Wondergenezing?

Klinische praktijk
F.B. Lammes
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1986;130:3-3
Download PDF

Dames en Heren,

Patiënte A, 62 jaar, zou worden opgenomen op onze afdeling voor operatieve behandeling van een cervixcarcinoom. Zij is echter niet verschenen; in plaats daarvan kwam haar dochter uitleg geven: “Moeder zag erg op tegen de operatie, zij had vaak gehoord dat kanker zich snel ging uitbreiden als de buik werd geopend. Bij een tante was dat ook gebeurd bij een gezwel van de maag. De buurvrouw was echter behandeld met het Moermandieet en die was nu helemaal genezen van de kanker. Moeder verkoos liever de veilige weg van het dieet, dan een operatie.”

U zult ongetwijfeld patiënten ontmoeten die u op de hoogte brengen van zeer indrukwekkende resultaten van alternatieve geneeswijzen. Het kan niet anders dan dat u onder de indruk komt van deze overtuigende verhalen. Vaak reeds kunt u zelf vraagtekens plaatsen bij deze “genezingen”. Er zijn echter ook patiënten die een nauwkeurig gedetailleerd verslag geven, waarbij u verbaasd bent als u verneemt dat er genezing is verkregen met een dergelijke behandeling. Op grond van zulke verhalen zult u zich waarschijnlijk toch gaan afvragen wat er zich afspeelt tussen hemel en aarde, waarvan de conventionele medische wetenschap niet op de hoogte is. Nu valt allerminst uit te sluiten dat er therapeutische mogelijkheden zijn die nog niet rationeel verklaarbaar zijn, anderzijds moet u gewapend zijn bij uw oordeelsvorming. Het is voor een arts noodzakelijk om zich te realiseren dat er nog heel andere verklaringen zijn voor verbluffende genezingsresultaten van alternatieve therapie.

Wanneer men te maken krijgt met een spontane genezing of een ongebruikelijk gunstig ziektebeloop bij een patiënt bij wie de diagnose kanker is gesteld, moet men met de volgende mogelijkheden rekening houden:

– De tumor was bij de diagnostiek reeds in toto verwijderd. Bij biopsie of resectie, zoals van een cervixconus, kan de gehele aandoening reeds zijn verwijderd. Als van verdere therapie wordt afgezien, kan de patiënt toch reeds genezen blijken. Deze mogelijkheid doet zich bijv. voor bij de kleine colposcopisch herkenbare laesies van de portio. De groep van patiënten met een pre-maligniteit van de portio is daarom uiterst ongeschikt voor een onderzoek naar de waarde van de Moermantherapie, zoals dat is voorgesteld.

– De metastasen groeien uiterst langzaam. Bij sommige tumoren, zoals een granulosacelcarcinoom, kan pas na 10 jaar duidelijk worden dat er destijds toch metastasering is opgetreden. Er zijn nogal wat tumoren waarbij vijfjaarsoverleving niet gelijk staat aan vijfjaarsgenezing.

– Spontane regressie komt soms voor.12 Van het melanosarcoom is bekend dat er spontane genezing voorkomt, zelfs als er reeds metastasen zijn. Dit is ook bekend van het chorioncarcinoom. Tot nu toe onbekende immunologische factoren spelen hierbij een rol. Deze spontane genezingen ziet men helaas zelden.

– De eerste, chirurgische, behandeling was reeds afdoende. Als de patiënt afziet van aanvullende radio-of chemotherapie, en overstapt naar een alternatieve behandeling, zullen patiënt en familie de genezing toeschrijven aan de alternatieve therapie. Vaak is bij chemo- of radiotherapie sprake van een zgn. adjuvante behandeling. Op statistische gronden is bekend dat aangetoonde uitbreiding in het resectiepreparaat een zekere kans geeft op het reeds aanwezig zijn van metastasen; maar voor de individuele patiënt is dit niet zeker. Als bij een patiënt met een endometriumcarcinoom blijkt dat de tumor is doorgegroeid tot meer dan de helft van het myometrium, wordt geadviseerd tot nabestraling, aangezien de kans op metastasering naar de lymfeklieren duidelijk is vergroot. Als wordt afgezien van nabestraling, zal toch een groot aantal van de patiënten reeds genezen blijken.

– De diagnose was niet juist. Soms treft men patiënten bij wie de diagnose kanker met stelligheid door een ervaren medicus was gesteld, maar bij wie ze naderhand, soms pas jaren later, moest worden herroepen. Zo zijn er natuurlijk ook patiënten bij wie de aanvankelijke diagnose nooit is herroepen. Zouden deze patiënten gekozen hebben voor een alternatieve behandeling, dan zouden zij een levend bewijs vormen voor de wonderbare genezing van kanker door alternatieve behandeling. Bij het grondige onderzoek van de Moermantherapie door de commissie Delprat in 1958 kwam naar voren dat deze mogelijkheid van “genezing” zich veelvuldig voordeed.34 Geïntrigeerd door deze maskerade konden in de loop der jaren verschillende voorbeelden worden verzameld.

Nu wederom bij ons een patiënte afzag van een curatieve behandeling, leek het goed om met u stil te staan bij de relativiteit van de diagnose kanker. Het blijkt dat ze door verschillende oorzaken ten onrechte kan worden gesteld. In de gynaecologie kunnen de volgende groepen worden herkend:

– De diagnose kan gesteld zijn, enkel en alleen op klinisch onderzoek, zoals inspectie of palpatie. Dit lijkt vreemd, maar het blijkt voor te komen dat afgezien werd van histologische bevestiging van de diagnose, omdat het onmogelijk bleek om goed histologisch materiaal te verkrijgen. Als het klinisch beeld dan “duidelijk” is en tevens diagnostische hulpmiddelen, zoals röntgenonderzoek of echografie met grote stelligheid positieve uitslagen geven, kan ten onrechte worden afgezien van histologisch bewijs. Het “kan passen bij” is geheel iets anders dan een morfologische diagnose. Vrijwel altijd moet het mogelijk zijn om, desnoods door een cytologische punctie, een klinische diagnose ondersteund te krijgen.

– Een cytologische uitslag kan worden overgewaardeerd. Een cytoloog kan op grond van allerlei kenmerken van de cel een verwachting uitspreken over het histologische substraat waarvan de cellen afkomstig zijn. Meestal heeft deze voorspelling een hoge betrouwbaarheid. Soms blijken de celveranderingen veroorzaakt te zijn door een chronische ontsteking en kan de aanvankelijke diagnose niet worden gehandhaafd bij histologisch onderzoek. Niet alleen bij het cytologisch onderzoek van de cervix kan men te maken krijgen met zgn. fout-positieve uitslagen, maar ook bij cytologisch onderzoek van punctaten of deppreparaten van andere plaatsen van het lichaam. Vooral bij ascites worden geprikkelde mesotheelcellen nogal eens voor carcinoomcellen aangezien.

– De diagnose “maligniteit” is geen beslissing van alles of niets. Er bestaat een grote variabiliteit tussen morfologisch aspect en biologisch gedrag. Het is voor de patholoog-anatoom soms onmogelijk om met zekerheid een uitspraak te doen over het klinisch beloop. Zo kent men bij de ovariumtumoren het probleem van de “borderline-malignancy”.5 Niet zelden zal dan geadviseerd worden om de patiënte toch aanvullend te behandelen als voor een “zekere” maligniteit. De clinicus is meestal op de hoogte van de relativiteit van de uitslag en zal het beloop goed kunnen interpreteren, als van verdere behandeling wordt afgezien. De patiënt en de naaste omgeving blijven meestal onbekend met de relativiteit van de diagnose.

– De aanvankelijke diagnose wordt door een andere patholoog-anatoom herroepen. Het kan zijn dat de diagnose van de vakbroeder op grond van grotere ervaring ter discussie komt. Zelden betreft het een verschil in kennis, meestal gaat het om verschil in interpretatie op grond van ervaring. De grens tussen chronische ontstekingsverschijnselen en maligniteit is soms uiterst moeilijk aan te geven. Soms is er sprake van een regelrechte valkuil, zoals de reuzencellen bij het degenererend leiomyoom en de reuzencellen bij het leiomyosarcoom van de uterus. Zo kunnen endometriosehaardjes in para-aortale lymfeklieren ten onrechte worden geïnterpreteerd als metastasen van een adenocarcinoom. Beginnende infiltratie bij een cervixcarcinoom is vaak uiterst moeilijk vast te stellen door ontstekingsverschijnselen en soms ook door tangentieel aansnijden van diepreikende epitheelkolven. Het is in oncologische centra daarom gebruikelijk dat de preparaten van alle patiënten die voor een maligne aandoening worden behandeld, worden opgevraagd en opnieuw worden beoordeeld. Maar ook in deze centra kent men de ongewisheid van de diagnose en zal men nogal eens gebruik maken van een landelijke “referentie”-patholoog-anatoom.

– Administratieve verwisseling van preparaten of uitslagen is minder zeldzaam dan men denkt. Fouten kunnen gemakkelijk ontstaan wanneer etiketten worden geplakt op het deksel van een formalinepotje of wanneer voor meer patiënten etiketten klaarliggen. Ook in het laboratorium kan verwisseling ontstaan bij de verwerking van het materiaal. De kans dat tegelijkertijd in het ziekenhuis een patiënt met dezelfde naam is opgenomen is steeds aanwezig. Vaak is de verwisseling evident, maar op een grote gynaecologische polikliniek bijvoorbeeld is deze allerminst denkbeeldig.

De volgende voorbeelden zijn een keuze uit een verzameling van verscheidene patiënten uit verschillende centra bij wie de aanvankelijke diagnose werd gewijzigd. Het betreffen gynaecologische problemen, maar in elk vakgebied zullen vergelijkbare en ook andere voorbeelden gegeven kunnen worden.

Patiënte B, 34 jaar, werd verwezen voor aanvullende chemotherapie wegens een ovariumcarcinoom. Onlangs was patiënte geopereerd wegens een intraperitoneale bloeding afkomstig uit een ovariumtumor. Er werd extirpatie verricht van uterus en adnexa. In het rechter ovarium werd een endometriumcarcinoom vastgesteld. Gezien de uitbreiding naar de peritoneaalholte werd chemotherapie geadviseerd. Bij revisie van de preparaten door de Ovarium Tumoren Commissie kon de diagnose niet worden bevestigd en werd ze gesteld op endometriosis externa. Er werd afgezien van chemotherapie en thans, 10 jaar later, zijn er geen aanwijzingen voor maligniteit.

Patiënte C, 28 jaar, werd verwezen voor radicale chirurgie volgens Wertheim van een beginnend cervixcarcinoom. Op grond van afwijkingen bij cytologisch onderzoek van de cervix was conisatie verricht, waarbij een invasief cervixcarcinoom was aangetoond. Bij revisie van de histologische coupes bleek de infiltratie echter slechts ogenschijnlijk te zijn en werd ze veroorzaakt door tangentieel aansnijden van epitheeluitlopers. De snijranden van de conus waren vrij, zodat gezien het ontbreken van duidelijke infiltratie in dit preparaat, van verdere operatieve behandeling werd afgezien, mede gezien de leeftijd van patiënte. Nu, 6 jaar later, zijn er ook cytologisch geen aanwijzingen voor tumor in de portio.

Patiënte D, 23 jaar, werd verwezen voor multichemotherapie wegens een chorioncarcinoom. Een mola hydatidosa was onlangs beëindigd door vacuümcurettage. Bij het pathologisch-anatomisch onderzoek van de mola werd echter gesteld dat er reeds sprake was van chorioncarcinoom. Bij revisie kon deze diagnose niet worden gehandhaafd. Er werden ook nog vlokken gezien en de sterke trofoblastproliferatie was nog geen reden tot de diagnose chorioncarcinoom. Bij controle daalden de gonadotrofinespiegels geleidelijk en bleek chemotherapie niet noodzakelijk. Een nieuwe zwangerschap, een jaar lager, verliep geheel ongestoord.

Patiënte E, 52 jaar, werd in consult gezien wegens een tumor in het kleine bekken met de vraag of er wellicht sprake was van een ovariumtumor. Vier jaar daarvoor was patiënte elders geopereerd wegens ileus. Bij die operatie bleek er een tumor te zijn in het kleine bekken, uitgaande van het colon descendens, waarbij ook de dunne darm was betrokken. Er werd een anus praeternaturalis aangelegd. Na de operatie werd een coloninloopfoto gemaakt, waarbij op 30 cm van de anus duidelijk een beeld passend bij carcinoom werd waargenomen. Patiënte werd wederom geopereerd, waarbij de doorgroei werd gepalpeerd en tevens kleine vaste tumoren werden gevoeld in het centrum van de lever, zodat werd afgezien van verder ingrijpen. Er kon geen histologisch onderzoek worden verricht. Patiënte werd op grond van deze tijdens de operatie verkregen gegevens nabehandeld met chemotherapie. Het beloop was zo opmerkelijk gunstig, dat werd overwogen nogmaals laparotomie te verrichten. Het gynaecologisch onderzoek kon weliswaar een ovariumtumor niet uitsluiten, maar er bestonden geen contra-indicaties voor een derde laparotomie. Hierbij werd een uitgebreide diverticulitis gevonden met een peridiverticulitis en kon de diagnose maligniteit niet worden gehandhaafd. De bevindingen bij röntgenonderzoek en palpatie waren verkeerd geïnterpreteerd. Het is niet mogelijk gebleken om aan patiënte uit te leggen waarom zij ten onrechte met cytostatica werd behandeld. Na drie jaar bleek er nog een duidelijke wrok aanwezig te zijn.

De diagnose kanker kon eveneens niet worden gehandhaafd bij een patiënte met een ulcus in de vagina als gevolg van een pessarium, bij wie cytologisch onderzoek aanwijzingen gaf voor een adenocarcinoom. Een patiënte met een recidief van een cervixcarcinoom in het rectum bleek een ulcus te hebben als gevolg van de radiotherapie. Een patiënte die verwezen werd voor nabestraling wegens een verwijderd ovariumsarcoom kon gerustgesteld worden toen bij revisie van de coupes de diagnose van de patholoog-anatoom slechts luidde: thecoma van het ovarium met enige mitotische activiteit. Vaak gingen patiënten verbaasd naar huis, nauwelijks gelovend dat de uitgebreide behandeling die in het vooruitzicht was gesteld, niet noodzakelijk was gebleken.

De diagnose kanker is in vele gevallen gemakkelijk, maar soms uiterst moeilijk te stellen. De grens tussen goed- en kwaadaardigheid is niet altijd scherp aan te geven, ook komen allerlei valkuilen voor. Bij de beoordeling van wonderbaarlijke genezingsgevallen doet men er goed aan de volgende regels in acht te nemen:

1. Nauwkeurige en kritische beoordeling van anamnese en ziektegeschiedenis.

2. Bekend zijn met het natuurlijk beloop van de ziekte.

3. Er gaat niets boven een histologische diagnose.

4. Herbeoordeling van de oorspronkelijke preparaten voor pathologisch-anatomisch onderzoek bij discrepantie tussen klinische gegevens en oorspronkelijke diagnose.

Wanneer de diagnose niet wordt herroepen, kan een opvallend beloop ontstaan. Elke behandeling zal resulteren in een genezing en als een trofee worden gebruikt. Van oudsher sierden kwakzalvers zich reeds met deze tooi.6

Het is allerminst uitgesloten dat er tot dusverre ongekende mogelijkheden liggen bij alternatieve behandeling. Zeker is dit niet en het is nog nimmer bewezen. Ervaring is bedrieglijk.7 Het is triest wanneer patiënten met een curabele vorm van kanker van behandeling afzien op grond van deze drogbeelden. Bij een nog te genezen patiënt is actieve bestrijding van alternatieve behandelingsmogelijkheden alleszins gerechtvaardigd.

Dames en Heren, genezing van kanker door alternatieve behandeling kan soms heel goed verklaard worden na zorgvuldige analyse van de ziektegeschiedenis of na herbeoordeling van de histologische preparaten. Een ieder die patiënten met kanker moet adviseren en begeleiden moet ervan op de hoogte zijn dat de genoemde mogelijkheden niet zeldzaam zijn. De kwakzalver wordt met de bewijsvoering uit het ongerijmde in de kaart gespeeld. Zolang dit besef ontbreekt, zal men een veel te welwillende houding aannemen ten aanzien van alternatieve methoden. Het is geheel onverantwoord wanneer een patiënt op grond van dergelijke suggestieve informatie afziet van curatieve behandeling.

Literatuur
  1. Boyd W. The spontaneous regression of cancer. Springfield(III): Thomas, 1966.

  2. Nathanson L. Spontaneous regression of malignant melanoma.Nat Cancer Inst Monogr 1974; 44: 67-77.

  3. Delprat CH. Verslagen en mededelingen betreffende devolksgezondheid. (Rapport Commissie L.O.K.) 's-Gravenhage:Staatsuitgeverij, 1958: nr. 7.

  4. Prakken JR. Te veel eer.Ned Tijdschr Geneeskd 1958; 102:1893.

  5. Park WW. The histology of borderline cancer. Berlin:Springer, 1980.

  6. Treub H. Over kwakzalverij. In: Gedenkboek van deVereeniging tegen de kwakzalverij 1880-1905. Dordrecht: Dordrechtse Drukkerijen Uitg. Mij., 1906.

  7. Hippocrates. Aphorismen. I. Source Book of MedicalHistory. 4e druk. Dover, N.Y., 1978.

Auteursinformatie

Academisch Medisch Centrum, afd. Verloskunde en Gynaecologie, Meibergdreef 9, 1105 AZ Amsterdam. Prof.dr.F.B.Lammes, gynaecoloog.

Gerelateerde artikelen

Reacties

M.C.
Colenbrander

's-Hertogenbosch, januari 1986,

In zijn klinische les (1986;3-6) noemt Lammes een aantal mogelijke verklaringen voor ‘verbluffende genezingsresultaten van alternatieve therapie’. Eén mogelijkheid mis ik, en dat is, dat de gemoedstoestand van de patiënt van invloed zou kunnen zijn. Bij ontstekingen is het wel bekend, dat de wil om beter te worden een gunstige invloed heeft. Ook zijn er voldoende verhalen in omloop over ongeneeslijk zieken die hun sterven wisten uit te stellen om nog éénmaal een geliefde persoon te kunnen ontmoeten.

Is het daarom vreemd te veronderstellen, dat niet alleen angst en woede met interne secretie te maken hebben, maar àlle gemoedstoestanden, ook hoop en vertrouwen? En zou het niet zo kunnen zijn, dat de interne secretie bij hoop en vertrouwen een iets slechter milieu is voor de ontwikkeling van tumoren? Een bewijs door het vergelijken van groepen patiënten zal nooit geleverd kunnen worden, omdat geen arts in twijfelgevallen bij de patiënt hoop en vertrouwen niet zal willen stimuleren. Maar wel acht ik van belang te zoeken naar eventuele veranderingen in het ‘milieu interne’ van ‘gelovige’ Moerman-patiënten. Wie weet opent dat nieuwe gezichtspunten.

M.C. Colenbrander
F.B.
Lammes

Amsterdam, januari 1986,

Met collega Colenbrander ben ik van mening dat er waarschijnlijk nog vele onbekende factoren zijn die een invloed hebben op het ziektebeloop van kwaadaardige tumoren. Zolang er over deze invloeden nog geen zekerheid bestaat, lijkt het raadzaam om bij miraculeuze genezingsresultaten eerst kritisch alle gegevens over diagnose en ziektebeloop opnieuw te beoordelen. Pas daarna kan de invloed van tot nu toe onbekende invloeden worden overwogen. Te vaak wordt de omgekeerde weg bewandeld.

F.B. Lammes