Honderd gastro-enterologen.

Nieuws
J.B. Meijer van Putten
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1997;141:852
Download PDF

Honderd gastro-enterologen. – De afgelopen paar jaar is het aantal gastro-enterologen aanzienlijk toegenomen, van 51 in 1990 naar maar liefst 105 vorig jaar. Ten opzichte van 1975 is het aantal zelfs verviervoudigd. Het Nederlands Genootschap van Artsen voor Maag-, Darm- en Leverziekten heeft nu een symposiumverslag uitgebracht onder de titel ‘Is 100 genoeg?’ (De aanleiding tot het symposium was de registratie vorig jaar van de 100e gastro-enteroloog.)

Zoals de titel van het symposiumverslag al aangeeft, was het belangrijkste discussiepunt of er nu genoeg gastro-enterologen zijn of dat er nog ruimte is voor uitbreiding van het specialisme. Dr.G.F.Nelis vond dat dit laatste zeker het geval is. Hij vergeleek het aantal gastro-enterologen met dat van de cardiologen. Terwijl maag- en darmklachten veel vaker voorkomen dan hart- en vaatziekten, zijn er veel meer cardiologen, namelijk 300. Zo bezien kunnen er dus nog heel wat gastro-enterologen bij. Nelis wees er verder op dat een tijdig onderzoek door een gastro-enteroloog in bepaalde gevallen een patiënt veel onnodige ellende kan besparen. Hij noemde als voorbeeld een vrouw met diabetes mellitus die leed aan diarree en daarvoor op verzoek van haar huisarts heel wat onderzoeken had ondergaan. Na 4 jaar kwam zij eindelijk bij de gastro-enteroloog, die meteen constateerde wat er aan de hand was: een autonome diabetische neuropathie. Met een kuur goedkope loperamide was de patiënte in één klap van haar klachten af.

Interessant was de bijdrage van mw.mr.P.Schwenker, directeur Zorg van de Zorgverzekeraars Nederland, die de behoefte aan gastro-enterologen vanuit de optiek van de verzekeraars in beschouwing nam. Zij pleitte ervoor de medisch specialist alleen daar in te zetten waar deze zijn kennis ten volle kan benutten. Bij het diagnostische proces is die kennis heel essentieel. Over het algemeen kan alleen een specialist uit een veelheid van soms vage klachten relatief snel de diagnose stellen. Voor de uiteindelijke behandeling ligt dat volgens Schwenker anders. Daarbij gaat het vaak om ambachtelijk werk, dat net zo goed door bijvoorbeeld een algemeen arts of misschien wel een gespecialiseerde verpleegkundige kan worden verricht. Mevrouw Schwenker pleit dus voor functiedifferentiatie.

Een ander fenomeen waar zij bij stilstond, was de steeds verdere afsplitsing van superspecialismen. De gastro-enterologie is daarvan volgens haar het levende bewijs. Schwenker vroeg zich af of deze steeds verdergaande specialisatie niet te ver is doorgeschoten. Zij pleitte voor een clustering van specialisten, waarbij iedereen zich wel specialiseert, maar dan breder, zodat er meer kansen zijn voor flexibiliteit op randgebieden en misschien wel meer kans om ook eens een ander deelgebied te betreden. Dat zou niet alleen de patiëntvriendelijkheid kunnen verhogen, maar wellicht ook de arbeidsvreugde van de specialist.

Schwenker erkent dat de benodigde capaciteit aan specialisten een moeilijk onderwerp is. Toch is er één ding in ieder geval noodzakelijk: onderlinge afstemming tussen de verschillende medische beroepsgroepen op dit gebied. Iedereen is het erover eens dat er vanwege de vergrijzing meer geriaters, huisartsen en waarschijnlijk ook meer verpleeghuisartsen en internisten nodig zullen zijn. Is er echter wel eens iemand die zich buigt over de vraag of er dan dus ook minder kinderartsen en gynaecologen nodig zijn?

In haar slotwoord pleitte Schwenker ervoor steeds naar het proces van zorgverlening te blijven kijken, dus niet alleen naar de inhoud en de kwaliteit, maar ook naar de organisatie en de logistiek. Zij opperde dat er dan misschien wel meer patiënten kunnen worden geholpen met behoud van kwaliteit en voor dezelfde hoeveelheid geld.

Gerelateerde artikelen

Reacties