‘Kennis is macht’, zei een arts-assistent laatst tegen me in een benauwd artsenhok, nadat een supervisor een ingewikkeld fysiologisch proces had uitgelegd en we er even stil van waren. Hoewel ik het daarmee eens ben, besef ik dat voor de coassistent iets anders geldt: aanpassingsvermogen, dát is pas macht.
Een coassistent leert onder meer hoe het ziekenhuis werkt, welke ziekten een specialisme behandelt en hoe behandelingen worden ingezet. Tegelijkertijd word je continu beoordeeld. Dus probeer je geen domme vragen te stellen, niet in de weg te lopen en zo nuttig mogelijk te zijn. Je bent als student tenslotte te gast. Hoe je dat doet? Door je aan te passen.
Elke zes weken wacht een nieuw vakgebied. In het begin observeer je. Waar is de plek van de co tijdens de overdracht, hoe formeel is de visite, wanneer is een vraag gewenst? Dit leer je niet uit boeken, maar wel uit doordringende opmerkingen. ‘Wil je je mouwen opstropen? Zo zit je niet bij de overdracht.’ Of: ‘Is er een reden dat je aan je gezicht zit? Het is namelijk niet heel professioneel’. Je knikt, past je aan en denkt: oké, genoteerd.
Zo vind je langzaam je draai. Je leert de secretaresses kennen, verpleegkundigen merken dat je dingen oppikt, arts-assistenten wennen aan je vragen. Je geniet van leermomenten met verschillende supervisors en voelt je onderdeel van het team. Pas in de laatste weken kun je echt iets bijdragen, precies als alles begint te kloppen. Je sluit het coschap af met een gesprek over wat je ervan vond. En weg ben je weer. Weekend ertussen, maandag herhaalt het zich bij een ander specialisme, andere mensen, en andere spelregels.
Als coassistent telt niet enkel wat je weet, maar wie je bent. Wie moeite heeft met nieuwe omgevingen gaat de coschappen zwaar vinden. Wie snel schakelt voelt zich beter. Sommigen noemen het people-pleasing, anderen listigheid. Feit is: hoe sneller je je aanpast aan een supervisor, hoe meer je wordt gewaardeerd. Voor mij is aanpassingsvermogen geen zelfverloochening, maar een teken van respect. Ik pas me niet aan omdat ik mezelf wil wegcijferen, maar omdat ik mijn supervisor serieus neem en wil begrijpen hoe iemand denkt, werkt en beslist. Maar ik heb mijn grenzen. Want het betekent niet dat ik kritiekloos meebeweeg. Juist door continu vraagtekens te zetten, groei je. Van iedere supervisor pik ik immers datgene op, wat ik het meest nodig heb in die fase, zodat zich langzaam maar zeker een unieke arts in mij ontwikkelt. Een arts met een groot aanpassingsvermogen.
Dus: deze slimme tijdelijke collega past zich aan, geeft wat, pikt wat op, en gaat weer verder.
Tina Vekua (24) is bezig met haar laatste jaar geneeskunde aan de Vrije Universiteit Amsterdam en doet haar promotie bij de afdeling Maag-, Darm-, en Leverziekten in het Amsterdam UMC.