Excessief huilen bij baby's: literatuuroverzicht en praktische aanbevelingen
Open

Stand van zaken
21-01-1995
P.P. Vomberg, P.G. Eckhardt en H.A. Büller

Huisartsen en kinderartsen worden regelmatig geconsulteerd door bezorgde ouders, die geen raad weten met het frequent optreden van ontroostbaar huilen van hun baby. De ouders vertellen dat de baby zich in de eerste levensweken volstrekt normaal gedroeg en ontwikkelde, maar dat na ongeveer 4-6 weken de huilperiodes in intensiteit toenamen. Het huilen duurt soms uren per dag, treedt vaak in de middag of avond op en lijkt door niets te kunnen worden beïnvloed: op de arm nemen, voeden, verschonen, liefdevolle aandacht geven, de speen aanbieden of krachtig toespreken, niets helpt.

Wat is de oorzaak van dit gehuil waarvoor een adequate behandeling lijkt te ontbreken en waarvoor soms een ziekenhuisopname noodzakelijk is? Hoe komt het dat dit beeld na verloop van tijd spontaan verdwijnt? In de literatuur worden vele mogelijke oorzaken aangegeven, echter tot een eensluidende verklaring betreffende definiëring en etiologie is het niet gekomen.

In dit artikel wordt een overzicht gegeven van onderzoeken betreffende klinische verschijnselen, etiologie, diagnostiek en behandeling bij zogenaamde huilbaby's. Voor de verzameling van de literatuur werd gebruik gemaakt van een search in het Medline-computerbestand over de periode 1984-1993. Er werden 561 artikelen gepubliceerd met als trefwoord ‘colic’. In eerste instantie werden overzichtsartikelen gebruikt om inzicht te krijgen in de bestaande opvattingen en waar nodig werden de originele artikelen opgezocht en geciteerd.

Anamnese.Een huilbaby is meestal een gezonde baby van 1-4 maanden oud, die goed groeit en zich normaal ontwikkelt, waarbij met name in de namiddag en avond aanvalsgewijze periodes van prikkelbaarheid of huilen optreden. Hierbij is het kind ontroostbaar en maatregelen zoals oppakken, verschonen, rondlopen, knuffelen of voeding aanbieden helpen niet.1 Vaak wordt door de ouders aangegeven dat tijdens zo'n aanval het kind rood aanloopt en de benen optrekt, soms met flatulentie. Het is begrijpelijk dat het excessief huilen bij de ouders kan leiden tot gevoelens van onzekerheid, ongerustheid en soms zelfs paniek.

DEFINITIE

Excessief huilen bij baby's wordt in de literatuur zeer verschillend benoemd, bijvoorbeeld baby's met darmkrampen, huilbaby's, ‘three months’ colic‘ en ’infantile colic‘. Een goede definitie ontbreekt en vele onduidelijke en verwarrende beschrijvingen zijn verschenen. De meest strikte definitie is van Lothe en Lindberg, die van een huilbaby spreken als er onverklaarbare episoden zijn van excessief en krachtig huilen, vele malen per dag, minimaal 4 dagen per week, gedurende ten minste 2 weken, waarbij elke huilperiode minstens 30 min duurt met een totaal van ten minste 3 uur per dag.2 Daarentegen spreken anderen over huilbaby's als er steeds terugkerende episoden zijn van onverklaarbaar huilen of prikkelbaarheid, met name in de avonduren, 3 uur per dag, gedurende 1 week, bij baby's jonger dan 4 maanden.34 Stahlberg en Savileht beschouwen een gezonde baby van 1-4 maanden die bij herhaling 's avonds excessief huilt reeds als een huilbaby.5 De simpelste definitie is ’de regel van 3‘: huilbaby's huilen 3 uur per dag, 3 dagen per week gedurende 3 achtereenvolgende weken.6 Bij deze definities is het van belang om te bedenken dat Brazelton aantoonde dat volledig gezonde zuigelingen in de eerste 7 weken gemiddeld 2¼ uur huilen per dag.7

INCIDENTIE

De incidentie van huilbaby's wordt wisselend opgegeven en is sterk afhankelijk van de selectiecriteria en de gebruikte definities. Met strenge selectiecriteria werd in een onderzoek in Zweden waarbij gebruik werd gemaakt van consultatiebureaugegevens, een incidentie van 2,5 gevonden.2 In een groot onderzoek in Los Angeles bij 964 gezonde zuigelingen werd een incidentie gevonden van 20.4 In een onderzoek in Northhamptonshire, Engeland, werd zelfs een incidentie van 29 opgegeven.8 In een onderzoek bij pre- en dysmature kinderen traden darmkrampen op bij maximaal 14 van de prematuren (< 36 weken) en bij maximaal 15 bij dysmaturen (< 2000 g);9 een incidentie die niet hoger is dan bij normale pasgeborenen. Darmkrampen traden meer op bij kaukasische dan bij negroïde pasgeborenen. In Nederland wordt volgens de Geneeskundige Hoofdinspectie van de Volksgezondheid een incidentie gevonden van 11 bij gezonde zuigelingen van 3 weken tot 3 maanden.10 Tasche et al. beschreven in de Nederlandse huisartsenpraktijk dat 10 van de zuigelingen werd gezien vanwege excessief huilen, koliek of rusteloosheid.11

BELOOP EN PROGNOSE

In alle onderzoeken wordt een gunstig beloop gemeld en verdwijnen de huilperiodes spontaan. Illingworth beschreef dat na 2 maanden 54, na 3 maanden 85 en na 4 maanden 100 van de huilbaby's zonder behandeling geen klachten meer had.1 De prognose is goed en er zijn geen nadelige late gevolgen bij huilbaby's beschreven. De suggestie dat er een relatie zou bestaan met het later optreden van recidiverende vage buikpijnklachten is ongegrond gebleken.12

OORZAKEN

Doorgaans wordt het excessief huilen, zoals al blijkt uit de term ‘darmkrampen’, toegeschreven aan voeding en functiestoornissen van het maag-darmkanaal. Ook een stoornis in de ouder-kindrelatie wordt veel genoemd als mogelijke oorzaak.

Voeding

Aanvankelijk leken vele onderzoeken een relatie aan te tonen tussen voeding en het optreden van excessief huilen, bijvoorbeeld bij koemelkeiwitallergie en lactose-intolerantie. Recente onderzoeken echter ontkennen deze vermeende relatie.

– Flesvoeding versus moedermelk. Hoewel Stahlberg en Savileht in een dubbelblind gekruist onderzoek bij 10 huilbaby's een afname zagen van het aantal huiluren per dag van 89 tijdens flesvoeding naar 71 tijdens borstvoeding, concludeerden zij dat deze resultaten niet bewijzen dat borstvoeding in dit opzicht beter is dan flesvoeding.5 Thomas et al. vonden geen verschil in incidentie tussen huilbaby's die gevoed werden met borstvoeding of flesvoeding.4 Verder zijn er geen goede andere onderzoeken die de oorzaak van darmkrampen toeschrijven aan flesvoeding.13

– Koemelkeiwitallergie. Lothe et al. toonden aan dat bij 18 van 60 huilbaby's die werden gevoed met flesvoeding een verbetering optrad na introductie van gehydrolyseerde caseïnevoeding.14 In een later onderzoek van dezelfde auteurs verdwenen bij 24 van 27 ernstige huilbaby's de symptomen nadat caseïnehydrolysaat werd gegeven.2 De 24 kinderen werden vervolgens belast met koemelkeiwit; hierop reageerden 18 kinderen opnieuw met klachten.15 In een onderzoek van uit 1983 bleek dat de helft van een groep borstgevoede kinderen met symptomen passend bij huilbaby's verbeterde nadat koemelk uit het maternale dieet werd geëlimineerd.16 Bij meer dan 30 kwamen de klachten na reïntroductie van koemelk terug. Het was reeds eerder door deze onderzoekers aangetoond dat ook bij borstvoeding een koemelkallergie kon optreden.15

In tegenstelling tot deze onderzoeken uit Scandinavië met een positieve relatie tussen koemelk en huilbaby's zijn er vele andere onderzoeken die juist deze samenhang ontkennen. Evans et al. vonden bij 20 moeders geen verbetering in de klachten van hun huilbaby's in een dubbelblind placebo-gecontroleerd gekruist onderzoek.17 Bij 56 kinderen met darmkrampen werd geen verhoging van het totale IgE of een positieve RAST tegen koemelk gevonden en de auteur concludeerde dat koemelkeiwitallergie geen belangrijke oorzaak kon zijn van overmatig huilen bij baby's.18 Forsyth liet in een goed opgezet onderzoek zien dat bij sommige jonge kinderen een eiwithydrolysaat een gunstig effect had op de huilaanvallen, maar dat op oudere leeftijd dit effect afnam.19

– Lactose-intolerantie. Behalve naar een vermeende rol voor koemelkeiwitten is er ook veel onderzoek gedaan naar de rol van het melksuiker lactose. Hierbij is het van belang dat de meeste pasgeborenen in de eerste levensmaanden niet in staat zijn alle aangeboden lactose in de dunne darm te hydrolyseren, ondanks hoge lactaseactiviteit in de dunne darm.13 Liebman kon bij ontlastingsonderzoek op pH en reducerende suikers geen relatie aantonen tussen lactosemalabsorptie en darmkrampen.18 In een onderzoek bij 118 gezonde kinderen vonden Miller et al. een relatie tussen hoge H2-concentraties in de uitademingslucht en darmkrampen.20 In een andere onderzoek van dezelfde auteurs werd er echter bij huilbaby's behandeld met extra oraal toegediende lactase geen effect gevonden op de duur van de huilperiode.21 Hyams et al. vonden bij niet-huil- en huilbaby's evenmin een relatie tussen suikermalabsorptie en het hebben van huilperiodes.22 Op basis van deze onderzoeken lijkt, hoewel er bij volwassenen een verband bestaat tussen suikermalabsorptie en buikpijn, een soortgelijk verband tussen darmkrampen en hoge H2-produktie bij pasgeborenen als oorzaak van het huilen onwaarschijnlijk.

Maag-darmkanaal

– Lucht of gas. Hoewel velen postuleren dat een huilbaby darmkrampen heeft door luchtophoping of gasvorming in de darmen, ontbreekt voor deze stellingname het bewijs.23 De idee dat er sprake is van distensie door lucht met als gevolg een gastro-intestinale koliek lijkt onjuist. Illingworth toonde al in 1954 aan dat bij een aanval van huilen bij dergelijke kinderen geen radiologische aanwijzingen bestonden voor een door gas veroorzaakte dilatatie van maag of darmen en Harley deed hetzelfde in 1985.124 Zij stelden dat uitzetting van darmen eerder het gevolg dan de oorzaak van huilen is (secundaire aërofagie). Evenmin zijn er koliekaanvallen waargenomen bij kinderen met een echografische of röntgenologisch bewezen aanzienlijke vulling van de darmen met lucht of bij dilatatie van het maag-darmkanaal door manipulatie zoals scopieën.2526

– Motiliteit en vaso-actieve stoffen of hormonen. Er is gewezen op de mogelijkheid van een primaire stoornis in de motiliteit van het maag-darmkanaal als oorzaak van het huilen.21 232427 Alhoewel deze suggestie reëel lijkt, is het bewijs tot nu toe vrij zwak. Wel zou de motiliteit beïnvloed kunnen worden door het autonome zenuwstelsel, de mate van ontwikkeling en rijping ervan of de invloed die gastro-intestinale hormonen erop uitoefenen. Spock heeft als een van de eersten gewezen op een mogelijke rol van de onrijpheid van het centrale zenuwstelsel.28 Jorup suggereerde, gebruikmakend van bariumonderzoek van het colon, dat er bij huilbaby's sprake was van hyperperistaltiek en contracties van het colon.25 Ook beschreef hij een positieve invloed van anticholinergica, die een relaxatie van de gladde-spiercellen bewerkstelligen, waardoor een mogelijke rol van spiercontracties wordt gesuggereerd. In een onderzoek van Moore et al. werd echter met behulp van dunne-darmpassagetijdonderzoeken geen versnelde passage bij huilbaby's aangetoond.29

Door Lothe et al. werd een verhoogde motiliumspiegel in het bloed gevonden, terwijl de spiegels van vasoactief intestinaal peptide (VIP) en gastrine niet statistisch significant verschilden bij huilbaby's en een controlegroep.30 Helaas zijn er geen andere onderzoeken die de rol van motilium verder hebben onderzocht. Motilium is een peptide dat aanwezig is in de neuronen van slokdarm, maag, dunne en dikke darm en is in staat de motiliteit van het maag-darmkanaal te stimuleren. De vraag blijft of deze peptidespiegel primair of secundair verhoogd is bij huilbaby's.

Progesteron zou kalmerend en slaapinducerend werken. Sommige onderzoekers suggereerden een progesterontekort bij huilbaby's, zich uitend in een gebrek aan remming van het gladde-spierweefsel.31 Een later onderzoek liet echter geen relatie zien tussen plasmaprogesteronwaarden en het huilen bij baby's.32

Er is geen onderzoek gedaan naar het verband tussen het optreden van huilperiodes en de consistentie van de ontlasting of het bestaan van obstipatie of diarree.

Ouder-kindrelatie

Onderzoek naar de rol van de ouder-kindinteractie bij huilbaby's geeft een afspiegeling van de balans tussen draaglast en draagkracht. Bij draaglastproblemen is er sprake van een kind dat veel tot extreem veel huilt. Zulke baby's zullen waarschijnlijk bij alle ouders, hoe evenwichtig zij ook zijn, uiteindelijk tot een verstoring in de ouder-kindrelatie leiden. Met draagkracht wordt bedoeld het vermogen van de ouder met een huilbaby om te gaan: de ene ouder zal bij een veel huilend kind geen verandering in de relatie met het kind vertonen, terwijl een andere ouder bij dezelfde belasting wel een verstoorde relatie krijgt. Bij deze laatste groep zou het resultaat van Taubmans onderzoeken zeer begrijpelijk zijn.3334 Hij toonde aan dat bij intensieve counseling van de ouders van huilbaby's een statistisch significante daling optrad in de duur van het huilen. Deze reductie van de klachten werd bereikt in ongeveer 3,5 dag dagelijkse therapie, waarbij het gerichte advies voornamelijk bestond uit direct reageren op de baby's door oppakken, voeden, laten zuigen en afleiden. Volgens de auteur hoeft men niet bang te zijn het kind eventueel te verwennen. Bij draaglast zou er meer sprake zijn van strikt medische oorzaken voor het huilen. Zulke ‘force full’ huilers zouden bijvoorbeeld meer gastro-intestinale of andere afwijkingen hebben en zodoende een andere groep huilbaby's vormen.

Reeds in de jaren vijftig werd gesuggereerd dat huilbaby's het gevolg waren van primair angstige ouders, die alles goed vinden en hun kinderen eigenlijk te veel verwenden, waarbij psychiaters ervan uitgingen dat psychologische problemen van de moeder zelf (angst, ambivalente gevoelens) of spanningen binnen het gezin de oorzaak van het huilen vormden.1 Anderen brachten daar tegen in dat hierbij geen causale relatie valt te leggen tussen deze maternale of paternale factoren en het optreden van het excessief huilen bij het kind.3334

Het optreden van angst, ongerustheid en ‘psychische spanningen’ bij de ouders is veeleer het gevolg dan de oorzaak van de aanval van huilen bij het kind.

Overige oorzaken

Een mogelijke rol van passief roken is gesuggereerd, maar goede gecontroleerde onderzoeken ontbreken.35 Er is geen relatie gevonden tussen excessief huilen en leeftijd of pariteit van de moeder, wijze van geboorte (fysiologisch of kunstverlossing), pre- of dysmaturiteit of geslacht.9

BEHANDELING

Een afdoende behandeling voor huilbaby's ontbreekt en veelgebruikte therapieën zijn voornamelijk gebaseerd op empirie. Anekdotisch is de suggestie om de baby een slokje whisky te geven.1 Het meer Nederlandse equivalent is het dopen van de speen in brandewijn. Uiteraard moeten veel voorkomende oorzaken zoals te weinig voeding, natte luier of een verhoogde zuigbehoefte uitgesloten worden. Voorts kunnen ook obstipatie, gastro-oesofageale reflux, ‘glue ears’, anemie, hernia inguinalis en urineweginfectie leiden tot frequent huilen. Bij borstvoeding wordt het maternale gebruik van onder andere grapefruit, bananen, tomaten, spruitjes, erwten, bonen en uien vaak ontraden, maar goed gecontroleerde onderzoeken ontbreken.23 White suggereerde dat het indikken van de voeding tot een ‘erwtensoepachtige’ consistentie de meest succesvolle behandeling van huilbaby's was.36 De meerderheid van de kinderen met huilperiodes zou goed reageren op een autorit.37

Medicamenteuze behandeling is controversieel. Reeds in de jaren vijftig werden atropine-achtige preparaten zoals dicyclomine HCL voorgeschreven,38 met volgens sommige auteurs uitstekende resultaten.126 Anticholinergica verminderen de motiliteit van de darm en de passagesnelheid. Ook het gebruik van fenobarbitalelixer is gedurende lange tijd in Nederland populair geweest. Een vergelijkend en placebo-gecontroleerd onderzoek met de 2 genoemde stoffen toonde echter geen effect aan.37 In sommige gevallen wordt in Nederland nog gebruik gemaakt van de fenotiazinederivaten zoals alimemazine en antihistaminica zoals promethazine. Deze middelen zijn echter in diskrediet geraakt door de veronderstelde relatie met wiegedood. Ook het gebruik van dimeticon (colloïdaal kiezelzuur), dat een verandering van de oppervlaktespanning teweegbrengt, resulterend in ‘oplossing’ van luchtbellen, is gepropageerd. Onderzoek toonde echter geen statistisch significant effect in vergelijk met placebo.39

Met name door Taubman is een intensief gedragstherapeutische benadering gepropageerd,3334 gebaseerd op de veronderstelling dat huilperiodes het gevolg zijn van inadequaat gedrag van de ouders. Door de ouders strikte instructies te geven hoe te reageren op en te handelen bij het huilen van hun kind zouden de huilperiodes verminderen. Deze benadering lijkt voor een deel van de huilbaby's en hun ouders zinvol.

CONCLUSIE

Bij definitie van het begrip huilbaby's is het van belang een meetbaar kader aan te geven, omdat volledig gezonde kinderen ook hun huilbuien hebben. De eerder genoemde ‘regel van 3’ gebruikt de strengste criteria, maar huilen gedurende 3 uur per dag, gedurende minimaal een week, lijkt in de praktijk een handzamere omschrijving.

In Nederland wordt een incidentie van huilbaby's gevonden van 11 bij overigens gezonde zuigelingen tussen de leeftijd van 3 weken en 3 maanden.

Alle huilbaby's komen normaal aan in gewicht, waardoor een gastro-intestinale oorzaak onwaarschijnlijk lijkt. Desondanks wordt veel aandacht geschonken aan gastro-enterologische factoren, zoals voeding en functiestoornissen van het maag-darmkanaal. Het verband is echter niet bewezen.

Onderzoek naar de oorzaak van het huilgedrag en eventuele effecten van ingestelde behandelingen wordt mede bemoeilijkt door het natuurlijke beloop, waarbij vele kinderen na de vierde maand een duidelijke afname of spontaan verdwijnen van de huilperiodes vertonen. Er zijn geen nadelige gevolgen waargenomen.

Wat betreft behandeling is, nadat lichamelijke oorzaken zijn uitgesloten, geruststelling van de ouders essentieel. Verder moet in de voedingsanamnese aandacht geschonken worden aan de hoeveelheid voeding en de techniek van het voeden. Zowel te weinig als te veel voeding kan een oorzaak zijn van veel huilen. Vaak zijn huilbaby's gulzige drinkers, die baat hebben bij regelmatige korte onderbrekingen van het drinken om te kunnen boeren. Soms kan een fopspeen aan een verhoogde zuigbehoefte voldoen. Ook kan het helpen om het kind tijdens de huilperiode op de buik te dragen. Het aloude principe van ‘rust, regelmaat en reinheid’ lijkt nog steeds van belang. Te veel oppakken, te frequent voeden, vele ongevraagde goedbedoelde adviezen uit de omgeving en onrust bevorderen het huilgedrag. Bij aanwijzingen voor koemelkeiwitallergie kan gedurende enkele weken een eiwithydrolysaat worden geprobeerd. Omdat er in het algemeen geen lactose-intolerantie in het spel is, is elimineren van lactose uit de voeding niet zinvol.

Gezien de vermeende relatie met wiegedood is het gebruik van sederende medicatie niet aan te bevelen, alhoewel van almenazine goede effecten bekend zijn.

In enkele gevallen lijkt een kortdurende ziekenhuisopname ter (crisis-)interventie noodzakelijk. Het kind komt vaak binnen 24 h tot rust. ‘Rooming-in’, dat wil zeggen dat ouders hun intrek nemen in het ziekenhuis, is daarbij niet aan te bevelen, ofschoon het wel belangrijk is dat ouders van huilbaby's intensief begeleid worden.

Literatuur

  1. Illingworth RS. ‘3 months colic’. Arch DisChild 1954;29:165-74.

  2. Lothe L, Lindberg T. Cow's milk whey protein elicitssymptoms of infantile colic in colicky formula-fed infants. A double-blindcrossover study. Pediatrics 1989;83:262-6.

  3. Carey WB. ‘Colic’-primary excessive crying asan infant-environment interaction review. Pediatr Clin North Am1984;31:993-1005.

  4. Thomas DW, McGilligan K, Eisenberg LD, Lieberman HM,Rissman EM. Infantile colic and type of milk feeding. Am J Dis Child1987;141:451-3.

  5. Stahlberg MR, Savilahti E. Infantile colic and feeding.Arch Dis Child 1986;61:1232-3.

  6. Wessel MA, Cobb JC, Jackson EH, Harris GS, Detwiler AC.Paroxysmal fussing in infancy, sometimes called ‘colic’.Pediatrics 1954;14:421-34.

  7. Brazelton TB. Crying in infancy. Pediatrics1962;29:579-88.

  8. St James-Roberts I. Persistent infant cryingreview. Arch Dis Child 1991;66:653-5.

  9. Meyer JE, Thaler MM. Colic in low birth weight infants. AmJ Dis Child 1971;122:25-7.

  10. Staatstoezicht op de Volksgezondheid. Zuigelingenvoeding.GHI Bulletin 1991;8:39.

  11. Tasche MJA, Bruijnzeels MA, Poel BNM van der,Suijlekom-Smit LWA van, Wouden JC van der. Zuigelingen die vaak huilen:frequentie en aanpak van dit probleem in de huisartspraktijk.Ned Tijdschr Geneeskd1993;137:1927-30.

  12. Joseph AY, Lupu GH. Recurrent abdominal pain andinfantile colic letter. Am J Dis Child 1984;138:990-1.

  13. Miller AR, Barr RG. Infantile colic. Is it a gut issue?review. Pediatr Clin North Am 1991;38:1407-23.

  14. Lothe L, Lindberg T, Jakobsson I. Cow's milk formulaas a cause of infantile colic: a double-blind study. Pediatrics1982;70:7-10.

  15. Jakobsson I, Lindberg T. Cow's milk as a cause ofinfantile colic in breast-fed infants. Lancet 1978;ii:437-9.

  16. Jakobsson I, Lindberg T. Cow's milk proteins causeinfantile colic in breast-fed infants: a double-blind crossover study.Pediatrics 1983;71:268-71.

  17. Evans RW, Fergusson DM, Allardyce RA, Taylor B. Maternaldiet and infantile colic in breast-fed infants. Lancet1981;i:1340-2.

  18. Liebman WM. Infantile colic. Association with lactose andmilk intolerance. JAMA 1981;245:732-3.

  19. Forsyth BWC. Colic and the effect of changing formulas: adouble-blind, multiple-crossover study. J Pediatr 1989;115:521-6.

  20. Miller JJ, McVeagh P, Fleet GH, Petocz P, Brand JC.Breath hydrogen excretion in infants with colic. Arch Dis Child1989;64:725-9.

  21. Miller JJ, McVeagh P, Fleet GH, Petocz P, Brand JC.Effect of yeast lactase enzyme on ‘colic’ in infants fed humanmilk. J Pediatr 1990;117:261-3.

  22. Hyams JS, Geertsma MA, Etienne NL, Treem WR. Colonichydrogen production in infants with colic. J Pediatr1989;115:592-4.

  23. Geertsma MA, Hyams JS. Colic-a pain syndrome of infancy?review. Pediatr Clin North Am 1989;36:905-19.

  24. Harley LM. Fussing and crying in young infants. Clinicalconsiderations and practical management. Clin Pediatr1969;8:138-41.

  25. Jorup S. Colonic hyperperistalsis in neurolabile infants.Acta Paediatr Scand 1952;41:596.

  26. Illingworth RS. Infantile colic revisited. Arch Dis Child1985; 60:981-5.

  27. Barr RG, Kramer MS, Boisjoly C, McVey-White L, Pless IB.Parental diary of infant cry and fuss behaviour. Arch Dis Child1988;63:380-7.

  28. Spock B. Etiological factors in hypertrophic pyloricstenosis and infantile colic. Psychosom Med 1944;6:162-5.

  29. Moore DJ, Robb TA, Davidson GP. Breath hydrogen responseto milk containing lactose in colicky and non-colicky infants. J Pediatr1988;113:979-84.

  30. Lothe L, Ivarsson SA, Lindberg T. Motilin, vasoactiveintestinal peptide and gastrin in infantile colic. Acta Paediatr Scand1987;76:316-20.

  31. Clarke RL, Ganis FM, Bradford WL. A study of the possiblerelationship of progesterone to colic. Pediatrics 1963;31:65-71.

  32. Weissbluth M, Green OC. Plasma progesteroneconcentrations in infants: relation to infantile colic. J Pediatr1983;103:935-6.

  33. Taubman B. Clinical trial of the treatment of colic bymodification of parent-infant interaction. Pediatrics1984;74:998-1003.

  34. Taubman B. Parental counseling compared with eliminationof cow's milk or soy milk protein for the treatment of infant colicsyndrome: a randomized trial. Pediatrics 1988;81:756-61.

  35. Said G, Patois E, Lellouch J. Infantile colic andparental smoking letter. BMJ 1984;289:660.

  36. White PJ. Management of infantile colic. Am J Dis Child1979;133:995-6.

  37. O'Donovan JC, Bradstock AS jr. The failure ofconventional drug therapy in the management of infantile colic. Am J DisChild 1979;133:999-1001.

  38. Weissbluth M, Christoffel KK, Davis AT. Treatment ofinfantile colic with dicyclomine hydrochloride. J Pediatr1984;104:951-5.

  39. Danielsson B, Hwang CP. Treatment of infantile colic withsurface active substance (simethicone). Acta Paediatr Scand1985;74:446-50.