Sociale intelligentie
Open

Media
24-03-2008
D. Goleman en R.W.M. Giard
D.Goleman, Sociale intelligentie. Nieuwe theorieën over menselijk gedrag.(Uit het Engels vertaald.) 430 bl. Uitgeverij Contact, Amsterdam 2007. ISBN 978-90-254-1796-3. Adviesprijs: ingen. € 24,90.

Van het begrip ‘emotionele intelligentie’ (EQ) heeft de lezer vast eerder gehoord. Dit concept werd in 1995 door de Amerikaanse psycholoog Daniel Goleman in een boek met de gelijknamige titel op de kaart gezet. Allerlei onderzoeken hadden duidelijk gemaakt dat het beschrijven van de psychische vermogens van de mens met het intelligentiequotiënt (IQ) alleen een incompleet beeld gaf. Hoe ver wij het in deze verwarrende wereld vol lastige mensen schoppen, blijkt eerder van het EQ dan van het IQ af te hangen.

Ruim tien jaar later heeft Goleman in zijn nieuwste boek een verdere uitwerking van dit onderwerp gegeven, en het ook aangevuld met inzichten uit de neurowetenschappen. Hij geeft inmiddels de voorkeur aan de aanduiding ‘sociale intelligentie’, omdat het gaat over theorievorming over intermenselijk gedrag. Die term werd overigens al in 1920 door de psycholoog Thorndike geïntroduceerd.

Is dit een boek voor artsen om te lezen? In mijn ogen past op deze vraag een volmondig ‘ja’. Goleman is een begenadigd auteur, die de onderwerpen op een pakkende manier behandelt. Intermenselijke problemen en kwesties rond het eigen functioneren, verpakt in medische klachten, komt iedere arts dagelijks in zijn of haar spreekkamer tegen. Maar ook bij het arts-patiëntcontact en het functioneren als arts binnen teams ziet men fenomenen die te maken hebben met voorbeeldige of juist met tekortschietende sociale intelligentie. Zo bezien vertelt Goleman ons niet alleen iets over het gedrag van anderen, maar houdt hij ons ook zelf een spiegel voor waarin wij kunnen zien hoe wij ons in het intermenselijke verkeer opstellen – en niet in de laatste plaats waar onze verbeterpunten liggen.

Boeiend is ook steeds de neurobiologische basis van menselijk gedrag. Met name in Science zijn uitgebreide collecties van dergelijke studies te vinden. Met geavanceerde methoden, waaronder functionele MRI’s, kunnen emotionele activiteiten in het brein worden gelokaliseerd en hun dynamiek onderzocht. Zo blijken er twee essentieel verschillende perceptieroutes te bestaan, de ‘hoge’ en de ‘lage’: de eerste is bewust en traag, de tweede onbewust en snel, met elk een andere weg in ons cerebrum. De kwaliteiten van elke route en hun integratie bepalen hoe wij ons handelend opstellen.

Fascinerend is ook te zien hoe neurale netwerken elkaar beïnvloeden. Emoties zijn besmettelijk. Een toxische persoonlijkheid bederft de stemming binnen een groep. De emoties van de dokter hebben hun weerslag op de patiënt en vice versa. Wie oog heeft voor dit soort fenomenen, kan sturing geven aan zichzelf, maar ook aan de emoties bij anderen.

Een laatste punt is dat dit boek – en ook eerdere werken van deze auteur – het belang onderstreept van ‘inter-zijn’. De nadruk op de individuele ontplooiing heeft te veel een ‘ik-eerst-cultuur’ gecreëerd. Juist bewust sociaal gedrag biedt ons de mogelijkheid van een menswaardig en daardoor creatief bestaan. Daarom ook luidt de titel van het slothoofdstuk ‘Van “Wij” naar “Zij”’. Niet alleen artsen hebben iets aan het lezen van dit boek, het zou eigenlijk ook verplichte kost moeten zijn voor leden van raden van bestuur van en managers in ziekenhuizen.