groeien (bijvoorbeeld doordat ze een korter generatie-interval hebben) een selectief voordeel hebben daar waar transmissie relatief makkelijk plaatsvindt (grote groepen, veel contacten). Dat kan tot hogere, maar ook tot lagere virulentie leiden.

Nou gaat het wellicht een beetje ver om het Brabantse carnaval te vergelijken met de Noord-Franse slagvelden van 1918. Maar er zijn wel andere plekken op aarde waar SARS-CoV-2 tot een enorme verstoring van een gezondheidszorgsysteem kan leiden. En als dat in een arme en dichtbevolkte metropool is, wordt de vergelijking al minder absurd. Denk bijvoorbeeld aan de beelden van recente ebola-epidemieën in Afrika.

Voor de duidelijkheid: er zijn ook andere theorieën over de opvallende sterftepiek tijdens de Spaanse griep. Immunologen denken vooral aan eerdere blootstelling aan influenza, in dit geval gedurende de Russische grieppandemie van 1889-1890. De ontwikkeling van een immunologisch geheugen zou dan tot een overmatige immuunrespons leiden bij latere expositie aan een iets ander antigeen [Alain Gagnon et al. Plos One; 2013].

Auteursinformatie:

UMC Utrecht, Julius Centrum voor Gezondheidswetenschappen en afd. Medische Microbiologie: prof.dr. M.J.M. Bonten, arts-microbioloog.

Contact: M.J.M. Bonten (mbonten@umcutrecht.nl)

Literatuur
  1. Roes F. The Curious Case of the Spanish Flu. Biological Theory. 2018;13:243–25.

  2. Ewald PW. The evolution of infectious disease. Oxford: Oxford University Press; 1997.

  3. Williams GC. Adaptation and Natural Selection. Princeton; Princeton University Press; 1966.

  4. Dawkins R. The Extended Phenotype. Oxford: Oxford University Press; 1982.

  5. C4547_F0

Auteursinformatie
Verantwoording

Met dank aan Frans Roes, Hans Heesterbeek en Michiel van Boven.

Dit artikel is gepubliceerd in het dossier
Covid-19

Gerelateerde artikelen

Reacties