Prof.dr. Frida Balk-Smit Duyzentkunst (1929-2013)
Open

In memoriam
08-03-2013
Henk Walvoort en Piet van Sterkenburg

Onlangs is prof.dr. F.Balk-Smit Duyzentkunst op 83-jarige leeftijd overleden. In de periode 1984-1995 was zij taalkundig adviseur van de redactie van het Tijdschrift en daarna lid van de Vereniging Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. De redactie van het Tijdschrift heeft altijd groot belang gehecht aan zorgvuldig taalgebruik in de artikelen en vond het raadzaam om voor feedback een taalkundige in de arm te nemen. Er was veel taalkundig werk te doen, altijd. Iedere 6 weken kwam Frida Balk de medewerkers wijzen op onvolkomenheden in de verschenen tijdschriftnummers, maar zij kwam ook zelf met initiatieven. Aanvankelijk wees zij erop dat patiënten als mensen moesten worden beschreven en niet als ‘gevallen’, in die tijd tamelijk opzienbarend. En ook in de kolommen van het Tijdschrift heeft zij zich geregeld uitgelaten over medici en taal. Haar inspanningen hadden succes: in 1993 schreef de toenmalige hoofdredacteur Dunning: ‘Onze taalkundig adviseur, mw.prof.dr. F.Balk-Smit Duyzentkunst, als arenlezer achter de maaiers, kan [...] bij taalbesprekingen nauwelijks meer fouten aanwijzen, al signaleert zij nog steeds de uit beroepsdeformatie ontstane stijlbloempjes zoals een “verrassende” tumor, een “fraaie” fractuurlijn of een “karakteristieke” bloeding’ (1993;1-3). Zij stelde ook een compleet nummer samen over ‘Vijftien dokters op schrijversvoeten’ (nummer 39 van jaargang 130, 1986).

Frida Balk moest voorzichtig opereren en deed dat met milde humor. In haar tijd hadden veel artsen, en zeker artsen-redacteuren, nog het idee dat zij zelf deskundig waren op het gebied van de Nederlandse taal – zij gebruikten die immers iedere dag, nietwaar. Door een enkel raak voorbeeld wist zij duidelijk te maken dat wie de taal gebruikt, niet altijd kan instaan voor de gedachten die hij of zij oproept, of die bij hem of haar zelf leven. Verhelderend is in dat verband de ethische discussie die zich in 1988 en 1989 ontspon naar aanleiding van het niet opereren van een pasgeborene met trisomie 21. Zij schreef een artikel getiteld ‘Geneeskunde en taal; bijwerking of bedoeling?’ (1989;2272-4). En de discussie in de rubriek ingezonden eindigde met de vraag wat de dichteres Vasalis bedoelde met de formulering ‘niets dan leven’.

Maar Frida was niet alleen prudent en een vat vol humor. Een andere karaktereigenschap die haar sierde, is vasthoudendheid in de argumentatie. Toen de hele linguïstiek in de jaren 60 en 70 zich achter het paradigma van de Amerikaan Noam Chomsky (1928) schaarde als was het een religie, bestreed Frida diens theorieën met stalen en controleerbare argumenten zonder ook maar in de verste verte de persoon te kwetsen. Daar was ze te integer voor. Ook was ze scherpzinnig en analytisch, waardoor ze de macht en onmacht van woorden wist bloot te leggen. Bijvoorbeeld in haar artikelen in De Gids over het woord ‘fascist’ en de taalkunde, over het woord ‘intellectueel’ en de intellectuelen en over het woord ‘jood’ en het antisemitisme. Zo slaagde ze erin om bijvoorbeeld te bewijzen dat de negatieve betekenis van het woord ‘jood’ niet in dat zelfstandig naamwoord schuilt, maar in het eraan voorafgaande bijvoeglijk naamwoord. Ze had een hart van goud met een zwak voor degenen in de samenleving die het aanzienlijk moeilijker hebben dan wij in het Vrije Westen. Veel deed ze voor de vakgenoten in Oost-Europa die zich profileerden als ambassadeurs van onze taal en cultuur en die deze door vertalingen probeerden toegankelijk te maken vooral in het Pools. Ze begeleidde daar volstrekt belangeloos proefschriften en ‘Habilitationsarbeiten’.

Frida Balk was nog een van die vermaarde hoogleraren die omnivoren waren in het vak. Ze was niet alleen een gedreven taalkundige, nee, ze wist ook veel, heel veel van literatuurwetenschap, muziek en beeldende kunst en publiceerde daarover. Prachtige opstellen van haar hand verschenen er over de dichter Leopold, over Willem Frederik Hermans, over de poëzie van Judith Herzberg, over Vasalis, maar ook over de taal van Josepha Mendels en Marten Toonder. Boeiend en uitdagend zijn in dat opzicht ook de Jaarredes die zij als voorzitter van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde hield.

Eén eigenschap mag hier ten slotte niet onvermeld blijven. Frida Balk was in staat om soms met een scherpe pen buitengewoon moeilijke zaken zo op te schrijven dat kinderen haar begrepen. Dat doet zij onder meer in haar Grammatica voor iedereen (2007; bl. 8). Zij trekt daarin ten strijde tegen het ‘bureaucratisch terrorisme dat van ons taalonderwijs een puinhoop heeft gemaakt’. De eenvoud en helderheid van haar axioma spreekt boekdelen: ‘Grammatica is een formidabel hulpmiddel om te leren helder te formuleren in de moedertaal, om andere talen te verwerven en om Nederlands te leren aan leerlingen met een andere moedertaal’. Dat helder formuleren was ook haar rode draad tijdens de taalvergaderingen van het Tijdschrift. Drogredenen en andere fouten tegen de retorica en argumentatieleer waren voor haar de ketelmuziek in de wetenschap. Dat is Frida ten voeten uit. Even zakelijk en nuchter als de tekst van Vasalis boven de rouwannonce: ‘Het werd, het was, het is gedaan’.