Blanche en Marie

Media
P.O. Enquist
J. van Gijn
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2005;149:2946-7
Download PDF

P.O.Enquist, Blanche en Marie. 222 bl. AMBO, Amsterdam 2005. ISBN 90-263-1895-2. Prijs: geb. € 19,95.

De Zweedse schrijver Per Olov Enquist situeert zijn romans in het verleden. In ons land werd hij vooral bekend door Het bezoek van de lijfarts (de Nederlandse vertaling verscheen in 2001). Dit nieuwe boek speelt zich af in het Parijs van het ‘fin de siècle’, in het bijzonder in de Salpêtrière, het ziekenhuis waarin duizenden vrouwen waren opgenomen wegens krankzinnigheid, verlammingen of epilepsie. Omdat de auteur zijn fantasie de vrije loop laat, is het goed om eerst de historische achtergronden van de hoofdfiguren te schetsen.

Marie Curie-Sklodowska (1867-1934), dochter van een ambitieuze maar verarmde leraar in Polen, werkte van haar 19e tot haar 24e jaar als gouvernante en gezelschapsdame bij vermogende Poolse families om de medische studie van haar oudere zuster in Parijs te bekostigen. Zodra die wat inkomsten had, kon Marie op haar beurt aan de Sorbonne scheikunde studeren. Zij trouwde in 1895 met Pierre Curie en isoleerde met hem radium uit tonnen pekblende; beiden ontvingen daarvoor in 1903 de Nobelprijs. Drie jaar later kwam Pierre om, toen hij bij het oversteken een paard en wagen te laat zag aankomen. In 1910 ontspon zich een verhouding tussen Marie en haar jongere, ongelukkig getrouwde collega Paul Langevin. Een jaar daarna bracht diens inwonende schoonmoeder de zaak naar buiten, hetgeen leidde tot een xenofobe haatcampagne in de pers. Vrijwel tegelijkertijd kreeg Marie een tweede Nobelprijs, nu voor de ontdekking van polonium. In de Eerste Wereldoorlog onderscheidde zij zich door het organiseren van een rijdende röntgendienst aan het front. Haar gezondheid verslechterde geleidelijk door stralingsschade.

Jean-Martin Charcot (1825-1893) was vanaf 1862 als staflid verbonden aan de Salpêtrière. Geleidelijk legde hij zich toe op ziekten van het zenuwstelsel. Door nauwkeurig de klinische verschijnselen bij patiënten vast te leggen en deze in verband te brengen met anatomische afwijkingen in hersenen en ruggenmerg kon hij tal van ziektebeelden definiëren, in het bijzonder progressieve spieratrofie, amyotrofische laterale sclerose, multipele sclerose en tabes dorsalis. Vanaf de jaren zeventig ging zijn belangstelling uit naar de hysterie. Daarbij veronderstelde hij lange tijd een structurele verandering van het zenuwstelsel, die zich vooralsnog aan de waarneming onttrok. Grote aanvallen verliepen naar zijn mening volgens een vast stramien, in vier stadia; zij konden worden opgewekt door hypnose en door druk op de ovaria, al beschreef hij de ziekte later ook bij mannen.

Blanche Wittmann (circa 1862-circa 1924) was vanaf haar 15e jaar opgenomen in de Salpêtrière; zij was ‘de koningin van de hysterie’. Zij is afgebeeld op het bekende schilderij van André Brouillet over een klinische les van Charcot (een detail daarvan vormt het boekomslag). Na het overlijden van Charcot hielden haar hysterische aanvallen op. Vanaf 1900 werkte zij op de röntgenafdeling van de Salpêtrière; de straling veroorzaakte huidkanker, waardoor vingers en later ook delen van beide armen geamputeerd moesten worden.

Enquist fingeert in zijn boek een relatie tussen Blanche en Charcot. Het blijft jarenlang bij liefde op afstand, totdat op Charcots sterfbed een vereniging plaatsvindt. Daarna laat hij Blanche twee jaar op de röntgenafdeling van de Salpêtrière werken (Röntgen moest zijn ontdekking toen overigens nog doen), waarna hij haar opvoert als assistente en vertrouweling in het laboratorium van Marie Curie. De amputaties breidt hij uit tot de benen, maar haar rechter arm laat Enquist intact. Daarmee laat hij Blanche een soort dagboeken schrijven, al vegeterend in een kistje in het huis van Curie. De auteur positioneert zichzelf als bezorger van deze gefantaseerde geschriften, waarin ook gebeurtenissen uit het leven van Charcot en Marie Curie worden belicht. Hij wisselt die af met jeugdherinneringen uit Zweden, waarvan de betekenis mij ontgaat.

Ook in stilistisch opzicht valt er weinig te genieten: de zinnen zijn vaak hokkerig kort en er is een overvloed aan diepzinnig bedoelde vraagtekens. Als bijfiguur introduceert Enquist nog Jane Avril (bekend van de affiches van Toulouse-Lautrec), hier dansend in de Salpêtrière. Gelukkig worden Daudet, Freud en andere beroemdheden uit die tijd met rust gelaten.

Enquist-adepten zullen dit boek niet willen missen. Bij mij laat het de indruk achter van een slordig en zelfs irritant vluggertje, zowel in romantisch als in historisch opzicht. Wie meer wil weten van de hoofdfiguren en hun achtergronden kan beter goede biografieën lezen, bijvoorbeeld die van Françoise Giroud over Marie Curie (1981) en van Goetz, Bonduelle en Gelfand over Charcot (1995). Over Blanche Wittmann is er helaas alleen een artikel van Baudoin uit 1925; de onsmakelijke verzinsels uit dit boek heeft zij niet verdiend.

Gerelateerde artikelen

Reacties