In memoriam M.D.J.van der Meer.

H.J.M. Cools
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1995;139:103-4
Download PDF

- Op 2 december jongstleden overleed in 's-Gravenhage M.D.J.van der Meer, rustend sociaal-geneeskundige in de algemene gezondheidszorg en verpleeghuisarts-van-het-eerste uur. Hij werd 85 jaar.

Van der Meer haalde in 1934 zijn artsdiploma aan de Rijksuniversiteit Leiden, waarna hij aldaar huisarts werd en officier van gezondheid bij de Koninklijke Landmacht. Als chef van de Militaire Geneeskundige Dienst Leiden kreeg hij een bijzondere vermelding voor de organisatie van deze dienst tijdens de mobilisatieperiode en de aansluitende oorlog rondom vliegveld Valkenburg.

Van 1941 tot zijn pensionering (1974) was hij in dienst van de Haagse GG&GD. Tijdens de oorlogsjaren was hij wijkarts in de binnenstad ten behoeve van armlastigen. In 1943 nam hij de behandeling van de verpleegden in het R.K. Oudelieden- en Weeshuis over. Tijdens de oorlog redde hij levens met zogenaamde medische indicaties voor een ziekenhuisopname. Na de oorlog maakte hij deel uit van de zuiveringscommissie van de GG&GD. Vanaf 1958 functioneerde hij als hoofd van de afdeling Medisch Maatschappelijk Werk, verantwoordelijk voor het toezicht op en het gebruik van de Haagse verpleeg- en verzorgingshuizen, later uitgegroeid tot de afdeling Geriatrie, Revalidatie en Sociaal-medische zorg.

Van der Meer was een strijdlustige pionier in verpleeghuisgeneeskunde en ambulante (psycho)geriatrie. Al in de oorlogsjaren verzette hij zich tegen nalatigheid in de bejaardenzorg en kende hij aan ouderen dezelfde rechten op geneeskundige zorg toe. Systematisch medisch en psychosociaal onderzoek en decursus legde hij vast in een persoonlijk patiëntendossier en hij behandelde waar mogelijk. Hij haalde bedlegerige ouderen uit bed en toonde aan dat goede voeding een belangrijk revaliderend effect had (Ned Tijdschr Geneeskd 1946;90:1187-92). In een eerste Nederlandse publikatie over de ontwikkeling van de geriatrie in Nederland bepleitte hij een samenhangend geriatrisch zorgcircuit met verzorging thuis als hoofddoel (Tijdschr Soc Geneeskd 1954;32:162-6). Hij stelde dat stoornissen in het huishoudelijk en persoonlijk functioneren voortkwamen uit lichamelijke en (of) verstandelijke problemen en dus steeds medische aspecten vertoonden. Hij werd daarmee een van de grondleggers van de medische indicatiestelling voor intramurale verzorging en verpleging, inclusief de daarbij behorende voor- en nazorg (Tijdschr Soc Geneeskd 1961;39:795-7).

In een landelijk opzienbarend betoog tijdens het nationaal congres inzake het bejaardenvraagstuk in Scheveningen (1956) bepleitte hij zelfstandig functionerende verpleeghuizen met een verplichte eigen revalidatie-uitrusting, naast de ziekenhuizen met hun geriatrische en revalidatieafdelingen; speciale tehuizen voor geestelijk gestoorde bejaarden; en een centrale ambulante geriatrische dienst ter bevordering van een geriatrisch zorgcircuit en ter voorkoming van onnodige opnamen. Hij stelde voor de bedlegerigheid van bejaarden in de ‘opbergtehuizen’ van soms 75 tot ten hoogste 20 terug te brengen door hen tijdelijk in grotere verpleeghuizen te revalideren. Kort daarop nam de Federatie van Verpleeginrichtingen voor Langdurig Zieken het revalideren van bejaarden op in haar doelstellingen.

Mede omdat sedert 1955 de controle op de uitvoering van de gemeentelijke verordening op de verpleeghuizen in zijn handen was, verdwenen de tehuizen met ‘erbarmelijke toestanden’ en had 's-Gravenhage in 1961 het grootste aantal erkende verplegingsbedden van het land, in verhouding tot het aantal inwonende bejaarden. Bij het van kracht worden van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (1968) legde hij in een werkgroep van de Stichting Bouwcentrum Rotterdam met enkele anderen de basis voor de huidige omvang, outillage en organisatie van de verpleeghuizen. Hij waarschuwde dat bij een te kleine capaciteit (minder dan 100 plaatsen) er onvoldoende (para)medische en verpleegkundige staven opgebouwd konden worden en dat dan ook geen opleiding tot en erkenning van de verpleeghuisarts tot stand zouden kunnen komen.

Als gepensioneerde zag hij met genoegen de verpleeghuissector kwalitatief verbeteren en de erkenning van de verpleeghuisarts in 1989. Tot op hoge leeftijd bestudeerde hij de vorderingen in de verpleeghuisgeneeskunde. Nooit uitte hij zich over de vergetelheid waarin zijn aandeel als pionier van de geriatrie buiten het ziekenhuis is geraakt. Hij ontwikkelde zich tot een verdienstelijk schilder, tekenaar en beeldhouwer. Honderden portretten, figuren, landschappen en stillevens sieren de huiskamer van familie, vriend, kennis, ziekenhuis, verpleeghuis, kerk en gemeentehuis.

Een markant, veelzijdig en creatief man is overleden; zijn verpleeghuisgeneeskundig gedachtengoed heeft zijn weg gevonden in de generaties na hem. Ons medeleven gaat uit naar zijn echtgenote (ook verpleeghuisarts) en zijn kinderen (beiden arts) met hun families.

Gerelateerde artikelen

Reacties