De islam en de voortplanting van de mens
Open

Humaniora
16-09-1987
A. Sikkel

De voortplanting van de mens heeft in de laatste 50 jaren als gevolg van de snelle daling van de sterfte geleid tot een explosieve groei van de wereldbevolking. Deze bevolking, die in 1974 geschat werd op 3,99 miljard, groeide tot 4,76 miljard in 1984. Bij de thans bestaande groei van 1,67 per jaar zal in 1987 de grens van 5 miljard gepasseerd worden. Volgens de Bevolkingscommissie van de Verenigde Naties zullen er, indien de huidige langzame daling van de groei. doorzet, in het jaar 2000 rond 6,1 miljard mensen de wereld bevolken. Pas tegen het einde van de 21e eeuw wordt een stabilisatie verwacht bij een wereldbevolking van 10,5 miljard mensen.

Van deze toekomstige groei zal 95 plaatsvinden in ontwikkelingslanden. De regeringen van 60 van deze landen menen dat de huidige bevolkingsgroei een ernstige belemmering is voor de gewenste nationale economische ontwikkeling. Zij streven ernaar om door bevolkingsprogramma's, die in totaal 80 van de bevolking van de derde wereld omvatten, de groei van de bevolking in te perken. Het regelen van de voortplanting dient overigens niet alleen een economisch doel, ook de volksgezondheid is ermee gediend. De gezondheidstoestand van moeders en kinderen wordt erdoor verbeterd.

Bij het ontwerpen, uitvoeren en evalueren van ‘family planning’-activiteiten als onderdeel van een bevolkingsprogramma is ook voor de medische professie een taak weggelegd, al was het alleen maar omdat deze activiteiten in de regel worden ontplooid in het kader van gezondheidsprogramma's voor moeders en kinderen. Een van de doelstellingen van family planning-programma's is om echtparen en individuen in staat te stellen gebruik te maken van hun ‘basic human right’ om het aantal kinderen en de spreiding van zwangerschappen zelf te bepalen.1

In landen waar de islam de staatsgodsdienst is, of waar moslims de grote meerderheid van de bevolking vormen, zijn de vruchtbaarheidscijfers meestal hoog. De vraag is nu of de leer van de islam het regelen van de geboorten in de weg staat. Wie een antwoord op deze vraag wil vinden, zal zich moeten verdiepen in de Koran, de Overlevering (Al-Hadis) en de uitspraken van islamitische theologen en rechtsgeleerden.

De eerste verzen van de Koran werden in het jaar 611 in de grot Hira nabij Mekka in de Arabische taal letter voor letter aan Mohammed geopenbaard. De tekst is wat dat betreft heel duidelijk: ‘Lees op in de naam van uw Heer, die geschapen heeft de mens uit een bloedklomp’ (Surah 96: 1, 2). Deze letterlijke openbaring maakt dat er, anders dan bij de bijbel het geval is, geen mogelijkheid bestaat voor tekstkritiek.

De inhoud van de Koran heeft een nauwe relatie met het leven van alledag. Het boek bevat een groot aantal voorschriften met betrekking tot het familierecht, het strafrecht, het erfrecht en het huwelijksrecht. De Koran is daarom de belangrijkste pijler van het islamitische recht (Sjari'a). De drie andere pijlers zijn de Overlevering, de uitspraken van vooraanstaande theologen in consensus geformuleerd (Ijma) en uitspraken waarbij nieuwe praktijken worden goedgekeurd of verworpen op grond van al of niet bestaande analogieën met praktijken die bestonden ten tijde van de Profeet (Quiya's).

Met de komst van de Koran werd de status van de vrouw in Arabië aanzienlijk verbeterd. Haar positie werd echter geenszins gelijk aan die van de man, behalve voor zover het haar rol als echtgenote betreft. De vrouw bleef in vele opzichten het bezit van de man.

Op vele plaatsen in de Koran wordt ingegaan op de relatie tussen echtgenoten, op zwangerschap en geboorte. De geslachtsgemeenschap, vooral gericht op de voortplanting, is niet alleen een genoegen maar ook een door Allah opgelegde plicht. ‘Uw vrouwen zijn een akker voor u, zo komt dan tot uw akker zoals gij maar wilt maar doet daaraan iets voorafgaan voor uzelven’ (Surah 2 : 223). Met dit laatste wordt waarschijnlijk een kort gebed of een vroom gesprek bedoeld. Geslachtsgemeenschap is verboden tijdens een vaginale bloeding, tijdens de vastenmaand zolang het licht is (‘zo lang een witte draad kan worden onderscheiden van een zwarte’) en tijdens de bedevaart (Hadj).

De zwangerschap wordt beschouwd als een tweede schepping van Allah. ‘Wij hebben de eerste mens geschapen uit een uittreksel, uit leem. Daarna maakten Wij hem uit een druppel in een welverzekerde plaats. Daarop schiepen Wij de druppel tot een bloedklomp, waarop Wij de bloedklomp tot beenderen schiepen, waarop Wij de beenderen bekleedden met vlees, daarna brachten Wij hen (de kinderen) voort in een tweede schepping’ (Surah 23: 13, 14).

Een belangrijke determinant voor de vruchtbaarheid is de borstvoeding. De Koran zegt hierover dat ‘zij die haar zoging volledig willen maken hun kinderen twee volle jaren dienen te zogen. Wanneer beide ouders spening wensen dan is dat geen vergrijp mits dat met wederzijds goedvinden geschiedt. Indien men het kind wil doen zogen dan is dat ook geen bezwaar mits gij over geeft wat gij te geven hebt naar behoorlijkheid’ (Surah 2 : 233).

Regeringen van islamitische landen die een bevolkingsprogramma uitvoeren, trachten voor het propageren van geboortenregeling uit de aard der zaak in de Koran hiervoor een rechtvaardigingsgrond te vinden. In dit verband worden de volgende twee teksten veelvuldig aangehaald: ‘( ... ) niemand wordt belast dan naar mate van zijn vermogen, terwijl noch de moeder geschaad wordt om haar kind, noch hij aan wie geboren wordt om zijn kind’ (Surah 2 : 233) en ‘laten zij die geen middelen tot huwelijk vinden zich kuis onthouden totdat Allah hen rijk maakt van zijn genade’ (Surah 24: 33).

Verschaft de Koran voornamelijk algemene regels voor de gelovigen, in de Overlevering vindt men ontelbare gedetailleerde praktische voorschriften voor het leven van alledag.2 Deze voorschriften zijn gebaseerd op wat de Profeet tijdens zijn leven gezegd, gedaan of toegestaan heeft. In tegenstelling tot de Koran, die een letterlijke weergave is van de openbaring, bevat de Overlevering verhalen van 212 vertellers, onder wie 22 vrouwen een belangrijke plaats innemen. In de loop der eeuwen hebben theologen en rechtsgeleerden deze vertellingen (‘tradities’) geclassificeerd. De belangrijkste van de 23 classificaties zijn: ‘juist’ (Sahih), ‘goedgekeurd’ (Hasan), er ontbreken dan echter enkele vertellers in de keten, en ‘zwak’ (Zaif), de vertellers zijn niet geheel betrouwbaar.

Bij alle discussies over het al dan niet toelaatbaar zijn van anticonceptionele middelen komt, naast de reeds geciteerde teksten uit de Koran, één als juist gekwalificeerde tekst uit de Overlevering steeds weer ter sprake. Jabir, een van de meest vertrouwde metgezellen van de Profeet vertelt: ‘Wij pasten al-azl (coïtus interruptus) toe in de tijd van de Profeet (vrede zij op Hem). De Profeet kwam dit te weten en Hij heeft ons nimmer verboden het te doen. In die dagen werd de Koran geopenbaard. Indien het praktiseren van al-azl iets geweest is dat indruiste tegen de religie dan zou het verboden zijn in de Koran.’3

De eerste goed geformuleerde uitspraak over het toelaatbaar zijn van anticonceptie is van Al-Ghazali (1058-1111), een rechtsgeleerde van de school der shafi‘-iten. Het voorkomen van zwangerschappen is toegestaan indien er gevaar bestaat voor het overbrengen van besmettelijke ziekten of indien de gezondheidstoestand van de vrouw geschaad zou worden door te snel opeenvolgende zwangerschappen. Als een een andere reden wordt genoemd het ontbreken van financiële middelen om in het onderhoud van veel kinderen te voorzien en tenslotte, niets menselijks was Al-Ghazali vreemd, indien voor het in stand houden van de schoonheid en de aantrekkelijkheid van de vrouw spreiding van zwangerschappen gewenst was.4

Het is niet mogelijk om een algemeen aanvaard standpunt van de islam ten aanzien van geboortenregeling te formuleren. Juist als bij het christendom zijn er vele richtingen en sekten met uiteenlopende meningen. Het standpunt van de meerderheid van vooraanstaande theologen en juristen, behorende tot de groep der soennieten (deze groep omvat circa 90 van alle moslims), wordt echter weergegeven in de officiële verklaring die de Groot Moefti van Egypte in 1983 uitgaf.5 In deze verklaring wordt onder meer het volgende gesteld: ‘Geen tekst in de Koran verbiedt anticonceptie. Al-azl werd door de Profeet toegestaan, twee van de vier grote rechtsscholen menen op grond van de gelijkwaardigheid van de vrouw binnen het huwelijk, dat al-azl alleen is toegestaan met toestemming van de vrouw. Op grond van analogieën moet van contraceptiva worden geëist dat zij even weinig bijwerkingen hebben als al-azl. Sterilisatie is niet toegestaan omdat daardoor de integriteit van het lichaam geschonden wordt. Een uitzondering kan gemaakt worden indien de mogelijkheid bestaat van overdracht van erfelijke ziekten. Er bestaat consensus over de uitspraak dat abortus provocatus na 120 dagen na de conceptie gelijk staat met doodslag. Indien het leven van de moeder echter op het spel staat is onderbreking van de zwangerschap na die termijn geoorloofd. Vóór de 120 dagen-termijn is volgens sommige geleerden abortus toegestaan omdat er sprake is van niet-menselijk leven.’ Volgens anderen echter niet omdat de ‘niet-menselijke foetus het instrument is voor de bezieling na 120 dagen’. Tenslotte stelt de Groot Moefti in zijn verklaring dat ‘de meningen van de wetgeleerden op sommige punten uiteenlopen. De gelovige dient die geleerden te volgen in wier kennis en vroomheid hij het meeste vertrouwen heeft’.5

Ondanks het feit dat er in de leer van de islam geen argumenten zijn te vinden tegen het toepassen van geboortenregeling en er in vele moslimlanden met multilaterale en bilaterale hulpverlening family planning-programma's worden uitgevoerd, blijven in een aantal van deze landen de geboortencijfers hoog. Indien wij echter de geboortencijfers in deze landen vergelijken met landen die, gemeten naar het bruto nationaal produkt (BNP), per capita een vergelijkbaar niveau van ontwikkeling hebben bereikt, blijkt dat de verschillen niet zo groot zijn (tabel). In Indonesië en Pakistan blijkt het totale vruchtbaarheidscijfer zelfs lager te zijn dan dat van vergelijkbare groepen van landen.

Belangrijke indicatoren voor de mate van ontwikkeling van een land zijn de vruchtbaarheid, de geletterdheid, de levensverwachting bij de geboorte (in belangrijke mate bepaald door de zuigelingensterfte), het BNP per capita en de maatschappelijke positie van de vrouw. Het ontplooien van activiteiten die gericht zijn op het verminderen van de vruchtbaarheid heeft weinig zin indien niet tevens aandacht geschonken wordt aan de andere ontwikkelingsindicatoren. Geïsoleerde geboortenregelingsprogramma's zijn niet anders dan een symptomatische therapie.

Geboortenregelingsprogramma's worden door veel moslims met achterdocht beschouwd omdat men meent dat zij bedoeld zijn om de invloed van het westen te vergroten. Nu er echter in toenemende mate echt nationale ontwikkelingsprogramma's worden uitgevoerd, gericht op verbetering van de kwaliteit van het leven, wordt door regeringen steeds meer ingezien dat geboortenregeling een belangrijke component van deze nationale programma's dient te zijn.

Het is van groot belang dat in islamitische landen de godsdienstige leiders bij de opzet en de uitvoering van de geboortenregeling betrokken worden. Terecht stelde de Groot Moefti van Egypte dat de gelovigen, in geval van twijfel, die godsdienstige leiders dienen te volgen in wier kennis en vroomheid zij het meeste vertrouwen hebben.

Artsen en anderen die bij deze programma's zijn betrokken, dienen dan ook de dialoog met deze godsdienstige leiders aan te gaan, hoe moeilijk dat in veel gevallen ook mag zijn. De uitslag van deze dialoog hangt in belangrijke mate af van de kennis die men heeft van de inhoud van de islam indien men werkt in een islamitisch land.

Voor de citaten uit de Koran werd gebruik gemaakt van de vertaling van J.H.Kramers: de Koran, 7e ed. Amsterdam: Elsevier, 1976.

Literatuur

  1. Report of the international conference on population.Recommendation for action nr. 25. New York: United Nations, 1984.

  2. Al-Hadis. Vertaling Muskat Ul Musabi. Karachi: The BookHouse (geen jaartal).

  3. Khan AA. Islamic opinions on contraception. In: NagreenShah ed., Islamic views on family planning. Karachi: The Family PlanningAssociation of Pakistan, 1974.

  4. Omram AR. Population problems and prospects in the Arabicworld. (Population Profiles nr 22.) New York: United Nations Fund forPopulation Activities, 1984.

  5. Dadir AM, Ahmed W. An interview with the Great Mufti ofEgypt. (Populi, XI, 2,445.) New York: United Nations Fund for PopulationActivities, 1984.