Past niet bij mijn werk-privébalans

Tina Vekua

Waar ik het meest van onder indruk ben, is intelligentie. Een intelligent iemand op de werkvloer kan mij verbazen, fascineren, en zelfs een beetje intimideren. Het is een kwaliteit die bijna automatisch respect afdwingt. Des te opvallender is het wanneer zo iemand zegt: ‘Dat vakgebied lijkt me interessant, maar mijn vrije tijd vind ik te belangrijk.’ Wat wordt daar eigenlijk mee bedoeld? Alle capaciteiten voor een veeleisende carrière zijn aanwezig, en toch wordt er gekozen voor een andere weg: een minder intensieve route. Het gaat hier dus niet om wat iemand kan, maar om wat diegene bereid is te geven. Misschien ben ik momenteel te gefocust op presteren en kan ik dat niet goed begrijpen. Of misschien zegt dat juist iets over mij.  

Ik moet vaak denken aan wat een kritische man ooit zei: ‘Amsterdam wordt een terrasjessamenleving’. Een samenleving waarin we precies genoeg willen werken om het terras te kunnen betalen, maar absoluut niet meer dan dat. Sluipt die houding dan ook de geneeskunde binnen? Of blijft talent niet onbenut, maar wordt het simpelweg anders ingezet: in een breder leven buiten het ziekenhuis, waarin werk niet alles bepaalt? De vraag blijft wel: waarom is volledig ervoor gaan binnen de geneeskunde niet meer de norm?  

Nee, de studenten geneeskunde van nu hebben echt geen terrasjescultuur. Uit het rapport Loopbaanwensen van De Geneeskundestudent blijkt dat meer dan de helft van de studenten zich nog altijd richt op een ziekenhuisspecialisatie: de witte jas blijft het klassieke ideaal. Volgens het Capaciteitsorgaan is daar echter slechts 31 procent van de toekomstige opleidingsplekken te vinden. De rest van de plekken? Die zijn er zeker, namelijk in de huisartsenzorg, de ouderengeneeskunde en de publieke en sociale gezondheidszorg. Maar daar kiezen nog onvoldoende studenten voor, want volgens het recente capaciteitsplan is juist in deze sectoren de onvervulde vraag hoog en verder groeiende. Waar kan dit aan liggen? Niet aan desinteresse, maar wellicht wel aan iets anders: deze vakgebieden passen niet helemaal bij het heersende ideaalbeeld en, steeds vaker, ook niet bij wat studenten van hun leven verwachten. 

De werk-privébalans is geen schaamtevol compromis meer, het is een eis

Uit het rapport van de Geneeskundestudent blijkt dat 64% van de studenten werk-privébalans als belangrijkste werkwaarde beschouwt. Ruim een kwart wilt bovendien direct parttime starten. Dit wijst op een duidelijke verschuiving. Waar zware diensten ooit golden als een vorm van toewijding, worden ze nu bijna gezien als onverstandig. De werk-privébalans is geen schaamtevol compromis meer, maar een eis.  

Ik snap het. Met hoge werkdruk, alarmerende burn-outcijfers en een lange, onzekere opleidingsroute – waarin 34% van de masterstudenten veel stress ervaart – is het logisch dat steeds vaker de vraag wordt gesteld: is dit het waard? 

Toch is er een probleem. Nederland vergrijst. De zorgvraag verschuift naar chronische zorg, preventie en begeleiding buiten het ziekenhuis. De tekorten in de eerstelijnszorg en ouderengeneeskunde zijn nu al schrijnend, en ze groeien. Als toekomstige artsen massaal kiezen voor een specialisatie die ze misschien nooit zullen bereiken, of voor carrières die beter passen bij hun gewenste levensstijl, wie vult dan de gaten? 

Mijn doel is niet om te oordelen. Ik begrijp de keuze voor rust, voor een leven naast je werk – en misschien is dat juist een teken van intelligentie. Tegelijkertijd vraag ik me af of we ons als generatie voldoende realiseren wat er op het spel staat. Ons zorgsysteem is nog niet ingericht op het volledig honoreren van de werk-privébalans. En tot die tijd betaalt niet de student de rekening, maar de patiënt.