De cardiovasculaire polypil voor hoogrisicopatiënten

Klinische praktijk
Melvin Lafeber
Wilko Spiering
Michiel L. Bots
Vincent de Valk
Frank L.J. Visseren
Diederick E. Grobbee
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2011;155:A3070
Abstract
Download PDF

Toets voor nascholing

Aan dit leerartikel is een toets gekoppeld waarmee je nascholingspunten kan verdienen.

Maak de toets
Overzicht van te behalen accreditatiepunten
Specialisme Punt(en)
Accreditatie (artsen) buiten eigen vakgebied 1

Deze toets is geaccrediteerd door het Accreditatie Bureau Algemene Nascholing (ABAN) en is geldig voor alle BIG-erkende specialismen (1 punt) voor nascholing binnen het eigen vakgebied. Dit geldt zowel voor de specialismen in het ziekenhuis als de huisartsgeneeskunde en sociale geneeskunde. Ook physician assistants kunnen deze toets maken.

Toewijzing van punten verloopt automatisch via PE-online.

Samenvatting

  • Het theoretische concept van de ‘polypil’ betrof aanvankelijk een combinatiepil met vaste doseringen van een trombocytenaggregatieremmer, een cholesterolverlagend middel en bloeddrukverlagers ter preventie van atherosclerotisch vaatlijden bij alle personen van 55 jaar en ouder. De verlaging van het risico op hart- en vaatziekten is onafhankelijk van de hoogte van cholesterol- of bloeddrukwaarden bij aanvang van de behandeling.

  • Bij patiënten met een hoog risico op atherosclerotisch vaatlijden is de medicamenteuze reductie van risicofactoren vaak suboptimaal, mede door complexe richtlijnen en therapieontrouw. Een combinatiepil zou hier uitkomst kunnen bieden.

  • Onderzoek heeft laten zien dat het gebruik van combinatiepreparaten leidt tot een sterkere reductie van risicofactoren dan het gebruik van de afzonderlijke middelen, mogelijk door toename van therapietrouw.

  • Gebruik van een polypil bij de preventie van hart- en vaatlijden bij patiënten met een hoog risico daarop zou tot een effectievere risicoreductie, een afname van de kosten en een verminderde zorgconsumptie kunnen leiden.

Hart- en vaatziekten zijn de belangrijkste oorzaak voor sterfte en ziektelast, zowel in westerse landen als in ontwikkelingslanden.1 Als hoogrisicopatiënten beschouwt men patiënten met klinisch manifest vaatlijden, patiënten met diabetes mellitus type 2 en personen met een geschat SCORE-risico van > 10% op overlijden binnen 10 jaar;2 ‘SCORE’ staat hier voor ‘systematic coronary risk evaluation’. Adequate medicamenteuze behandeling verlaagt het risico op het optreden van hart- en vaatziekte in de toekomst van deze hoogrisicopatiënten. In dit artikel bespreken wij de huidige stand van zaken van een combinatiepil (‘de polypil’) bij de behandeling van patiënten met een sterk verhoogd vasculair risico.

Huidige situatie

Aanbevelingen voor medicamenteuze behandeling

De indicatie voor de behandeling van vasculaire risicofactoren is gebaseerd op de hoogte van het vasculaire risico. Diverse meta-analyses hebben aangetoond dat het gebruik van acetylsalicylzuur, statinen en bloeddrukverlagers, onafhankelijk van andere behandelingen, het risico op vaatlijden en vasculaire dood verlaagt.3-5 De huidige richtlijn beveelt dan ook aan bij patiënten met een voorgeschiedenis van cardiaal of ischemisch cerebraal lijden acetylsalicylzuur voor te schrijven, tenzij dit gecontra-indiceerd is. Acetylsalicylzuur wordt niet aanbevolen bij hoogrisicopatiënten zonder vaatlijden.

Daarnaast wordt geadviseerd patiënten met een voorgeschiedenis van vaatlijden cholesterolverlagende middelen (statinen) voor te schrijven bij een ldl-cholesterolconcentratie > 2,5 mmol/l. Bij patiënten met een systolische bloeddruk > 140 mmHg wordt geadviseerd bloeddrukverlagers te starten, waarbij de keuze van het medicament afhangt van de aandoening. Zo zijn bètablokkers en ACE-remmers geïndiceerd na een myocardinfarct.6 In de praktijk leidt dit veelal tot behandeling van zowel de cholesterolconcentratie als de bloeddruk. Om de beoogde systolische bloeddruk van < 140 mmHg te behalen, gebruikt ruim 50% van de patiënten 2 of meer bloeddrukverlagende middelen.7

Preventie bij hoogrisicogroepen in de praktijk

Gezien de hoge prevalentie van dyslipidemie en hypertensie onder hoogrisicopatiënten zou volgens de richtlijnen medicamenteuze behandeling aan de overgrote meerderheid van de individuen voorgeschreven moeten worden. In 2005-2009 gebruikte in de praktijk ruim 80% van de patiënten met cardiovasculaire afwijkingen acetylsalicylzuur, een statine en een bloeddrukverlager; van de patiënten met cerebrovasculaire afwijkingen gebruikte ongeveer 50% deze middelen (ongepubliceerde data van het ‘Second manifestations of arterial diseases’(SMART)-cohort, UMC Utrecht).

Er is nóg een substantiële discrepantie tussen de richtlijnen en de dagelijkse praktijk. Diverse observationele studies hebben aangetoond dat farmaca veelal inadequaat worden voorgeschreven en dat daardoor de streefwaarden veelal niet worden gehaald. Zo toonde de ‘European action on secondary and primary prevention by intervention to reduce events’(EUROASPIRE) III-studie aan dat bij 67% van de Nederlandse patiënten met een geschiedenis van cardiaal lijden de hypercholesterolemie adequaat behandeld was. De bloeddruk was echter bij slechts 35% voldoende onder controle.8 Diverse factoren kunnen hieraan ten grondslag liggen, zoals barrières bij artsen om richtlijnen in de praktijk te hanteren door onvoldoende kennis van complexe richtlijnen, gebrek aan tijd of gebrek aan financiële middelen om richtlijnen te implementeren.

Bij patiënten is therapieontrouw één van de belangrijkste oorzaken van het onvoldoende reduceren van vasculaire risicofactoren.9 Therapieontrouw wordt gekarakteriseerd door het voortijdig stoppen van de behandeling en het suboptimaal gebruiken van de medicamenten; dit gaat gepaard met een toegenomen mortaliteit.10 Therapieontrouw is gecorreleerd aan de complexiteit van doseringschema’s en het aantal medicamenten per dag. Een hoog vasculair risico vraagt meestal om meerdere medicijnen, maar gaat ook vaak samen met therapieontrouw.11 De preventie van hart- en vaatziekten vraagt dus om eenvoud in de medicamenteuze behandeling.

Cardiovasculaire combinatiepillen: de ‘polypil’

Geschiedenis

In 1970 werd het idee van ‘aspolol’ (aspirine en atenolol) voor het eerst geopperd door Richard Peto. In de jaren 90 van de vorige eeuw werden de eerste patenten aangevraagd voor diverse formuleringen van combinatiepillen. Pas in 2002 werd het concept van de cardiovasculaire polypil geïntroduceerd in de medische literatuur; wereldwijde aandacht voor het idee kwam door een publicatie in de British Medical Journal.12,13 De auteurs van die publicatie, Wald en Law, stelden een behandelstrategie voor met één pil die een vastgedoseerde combinatie moest bevatten van middelen met meerdere farmacologische werkingsmechanismen ter preventie van vaatlijden. In een populatie van 55-jarigen en ouder, zonder vaatziekten of diabetes mellitus, zou één pil met acetylsalicylzuur, een statine, 3 bloeddrukverlagende middelen en foliumzuur resulteren in een geschatte risicoreductie van 88% op cardiovasculaire aandoeningen en 80% op ischemisch cerebrovasculaire aandoeningen (tabel 1).13

Figuur 1

In het polypilconcept dat Wald en Law voorstelden was leeftijd het enige criterium om de polypil voor te schrijven. Deze preventieve strategie stuitte op veel weerstand. De primaire kritiek richt zich met name op het voorstel om de cardiovasculaire polypil in te zetten bij de primaire preventie van vaatziekten bij een populatie met een relatief laag absoluut risico op vaatziekten. Een groot deel van de bevolking wordt zo dus onnodig gemedicaliseerd, aldus critici. Ook zou een polypil bij gebruikers een gevoel van bescherming kunnen opwekken, waardoor de aandacht voor een gezonde leefstijl verslapt.

De polypil voor hoogrisicogroepen

Het initiële concept van de polypil voor personen van 55 jaar en ouder is tot op heden niet toegepast in de praktijk. Een vastgedoseerde polypil zou mogelijk wel geïmplementeerd kunnen worden bij de behandeling van hoogrisicopatiënten.

De polypil zou gezien kunnen worden als een basistherapie, waarbij individuen met een hoog risico op hart- en vaatziekten een minimale standaardtherapie voorgeschreven krijgen met bewezen effecten op morbiditeit en mortaliteit. Titratie van de dosering is naar verwachting bij slechts een deel van de patiënten nodig. Het gebruik van acetylsalicylzuur, statinen en bloeddrukverlagers verlaagt onafhankelijk van andere behandelingen het risico op vaatlijden, ongeacht de uitgangswaarde van cholesterol en bloeddruk.4,5 Deze aanname lijkt ook te gelden voor hoogrisicopatiënten, ofschoon dit niet is bewezen in een trial.

Het primaire doel van deze strategie is het verlagen van het risico op vaatlijden en op overlijden en niet het normaliseren van separate risicofactoren. Wij berekenden de te verwachten effecten van een polypil die 80 mg acetylsalicylzuur, 40 mg simvastatine en 2 bloeddrukverlagers bevat. Een polypil van deze samenstelling zou een risicoreductie geven van 65% op cardiovasculair lijden en 69% op ischemisch cerebrovasculair lijden bij patiënten met klinisch manifest vaatlijden (zie tabel 1).

Een belangrijk deel van de verwachte effectiviteit van de polypilstrategie is gebaseerd op de veronderstelling dat de therapietrouw bij patiënten met een hoog vasculair risico zal verbeteren. Een pillenlast van 6 of meer pillen per dag is niet ongewoon, vooral bij comorbiditeit, zoals diabetes mellitus type 2. Vermindering van de dagelijkse hoeveelheid pillen zal naar verwachting de therapietrouw verbeteren, zoals aangetoond bij patiënten met hypertensie die combinatiepillen gebruikten.16

Over de kosteneffectiviteit van het gecombineerde gebruik van acetylsalicylzuur, een statine, een bètablokker en een ACE-remmer voor secundaire preventie bestaat weinig discussie. Door de middelen in één enkele pil te verstrekken zijn er minder verpakkings-, uitgifte- en apotheekkosten dan bij gebruik van de afzonderlijke middelen. Daarnaast wordt in een polypil gebruik gemaakt van generieke middelen, waardoor de productiekosten laag zullen zijn. Kosteneffectiviteitsstudies van de toepassing van de polypil bij hoogrisicopopulaties zijn nog niet verricht, maar gezien de lage prijs zal de polypil naar verwachting kosteneffectiever zijn dan het gebruik van de afzonderlijke middelen. Lage medicatiekosten zijn overigens geen garantie voor kosteneffectiviteit. Of de polypil eveneens een besparing kan bieden in laboratoriumonderzoek en doktersbezoeken, dient nog onderzocht te worden.

In Nederland gebruikten in 2009 circa 1,1 miljoen individuen een combinatie van acetylsalicylzuur en/of een cholesterolverlager met bloeddrukverlagers. De totale kosten van deze combinatietherapie lagen op € 274 miljoen. Als deze gebruikers de polypil voorgeschreven zouden krijgen, dalen de gepostuleerde kosten per patiënt van € 279,00 naar € 37,10 per jaar. Op het budget van farmaceutische zorg zou dit een besparing betekenen van € 238 miljoen per jaar volgens de meest recente cijfers (Bron: GIP/College voor Zorgverzekeringen).17

Beperkingen van de polypil

De conceptuele eenvoud van de polypilstrategie kan eveneens gezien worden als keerzijde van de combinatiepil. De polypil bevat een aantal medicamenten met elk hun afzonderlijke bijwerkingenprofiel en contra-indicaties. De polypil zal dan ook niet voor ieder individu geschikt zijn. In de huidige samenstellingen bevatten polypillen naast acetylsalicylzuur veelal een statine, die kan leiden tot spierklachten. Een ACE-remmer geeft kans op kriebelhoest en een bètablokker verhoogt de kans op vermoeidheid; bovendien is COPD een relatieve contra-indicatie voor het gebruik van bètablokkers. Met het beschikbaar komen van generieke angiotensine II-receptorantagonisten kan het probleem van het hoesten bij ACE-remmers voor een deel ondervangen worden. De combinatie van 4 middelen leidt echter tot een relatief hogere kans op bijwerkingen dan één enkel medicament.

Daarnaast kunnen de medicamenten in een vaste combinatie voor een deel van de patiënten onjuist gedoseerd zijn, wat zich met name zal uiten in de vorm van orthostatische hypotensie en duizelingen bij te hoge doses van bloeddrukverlagers. Als de doseringen in de polypil bij bepaalde patiënten niet toereikend zijn om het behandeldoel te halen, bestaat de mogelijkheid om ieder individu additioneel te behandelen met lipidenverlagende middelen, bijvoorbeeld een statine, ezetimib of een fibraat, en/of bloeddrukverlagende middelen, bijvoorbeeld een calciumantagonist of een diureticum.

Tegen deze beperkingen wordt veelal de stelling ingebracht dat de toename van therapietrouw opweegt tegen de relatief lagere doseringen van de componenten in een polypil en het minder vaak bereiken van streefwaarden. Als de effectiviteit van de polypil eenmaal bewezen is, zouden verschillende combinaties van doseringen ontwikkeld kunnen worden die de mogelijkheid tot individualiseren vergroten.

Onderzoek naar de polypil

Momenteel wordt de polypil in de klinische praktijk nog niet toegepast. Er zijn verscheidene klinische trials gelanceerd met verschillende studieopzetten en diverse patiëntpopulaties (tabellen 2 en 3). Hoewel de effectiviteit van de afzonderlijke componenten in het verleden onomstotelijk vastgesteld is, dient deze ook voor de cardiovasculaire polypil als geheel vastgesteld te worden voordat deze in de klinische praktijk gehanteerd kan worden.

Figuur 2
Figuur 3

Bij patiënten met een laag of intermediair risico op hart- en vaatziekten zijn placebogecontroleerde studies geïnitieerd om te bepalen of een combinatiepil dezelfde reducties van bloeddruk en cholesterol bewerkstelligt als de afzonderlijke componenten. Onderzoek naar de polypil bij hoogrisicopatiënten vereist echter een andere studieopzet, omdat deze patiënten al een indicatie hebben voor de afzonderlijke componenten. In komende onderzoeken moet de polypilstrategie vergeleken worden met de huidige klinische zorg waarin de patiënt de componenten van de polypil afzonderlijke voorgeschreven krijgt, om te bepalen welke strategie op lange termijn effectiever is.

Vergelijking polypil met placebo

Tot dusver zijn de resultaten van 2 studies gepubliceerd.17,18 In de Indiase TIPS-studie werden 2053 patiënten met een laag risico en zonder voorgeschiedenis van vaatlijden gerandomiseerd naar 12 weken behandeling met de polypil ‘Polycap’ (acetylsalicylzuur 100 mg, simvastatine 20 mg, hydrochloorthiazide 12,5 mg, atenolol 50 mg en ramipril 5 mg) of een van de 8 andere armen (acetylsalicylzuur; simvastatine; hydrochloorthiazide; 3 combinaties van 2 bloeddrukverlagende middelen; 3 bloeddrukverlagende middelen; of 3 bloeddrukverlagende middelen met acetylsalicylzuur).14 Na 12 weken behandeling met polycap was de ldl-cholesterolconcentratie gedaald met gemiddeld 0,70 mmol/l (95%-BI: 0,62-0,78), de systolische bloeddruk met 7,4 mmHg (95%-BI: 6,1-8,1) en de diastolische bloeddruk met 5,6 mmHg (95%-BI: 4,7-6,4)(zie tabel 1). Door de opzet van het onderzoek kon men aantonen dat het effect van de afzonderlijke middelen, bijvoorbeeld simvastatine, praktisch identiek was aan het effect in combinatie met andere middelen.

De andere dubbelblinde, placebogecontroleerde studie, uitgevoerd bij 475 individuen met een laag risico, bestudeerde het effect van een polypil met acetylsalicylzuur 81 mg, atorvastatine 20 mg, enalapril 2,5 mg en hydrochloorthiazide 12,5 mg op cholesterol- en bloeddrukwaarden.15 Na 12 maanden gebruik was de ldl-cholesterolconcentratie 0,46 mmol/l lager en was de systolische bloeddruk met 4,5 mmHg gedaald (zie tabel 1). De follow-upduur was echter te kort om langdurige therapietrouw en het effect op klinisch relevante uitkomstmaten te kunnen bepalen. De matige reductie van cholesterol- en bloeddrukwaarden werd toegeschreven aan het feit dat deze waarden niet sterk verhoogd waren in de laagrisicopopulatie. Hoger gedoseerde combinatiepillen zijn wellicht wenselijk om de waarden bij patiënten met een hoog risico adequaat naar beneden te brengen.

Vergelijking polypil met huidige klinische zorg

De effectiviteit, economische impact en implementatie van een polypilstrategie voor de secundaire preventie van vaatziekten kan aanzienlijk verschillen tussen landen, omdat deze factoren sterk beïnvloed worden door het zorgsysteem en de standaard van klinische zorg. Vergelijkende studies dienen daarom in verschillende landen te worden uitgevoerd.

Onlangs werden de resultaten gepubliceerd van een niet-geblindeerde studie met 216 hoogrisicopatiënten zonder manifest vaatlijden, uitgevoerd in grote steden van Sri Lanka.18 De studie vergeleek een polypil (aspirine 75 mg, simvastatine 20 mg, lisinopril 10 mg en hydrochloorthiazide 12,5 mg) met standaardzorg. Na 3 maanden waren in beide groepen de concentratie totaal cholesterol, de systolische bloeddruk en het 10-jaarsrisico op cardiovasculaire ziekte statistisch significant afgenomen; de verschillen tussen de 2 behandelgroepen waren statistisch niet-significant. Volgens het artikel werd in de standaardzorg echter meer gebruik gemaakt van statinen en bloeddrukverlagende middelen dan verwacht. De generaliseerbaarheid van deze studie voor de Nederlandse situatie dient betwijfeld te worden.

Inmiddels zijn meerdere grote klinische studies door de internationale ‘Single pill against cardiovascular events’(SPACE) Collaboration gelanceerd. Zo is de ‘Use of a multidrug pill in reducing cardiovascular events’(UMPIRE)-studie van start gegaan in centra in India, Engeland, Ierland en Nederland. Hierbij wordt de effectiviteit van een polypil onderzocht in een populatie van patiënten met klinisch manifest vaatlijden en/of een hoog risico op vaatlijden. In totaal worden 2000 deelnemers gerandomiseerd naar reguliere zorg of het gebruik van een polypil met aspirine 75 mg, simvastatine 40 mg, lisinopril 10 mg en atenolol 50 mg óf hydrochloorthiazide 12,5 mg, afhankelijk van de vasculaire voorgeschiedenis. De gemiddelde follow-upduur van de studie is anderhalf jaar. Primaire uitkomstmaten zijn therapietrouw en veranderingen in cholesterol- en bloeddrukwaarden.

Parallel aan de UMPIRE-studie zijn 2 andere studies met een identieke studiepopulatie en -opzet geïnitieerd. Het betreft de ‘Improving treatment using combination therapy’(IMPACT)-studie met 600 patiënten in Nieuw Zeeland en de ‘Kanyini guidelines adherence to the polypill(GAP)’-studie met 1000 patiënten in Australië (zie tabel 3). In al deze studies wordt het optreden van een hartinfarct, beroerte en overlijden geregistreerd. Deze data zullen worden gecombineerd in een meta-analyse op basis van individuele patiëntendata, waardoor de effecten van een polypil op klinische uitkomsten kan worden geëvalueerd.

Conclusie

Hoewel het polypilconcept simpel en in theorie aantrekkelijk is, blijft de vraag of patiënten de pil wel willen gebruiken en of artsen de strategie willen implementeren. De resultaten van de lopende onderzoeken dienen te worden afgewacht voordat een polypil voor patiënten met een hoog risico op hart- en vaatziekten kan worden geregistreerd. Daarna kan de polypil pas beschikbaar komen voor de dagelijkse klinische praktijk. Totdat bewezen is dat de polypilstrategie een effectieve complementaire strategie is, zal de huidige zorg van individueel gedoseerde en doelgerichte medicamenteuze behandeling de standaard van zorg zijn voor de preventie van vaatziekten.

Leerpunten

  • Het concept ‘polypil’ is een behandelstrategie met een vastgedoseerde combinatiepil, samengesteld uit middelen met verschillende farmacologische aangrijpingspunten.

  • De polypil kan complexe behandelstrategieën met meerdere farmaca vereenvoudigen.

  • De behandeling van patiënten met een hoog risico op atherosclerotisch vaatlijden is in de praktijk vaak suboptimaal, mede door complexiteit van de richtlijnen en therapieontrouw.

  • De polypilstrategie zou een adequatere behandeling en hogere therapietrouw kunnen bewerkstelligen bij personen met een hoog risico op hart- en vaatziekten.

Literatuur
  1. Rayner M, Allender S, Scarborough P. Cardiovascular disease in Europe. Eur J Cardiovasc Prev Rehabil. 2009;16(Suppl 2):S43-7 Medline. doi:10.1097/01.hjr.0000359235.59808.ba

  2. Conroy RM, Pyorala K, Fitzgerald AP, et al. Estimation of ten-year risk of fatal cardiovascular disease in Europe: the SCORE project. Eur Heart J. 2003;24:987-1003 Medline. doi:10.1016/S0195-668X(03)00114-3

  3. Baigent C, Blackwell L, Collins R, et al. Aspirin in the primary and secondary prevention of vascular disease: collaborative meta-analysis of individual participant data from randomised trials. Lancet. 2009;373:1849-60 Medline. doi:10.1016/S0140-6736(09)60503-1

  4. Cholesterol Treatment Trialist’s Collaboration, Baigent C, Blackwell L, Emberson J, et al. Efficacy and safety of more intensive lowering of LDL cholesterol: a meta-analysis of data from 170,000 participants in 26 randomised trials. Lancet. 2010;376:1670-81 Medline. doi:10.1016/S0140-6736(10)61350-5

  5. Law MR, Morris JK, Wald NJ. Use of blood pressure lowering drugs in the prevention of cardiovascular disease: meta-analysis of 147 randomised trials in the context of expectations from prospective epidemiological studies. BMJ. 2009;338:b1665 Medline.

  6. Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO en Nederlands Huisartsen Genootschap. Multidisciplinaire richtlijn Cardiovasculair risicomanagement 2006. Alphen aan den Rijn: Van Zuiden Communications B.V.; 2006.

  7. Marshall T. How many antihypertensives do patients need to achieve a target blood pressure? J Hum Hypertens. 2005;19:317-9 Medline. doi:10.1038/sj.jhh.1001823

  8. Kotseva K, Wood D, De Backer G, De Bacquer D, Pyorala K, Keil U. Cardiovascular prevention guidelines in daily practice: a comparison of EUROASPIRE I, II, and III surveys in eight European countries. Lancet. 2009;373:929-40 Medline. doi:10.1016/S0140-6736(09)60330-5

  9. Vrijens B, Vincze G, Kristanto P, Urquhart J, Burnier M. Adherence to prescribed antihypertensive drug treatments: longitudinal study of electronically compiled dosing histories. BMJ. 2008;336:1114-7 Medline. doi:10.1136/bmj.39553.670231.25

  10. Gehi AK, Ali S, Na B, Whooley MA. Self-reported medication adherence and cardiovascular events in patients with stable coronary heart disease: the heart and soul study. Arch Intern Med. 2007;167:1798-803 Medline. doi:10.1001/archinte.167.16.1798

  11. Volpe M, Chin D, Paneni F. The challenge of polypharmacy in cardiovascular medicine. Fundam Clin Pharmacol. 2010;24:9-17 Medline.

  12. Yusuf S. Two decades of progress in preventing vascular disease. Lancet. 2002;360:2-3 Medline. doi:10.1016/S0140-6736(02)09358-3

  13. Wald NJ, Law MR. A strategy to reduce cardiovascular disease by more than 80%. BMJ. 2003;326:1419 Medline. doi:10.1136/bmj.326.7404.1419

  14. Indian Polycap Study (TIPS), Yusuf S, Pais P, Afzal R, et al. Effects of a polypill (Polycap) on risk factors in middle-aged individuals without cardiovascular disease (TIPS): a phase II, double-blind, randomised trial. Lancet. 2009;373:1341-51 Medline. doi:10.1016/S0140-6736(09)60611-5

  15. Malekzadeh F, Marshall T, Pourshams A, et al. A pilot double-blind randomised placebo-controlled trial of the effects of fixed-dose combination therapy ('polypill') on cardiovascular risk factors. Int J Clin Pract. 2010;64:1220-7 Medline. doi:10.1111/j.1742-1241.2010.02412.x

  16. Gupta AK, Arshad S, Poulter NR. Compliance, safety, and effectiveness of fixed-dose combinations of antihypertensive agents: a meta-analysis. Hypertension. 2010;55:399-407 Medline. doi:10.1161/HYPERTENSIONAHA.109.139816

  17. College voor Zorgverzekeringen. GIPeilingen 2008; Ontwikkelingen genees-en hulpmiddelengebruik. Diemen: CVZ; 2008.

  18. Soliman EZ, Mendis S, Dissanayake WP, et al. A Polypill for primary prevention of cardiovascular disease: a feasibility study of the World Health Organization. Trials. 2011.5;12:3.Medline

Auteursinformatie

Universitair Medisch Centrum Utrecht, Utrecht.

Julius Centrum voor Gezondheidswetenschappen en Eerstelijns Geneeskunde: drs. M. Lafeber, arts-onderzoeker en klinisch epidemioloog (tevens: afd. Vasculaire geneeskunde, UMC Utrecht); prof.dr. M.L. Bots en prof.dr. D.E. Grobbee, arts-klinisch epidemiologen.

Afd. Vasculaire Geneeskunde: dr. W. Spiering, internist-vasculair geneeskundige; prof.dr. F.L.J. Visseren, internist-vasculair geneeskundige en klinisch epidemioloog

College voor Zorgverzekeringen (CVZ), Diemen; dr. V. de Valk, adviseur CVZ.

Contact dr. W. Spiering (w.spiering@umcutrecht.nl)

Verantwoording

V. de Valk is medewerker van het College voor Zorgverzekeringen (CVZ), maar dit manuscript weerspiegelt geen CVZ-standpunt.
Belangenconflict: M. Lafeber, W. Spiering, M. Bots en D. Grobbee zijn betrokken bij onderzoek naar de effecten van de polypil, gefinancierd door Welcome Trust, de Europese Unie en ZonMw. M. Bots geeft lezingen over risicostratificatie voor Astra-Zeneca. F. Visseren ontvangt onderzoekfondsen van Merck, ZonMw en Catharijnestichting Utrecht en sprekersvergoedingen van Merck, AstraZeneca en Genzyme. Financiële ondersteuning: geen gemeld.
Aanvaard op 29 juni 2011

Gerelateerde artikelen

Reacties

J
Hoogenraad

Dank voor uw artikel wat ons artikel amlobisolosarlisirasithiazide wetenschappelijk ondersteunt.

Huisartsencabaret menig geween is helaas iatrogeen adverteert al jaren met deze innovatie.

wanneer u onze link niet kunt openen, ga dan naar ww.youtube.com, naar meniggeween, naar amlobisolosarlisirasitiazide.

 

J Hoogenraad, huisarts