Ernstige maternale morbiditeit tijdens zwangerschap, bevalling en kraambed in Nederland*

Onderzoek
09-04-2009
Joost J. Zwart, J.M. (Annemiek) Richters, Ferko Öry, Johanna I.P. de Vries, Kitty W.M. Bloemenkamp en Jos van Roosmalen

Doel

Vaststellen van frequentie, letaliteit en risicofactoren van ernstige maternale morbiditeit in Nederland, en beoordelen van substandaard factoren.

Opzet

Prospectief populatiegebaseerd cohortonderzoek onder alle 98 verloskundeafdelingen in Nederland.

Methoden

Alle gevallen van ernstige maternale morbiditeit werden verzameld gedurende een periode van 2 jaar. Alle bevallingen in Nederland gedurende dezelfde periode dienden als referentiecohort (n = 371.021). Vanwege de oververtegenwoordiging van niet-westerse immigranten in de moedersterftestatistieken was er speciale aandacht voor etnische afkomst. In een subgroep van 2,5% van alle gevallen werden substandaard zorgaspecten beoordeeld tijdens auditbijeenkomsten door het land.

Resultaten

Er werden in totaal 2552 gevallen van ernstige maternale morbiditeit gerapporteerd. De frequentie was 7,1 per 1000 bevallingen. Er waren 847 IC-opnames (2,4 per 1000), 218 gevallen van uterusruptuur (6,1 per 10.000), 222 gevallen van eclampsie (6,2 per 10.000) en 1606 gevallen van ernstige fluxus (4,5 per 1000). Niet-westerse immigranten hadden een 1,3 maal zo hoog risico op ernstige maternale morbiditeit als westerse vrouwen (95%-BI: 1,2-1,5). De letaliteit was 1 op 53. Substandaard zorg werd gevonden in 39 van de 63 geanalyseerde gevallen (62%).

Conclusie

Ernstige maternale morbiditeit compliceert tenminste 0,71% van de bevallingen in Nederland, waarbij immigranten een verhoogd risico hebben. Aangezien substandaard zorg zich in de meerderheid van de beoordeelde gevallen voordeed, kan ernstige maternale morbiditeit verder worden gereduceerd.