Het al of niet tevoren verwijderen van haar in het operatiegebied en de preventie van wondinfecties

Opinie
G.C.J. van der Ploeg
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1986;130:2258-60
Download PDF

Het scheren van de huid is als voorbereiding op een operatie in het einde van de vorige eeuw in gebruik gekomen, in een tijd waarin nog weinig over het ontstaan van wondinfecties bekend was. Men wilde vermoedelijk vermij den dat haar werd afgesneden bij het maken van de wondincisie en vervolgens in de wond geraakte; soms wilde men ook voorkomen dat haar zou hinderen bij het sluiten van de operatiewond. Het preoperatief scheren zal oorspronkelijk niet bedoeld zijn geweest om wondinfecties te voorkomen.

Volgens de thans gangbare opvattingen moet het operatieterrein om twee redenen vrij van haar zijn. De eerste is dat de huid en de diepere weefsels op een ingebrachte haar als op een corpus alienum kunnen reageren met de vorming van fistelgangen, abcessen of vreemd-lichaam-granulomen. Haar wordt moeilijk geresorbeerd en blijft jarenlang in het weefsel aanwezig.1 De tweede reden is dat men ervan uitgaat dat sterk behaarde huid moeilijk te desinfecteren is, dus dat het haar moet worden verwijderd om de kans op infecties te verkleinen. Een bijkomende reden is in een aantal gevallen het feit dat verwijderen van pleisters na de operatie pijnlijk is. Draagt preoperatief scheren bij aan een vermindering van het percentage wondinfecties?

Om haar uit het operatiegebied te verwijderen, wordt de huid gewoonlijk geschoren. Hierbij kunnen met het oog zichtbare verwondingen optreden, afhankelijk van de handigheid van de verpleegkundige, van de kwaliteit van het scheermes en van het gebied dat men scheert. Ook maakt het verschil of men ‘droog’, ‘nat’ of met scheercrème werkt. Microscopisch waarneembare huidverwondingen blijken echter ook onder gunstige omstandigheden veelvuldig voor te komen. Door Hamilton et al. is met licht- en elektronenmicroscopisch onderzoek de invloed van droogscheren op de huid nagegaan.2 Ogenschijnlijk onbeschadigde huid bleek bij dit onderzoek vele kleine sneden te vertonen, loodrecht op de bewegingsrichting van het scheerblad. In die verwondingen kan microflora tot ontwikkeling komen, en kan een ontsteking ontstaan; de literatuur hierover is bijna, maar niet geheel, eenduidig. Powis et al. delen eerdergenoemde (algemene) opvatting,3 maar Linton en Linton meenden daarentegen te zien dat er in de uren tussen scheren en opereren een afname was van het totale aantal bacteriën op de huid.4 Wanneer men haar met een tondeuse verwijdert, houdt men een ‘stoppelveld’ over. Ook dan wordt de huid beschadigd. Hamilton et al. vonden dat overal inkervingen in de huid gemaakt werden en dat deze wondjes gemakkelijk kunnen worden geïnfecteerd.2 Zowel bij scheren als bij tondeusegebruik zou men daarom minder infecties na operatie mogen verwachten naarmate de tijdsduur tussen deze handelingen en het moment van opereren korter is.

Als alternatief voor scheermes en tondeuse wordt sinds een aantal jaren een chemisch ontharingsmiddel aanbevolen.35-7 Het ontharingsmiddel wordt met een spuitbus of een spatel in een laag op de huid aangebracht en dan na 10 à 15 minuten met een spatel of een natte doek afgeveegd en vervolgens verder afgespoeld of afgewassen. In de literatuur worden verschillende ontharingsmiddelen vermeld, meestal met thioglyconaat als hoofdbestanddeel. Het succes van het ontharingsmiddel blijkt niet altijd even groot. Soms worden, overigens meestal niet-storende, allergische reacties gezien. Men beveelt daarom wel aan om, als daarvoor tijd is voor de operatie, een plakproef op overgevoeligheid voor het middel te verrichten. De perivasculaire lymfocytaire reactie die door Hamilton et al. werd beschreven,2 lijkt van gering belang, want ze is op de derde dag na de operatie al niet meer te vinden. De ontharingsmiddelen nemen niet alleen het haar, maar ook een dun laagje epidermis weg; dit betekent een extra reinigend effect. Niet ontharen wordt door sommigen ook als een mogelijkheid gezien.8-12

In de tabel zijn de resultaten samengevat van in de literatuur beschreven vergelijkende onderzoeken naar het optreden van postoperatieve wondinfecties bij 5 verschillende methoden van preoperatief ontharen en bij het nalaten van ontharen: scheren op de dag voor de operatie, vlak voor de operatie, gebruik van een tondeuse voor en vlak voor de ingreep en tenslotte chemisch ontharen. Uit deze literatuur is op te maken dat ontharen, uit het oogpunt van infectiepreventie althans, in het algemeen overbodig is. Na scheren op de dag voor de operatie werd het hoogste percentage wondinfecties gevonden, op één uitzondering na. Ook bij gebruik van een tondeuse op de dag voor de operatie werden vrij hoge infectiepercentages gezien. Bij scheren of gebruik van de tondeuse vlak voor de operatie lagen de infectiepercentages echter aanmerkelijk lager. Opvallend is dat de percentages na scheren hoger waren dan bij elke andere methode, en dat vooral scheren op de dag voor de operatie, hetgeen zeer veel voorkomt, gepaard ging met de hoogste infectiepercentages. Dit laatste is te verklaren uit het feit dat vele uren voor de operatie gemaakte wondjes op het moment van de incisie geïnfecteerd of tenminste gekoloniseerd zijn. Na gebruik van een chemisch ontharingsmiddel werden relatief lage infectiepercentages opgegeven. Er is echter geen vergelijkend onderzoek bekend van ontharingsmiddelen die voor pre-operatief gebruik geschikt zijn. Geen auteur geeft de samenstelling van zijn middel precies op, vermoedelijk omdat het steeds cosmetica zijn waarvan de samenstelling min of meer een fabrieksgeheim is.

Uit het oogpunt van infectiepreventie zou het het beste zijn om voor de operatie geen haar of alleen de haren op de plaats van incisie te verwijderen en dit laatste dan nog direct voor operatie. Indien men om praktische redenen op de dag voor de operatie wenst te ontharen, is het gebruik van een tondeuse met gesteriliseerde kop beter dan scheren. Het risico van de gevolgen van het brengen van haren in de wond moet door de chirurg tegen het infectierisico worden afgewogen. Het is voor de patiënt vaak gênant en onaangenaam om geschoren te worden. Aan een goed chemisch ontharingsmiddel dat door de patiënt zelf kan worden opgebracht en afgespoeld zou daarom ook de voorkeur gegeven moeten worden. Welk ontharingsmiddel men het beste kan gebruiken zal echter nog experimenteel moeten worden uitgezocht. Scheren van patiënten is voor verpleegkundigen een tijdrovende aangelegenheid en is dus in feite kostbaar.16 Ook om deze reden zou een goed onderzoek naar chemische door vele patiënten zelf te appliceren ontharingsmiddelen van belang kunnen zijn.

Literatuur
  1. Swierstra JCC. Sinus pilonidalis. Groningen, 1971: 37 en143. Proefschrift.

  2. Hamilton HW, Hamilton KR, Lone FJ. Preoperative hairremoval. Can J Surg 1977; 20: 269-75.

  3. Powis SJA, Waterworth TA, Arkell DG. Preoperative skinpreparation: clinical evaluation of a depilatory cream. Br Med J 1976; ii:1166-8.

  4. Linton SP, Linton AH. Preoperative skin preparation(Letter to the editor). Br Med J 1976; ii: 1507-8.

  5. Vestal PW. Preoperative preparation of skin withdepilatory cream and detergent. Am J Surg 1952; 83: 398-402.

  6. Prigot A, Garnes AL, Nwagbo U. Evaluation of a chemicaldepilatory for preoperative preparation of 515 surgical patients. Am J Surg1962; 104: 900-6.

  7. Bird BJ, Chrisp DB, Scrimgeour G. Extensive preoperativeshaving: a costly exercise. NZ Med J 1984; 97: 727-9.

  8. Seropian R, Reynolds BM. Wound infections afterpreoperative depilatory versus razor preparation. Am J Surg 1971; 121:251-4.

  9. Cruse PJE, Foord R. A five-year prospective study of 23649surgical wounds. Arch Surg 1973: 107: 206-10.

  10. Scherpenzeel B, Rousseaux P, Bernard MH, Guyot JF. Nonrassage en neuro-chirurgie crânienne. Ann Chir 1980; 34:108-10.

  11. Court-Brown CM. Preoperative skin depilation and itseffect on post-operative wound infections. J R Coll Surg Edinb 1981; 26:238-41.

  12. Alexander JW, Fischer JE, Boyajian M, Palmquist J, MorrisMJ. The influence of hair-removal methods on wound infections. Arch Surg1983; 118: 347-52.

  13. Westermann K, Guthiy E. Präoperative Enthaarung.Münch Med Wochenschr 1979; 121: 641-2.

  14. Balthazar ER, Colt JD, Nichols RL. Preoperative hairremoval: a random prospective study of shaving versus clipping. South Med J1982; 75: 799-801.

  15. Thur de Koos P, McComas B. Shaving versus skin depilatorycream for preoperative skin preparation. Am J Surg 1983; 145:377-8.

  16. Anonymus. Preoperative depilation (Editorial). Lancet1983; i: 1311.

Auteursinformatie

Sint Radboudziekenhuis, afd. Medische Microbiologie, Postbus 9101, 6500 HB Nijmegen.

Prof.dr.G.C.J.van der Ploeg, medisch microbioloog.

Gerelateerde artikelen

Reacties