Hoe komt auteurschap tot stand? Een onderzoek onder auteurs van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde

Onderzoek
W.P. Hoen
H.C. Walvoort
A.J.P.M. Overbeke
Citeer dit artikel als: Ned Tijdschr Geneeskd. 1998;142:2779-84
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Doel

Vaststellen hoe auteurschap en de volgorde van auteurs tot stand kwam bij schrijvers van oorspronkelijke stukken in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde (NTvG), in relatie tot de criteria voor auteurschap van het International Committee of Medical Journal Editors (ICMJE).

Opzet

Enquête.

Plaats

Redactiekantoor NTvG.

Methode

Aan alle auteurs van oorspronkelijke stukken gepubliceerd in 1995 met 3 of meer auteurs (450 auteurs van 115 artikelen) werd een lijst gestuurd met vragen over de bijdrage van iedere auteur bij de opzet van het onderzoek, het inbrengen van patiënten (materiaal), het verzamelen van de gegevens, de statistische bewerking en het schrijven. De enquête bevatte 23 vragen waarvan 7 over de ICMJE-criteria.

Resultaten

Van de formulieren werden er 362 geretourneerd; 352 konden worden geanalyseerd (78). Het betrof formulieren van 92 eerste, 83 laatste en 177 overige auteurs. De 5 meest positief beantwoorde vragen betroffen ICMJE-criteria: 86 van de auteurs antwoordde de ingezonden versie kritisch gelezen te hebben, 85 keurde de te publiceren versie goed, 75 was betrokken bij de opzet van het onderzoek, 64 bij het bedenken van het onderzoek en 63 bij het (her)schrijven van het artikel; 1 meldde geen enkele bijdrage te hebben geleverd. Gemiddeld gaven auteurs zichzelf op 2 vragen meer een positieve score dan hun medeauteurs hen gaven. Van de respondenten voldeed 64 aan de ICMJE-criteria, terwijl 60 deze criteria niet expliciet kende. Respondenten klaagden erover dat klinisch werk niet met een auteurschap wordt beloond.

Conclusie

De richtlijnen voor auteurschap zijn onvoldoende bekend. In de praktijk wordt er wel goed aan voldaan, maar ze helpen niet bij het vaststellen van de auteursvolgorde.

Inleiding

Zie ook het artikel op bl. 2778.

Onderzoeksgroepen moeten vaak besluiten wie van hen in aanmerking komt voor het auteurschap van een gezamenlijke publicatie en op welke plaats in de rij ieder wordt vermeld. Het laatste decennium is steeds duidelijker geworden dat criteria voor auteurschap en auteursvolgorde zeer verschillend kunnen zijn en kunnen leiden tot onduidelijkheid over wie verantwoordelijk en aanspreekbaar zijn voor de inhoud van een wetenschappelijk artikel. De druk om te publiceren is groot, evenals de verleiding (co)auteur te zijn zonder een substantiële intellectuele bijdrage aan onderzoek en verslaglegging te hebben geleverd.

Enkele opzienbarende gevallen van wetenschappelijke fraude en de grote variatie aan definities van auteurschap brachten het International Committee of Medical Journal Editors (ICMJE, de zogenaamde Vancouver-groep) ertoe in 1985 een eerste verklaring over auteurschap te publiceren.12 Deze ICMJE-criteria stellen over auteurschap: ‘Om auteur te worden genoemd moet men een aanmerkelijke bijdrage hebben geleverd aan (a) ontwerp en opzet, of analyse en interpretatie van gegevens en aan (b) het concept van het artikel of kritische beoordeling van de wetenschappelijke inhoud ervan; en men moet (c) de uiteindelijke te publiceren versie hebben gelezen en goedgekeurd. Aan al deze drie voorwaarden moet zijn voldaan. Alleen deel hebben aan het verkrijgen van financiële steun of het verzamelen van gegevens is onvoldoende om het auteurschap te wettigen. Ook het hebben van de algemene supervisie over de onderzoeksgroep is onvoldoende grond voor het auteurschap.’ Deze regels worden weliswaar gehanteerd door de redacties van meer dan 500 biomedische tijdschriften, waaronder dit tijdschrift, maar ze zouden echter onder onderzoekers en auteurs weinig bekendheid genieten,3 en zouden lang niet altijd worden nageleefd.45

Wij onderzochten met een enquête onder auteurs van oorspronkelijke artikelen in ons tijdschrift hoe hun auteurschap en de volgorde van de auteurslijst tot stand was gekomen.

methode

De oorspronkelijke artikelen met 3 of meer auteurs gepubliceerd in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde (NTvG) in 1995 werden in het onderzoek betrokken. Alle auteurs van deze artikelen kregen een begeleidende brief, een kopie van de eerste bladzijde van hun artikel, een portvrije antwoordenveloppe en een vragenlijst toegestuurd. Hun werd gevraagd de enquête binnen 2 weken te retourneren en zo zorgvuldig mogelijk te antwoorden. Hun anonimiteit werd gegarandeerd en een kleine vergoeding werd in het vooruitzicht gesteld.

Auteurs die meer dan eenmaal voorkwamen in deze artikelenserie werden alleen aangeschreven over het artikel met de meeste auteurs. Van de als onbestelbaar geretourneerde post werd via de beschikbare middelen (telefoonboek, onderzoeksinstituut, faculteit, medeauteurs) getracht het (nieuwe) adres van de desbetreffende auteur te achterhalen. Niet-Nederlandstalige auteurs werden niet aangeschreven. Na 1 maand werd degenen die nog niet gereageerd hadden een herinnering gestuurd.

De enquête bevatte 23 vragen (appendix). De auteurs werd verzocht in de vragenlijst aan te geven door middel van ‘+’, ‘-’ of ‘?’ wat elk had bijgedragen aan de 23 onderdelen. Iedere respondent beoordeelde derhalve zichzelf en al zijn medeauteurs. Het vraagteken gold voor ‘bijdrage onbekend’. De vragenlijst was zodanig opgesteld dat wij vast konden stellen of en in hoeverre de ICMJE-criteria in de praktijk waren toegepast, ongeacht de vraag of de auteurs van deze regels op de hoogte waren.

De vragenlijst werd besloten met open vragen over de volgorde van de auteurslijst, over kennis van de ICMJE-regels aangaande auteurschap en over eventuele bijzondere ervaringen met betrekking tot auteurschap.

De ICMJE-criteria

Iemand voldeed aan deze regels als hij of zij positief antwoordde op vraag 1 en 2 (idee en opzet) of op vraag 14 (analyse), én op vraag 16 (schrijven), 17 (herschrijven) of 18 (kritisch lezen), én op vraag 19 (goedkeuren). De scoringsmethode wordt nader toegelicht bij de resultaten.

Berekeningen

De gegevens werden ingevoerd in het computerprogramma EpiInfo (versie 5.1, WHO, Genève, Zwitserland) en bewerkt met het statistisch softwarepakket SAS (versie 6.12, SAS Institute Inc., Cary, NC, VS). De ingevoerde gegevens werden gecontroleerd en bleken minder dan 1 fouten te bevatten.

resultaten

In 1995 werden in het NTvG 116 oorspronkelijke stukken met 3 of meer auteurs gepubliceerd (tabel 1): uiteindelijk werd aan 450 auteurs een vragenlijst gestuurd.

Respons

Van de vragenlijsten werden 362 (80) geretourneerd. De oorzaken van de non-respons staan in tabel 1. De analyse werd uiteindelijk uitgevoerd met de antwoorden van 352 auteurs (78).

Scores

Van alle vragen werden de door de respondent over zichzelf ingevulde positieve antwoorden opgeteld om te herleiden aan welke onderdelen auteurs in welke frequentie hadden bijgedragen (tabel 2). De 5 meest positief beantwoorde vragen waren 5 van de 7 vragen die de ICMJE-criteria betroffen. Van de respondenten had 83 het manuscript kritisch gelezen en (of) de definitieve versie goedgekeurd, 75 had het onderzoek (mede) opgezet, 64 had het idee geleverd en 63 had bijgedragen aan het herschrijven. De niet-ICMJE-bijdrage die het meest voorkwam, was het inbrengen van de patiënten(gegevens): 57 van de auteurs droeg (volgens henzelf) daaraan bij. Weinig auteurs droegen bij aan het leveren van statistische adviezen, van foto's en figuren, van chemisch en (of) biologisch materiaal of deden het laboratoriumonderzoek. Vier respondenten (1) gaven aan geen enkele bijdrage te hebben geleverd.

Discrepantie met medeauteurs

Per auteur werd het aantal positieve antwoorden dat deze zichzelf gaf, opgeteld; het maximum was 22 omdat vraag 23 (geen bijdrage) buiten beschouwing werd gelaten. Tevens werden de positieve scores opgeteld die ieder van de coauteurs aan de betreffende auteur gaf. Hiervan werd de mediaan genomen (of indien slechts 2 coauteurs hadden gereageerd het gemiddelde). Dit getal werd vervolgens van het eigen totaal afgetrokken, wat een ‘discrepantiescore’ opleverde; deze score kon maximaal +22 en minimaal -22 zijn. Omdat 5 auteurs de enige auteur van hun artikel waren die had gereageerd, was deze bepaling bij hen niet mogelijk. De discrepantiescores bleken volgens een Gauss-curve te zijn verdeeld, met de top op +2. Respondenten scoorden hun eigen bijdrage zelf derhalve systematisch iets hoger dan hun medeauteurs (het 5e en het 95e percentiel scoorden respectievelijk -4 en +8).

De ICMJE-criteria

Van alle 352 respondenten voldeden 224 (64) op grond van hun score op de 22 vragen aan de ICMJE-regels, ongeacht of zij ervan op de hoogte waren of niet. Van de eerste auteurs voldeed 79 aan de regels en van de laatste en tussenliggende auteurs 58. Het percentage auteurs dat aan de regels voldeed, was het laagst bij artikelen met 3 auteurs (58) en het hoogst bij artikelen met 4 auteurs (67). Van de 128 respondenten die volgens hun score op de 22 vragen niet aan deze regels voldeden, waren de belangrijkste bijdragen het kritisch lezen van het manuscript (77), het inbrengen van de patiënten (63), het goedkeuren van de definitieve versie (58), het verzamelen van gegevens (53) en patiëntenzorg (51).

Vervolgens bepaalden wij hoe vaak auteurs die volgens hun score op de 22 vragen voldeden aan de ICMJE-regels hier volgens de antwoorden van hun coauteurs niet aan voldeden, waarbij alleen het antwoord ‘-’ in aanmerking werd genomen. Als een auteur van (een van) de coauteurs op vraag 1 of 2 én op vraag 14 een ‘-’ kreeg, of op vraag 16 én 17 én 18, of op vraag 19, dan voldeed hij daarmee volgens deze coauteur niet aan de ICMJE-criteria. Bij 4 auteurs was deze bepaling niet mogelijk, omdat zij van hun artikel de enige auteur waren die de vragenlijst had geretourneerd. Voor 46 van de 220 auteurs (21) gaf de uitslag van meer dan de helft van de coauteurs aan dat zij niet aan de criteria voldeden. Van deze 46 gaven 19 (41) zelf aan de regels wel en 27 (59) ze niet te kennen.

Volgorde van de auteurs

De meeste respondenten antwoordden op deze open vraag dat deze volgorde niet door hen was bepaald. De eerste auteur was meestal een jonge onderzoeker. De supervisor stond meestal als laatste auteur, soms als tweede. De plaatsen daartussen werden verdeeld naar mate van betrokkenheid, tijd, hoeveelheid werk dat in het onderzoek was gestoken; of de volgorde was alfabetisch, willekeurig of door loting bepaald. Sommige onderzoekscentra hanteerden huisregels. Ervaren auteurs gaven aan dat men door vooraf met alle medewerkers het auteurschap en de volgorde in de auteurslijst te bespreken (en de uitkomst schriftelijk vast te leggen) zichzelf discussies achteraf kon besparen.

Bekendheid van de ICMJE-criteria

Van de 352 respondenten lieten 14 deze vraag onbeantwoord, van de overige 338 auteurs meldden 202 (60) de regels niet te kennen. Van de eerste auteurs kende 61 ze niet, van de laatste 44, van de tussenliggende 66. Bij 70 van de artikelen had minimaal 1 auteur ingevuld de criteria te kennen.

De meeste respondenten vermeldden dat auteurschap en volgorde niet zonder problemen tot stand waren gekomen (tabel 3). Ergernis en meningsverschillen werden vaak veroorzaakt doordat klinisch-werk-alleen volgens de ICMJE-regels (en vaak ook in de praktijk) niet voldoende is voor auteurschap. Soms vond men auteurschap een aanvaardbare mogelijkheid om personen te danken voor hun bijdrage in de uitvoering en (of) het publiceren van de resultaten van het onderzoek. Ook het tegenovergestelde werd gemeld: het niet-noemen van medewerkers die veel hadden bijgedragen. Slechts een enkeling meldde dat het bepalen van auteurschap ‘vanzelfsprekend en probleemloos’, ‘in goede onderlinge samenwerking’ tot stand kwam.

Dubbelpublicaties

Van 14 van de 352 artikelen stond in een voetnoot vermeld dat de gegevens al eerder elders gepubliceerd waren. Daarvan stonden 5 artikelen in algemene tijdschriften (The Lancet, British Medical Journal, Tidsskrift for den Norske Laegeforening, en Journal of the American Medical Association (n = 2)), de overige in specialistische tijdschriften. De dubbelpublicaties hadden gemiddeld meer auteurs dan de overige artikelen. Van de 68 auteurs van dubbelpublicaties werden er 50 aangeschreven, van wie 34 (68) reageerden. Bij analyse vielen 5 auteurs af wegens een artikel met meer dan 6 auteurs, zodat er 29 overbleven. Het percentage auteurs van de dubbelpublicaties die volgens hun eigen antwoorden voldeden aan de ICMJE-criteria, was vrijwel gelijk aan dat in de overige publicaties (respectievelijk 62 en 64). Ook het percentage dat aangaf deze regels niet te kennen verschilde nauwelijks (57 bij de dubbelpublicaties, 60 bij de overige artikelen).

beschouwing

Deze enquête had een respons van 78 en er was een geringe discrepantie tussen de antwoorden van de respondenten en hun coauteurs (gemiddeld gaf iedere auteur zichzelf 2 positieve antwoorden meer dan hij of zij kreeg van de medeauteurs). Daarom achten wij de resultaten goed interpreteerbaar. Omdat de resultaten van auteurs van dubbelpublicaties behoudens de respons (68 versus 78) ten opzichte van die van de overige auteurs niet verschilden en omdat de meeste Nederlandse auteurs ook in internationale tijdschriften publiceren, kunnen de uitkomsten ook gelden voor Nederlandse auteurs die in andere tijdschriften publiceren dan het NTvG, met name in Engelstalige tijdschriften.

Bijdragen aan de artikelen

Opvallend was dat 5 van de 7 ICMJE-criteria het hoogst scoren (zie tabel 2). Dit waren de intellectuele bijdragen, te weten het idee voor en het opzetten van het onderzoek en het kritisch lezen, het herschrijven en het goedkeuren van de verslaglegging. De twee andere criteria, het schrijven van de eerste versie en het doen van statistische analyse, werden door aanmerkelijk minder respondenten vermeld. Meer dan de helft van de respondenten droeg bij aan of deed de bij het onderzoek behorende praktische verrichtingen, zoals het inbrengen van patiënten of onderzoeksmateriaal, het verrichten van een pilotonderzoek en het verzamelen van gegevens en het coördineren hiervan. Vier auteurs verklaarden geen enkele bijdrage te hebben geleverd; dit is een probleem dat reeds eerder werd gesignaleerd.3-6

De ICMJE-criteria

Van de auteurs voldeed 64 op grond van hun score aan deze criteria ongeacht hun kennis van deze regels (minstens 60 van de respondenten kende ze niet). De medeauteurs van deze respondenten vonden dat 21 niet aan deze regels voldeed. Van deze 46 auteurs meldden 19 (41) de regels wel te kennen, de overigen kenden ze niet. Uiteindelijk voldeden van de auteurs die de regels zeiden te kennen er ongeveer evenveel (66) aan deze regels als van degenen die zeiden ze niet te kennen (62). Kennelijk zijn de ICMJE-regels logisch of correleren ze met goed maatschappelijk gedrag, maar ze zijn weinig bekend. Bij expliciete navraag vonden vele auteurs ze te streng.

Van de respondenten voldeed in de praktijk 93 aan tenminste 2 van de 3 voorwaarden. Het grootste probleem betrof het niet waarderen van het klinisch werk. Het inbrengen van patiënten en de zorg voor hen vormden volgens vele respondenten een gegronde reden voor auteurschap. De meeste ondervraagden waren clinici, geen statistici of onderzoekers.

Met auteurslijst en -volgorde maken auteurs aan de redacties en aan de lezers van wetenschappelijke tijdschriften duidelijk wie waarvoor verantwoordelijk en aanspreekbaar is en wat ieders bijdrage is geweest aan het gepubliceerde onderzoek. Het is de verantwoordelijkheid van de redacties een systeem te creëren waarin auteurs de waarde van hun bijdrage aan een publicatie vertaald zien in de erkenning van hun prestaties door lezers en medeauteurs. Met het toenemen van het aantal wetenschappelijke publicaties en van het aantal auteurs per artikel, evenals van de dwang om te publiceren, lijkt de ‘strijd’ om het auteurschap en de auteursvolgorde verhard te zijn. De onwetendheid van de lezers over wie wat heeft gedaan, is echter alleen maar toegenomen. Daarom is de discussie over auteurschap, volgorde van auteurs en de behoefte te weten wie waarvoor verantwoordelijk is, onlangs opgelaaid. In juni 1996 werd in Nottingham onder auspiciën van de ICMJE een conferentie gehouden over dit onderwerp.7-9

Aanbevelingen

Ons onderzoek laat enerzijds zien dat de richtlijnen voor auteurschap en volgorde van auteurs niet algemeen geaccepteerd worden, en anderzijds dat de ICMJE-criteria in principe niet slecht zijn, maar onvoldoende bekendheid genieten en deels naast de praktijk staan. Daarom bevelen wij aan de bekendheid van deze regels te verbeteren, ze meer aan te laten sluiten bij de praktijk, omdat voldoen aan alledrie de voorwaarden niet altijd mogelijk is (klinisch werk wordt bijvoorbeeld niet beloond) en ze uit te breiden met richtlijnen voor de volgorde van auteurs. Een bruikbaar alternatief kan de ‘aftiteling’ zijn, zoals voorgesteld door Rennie,7-9 waarin naast de goedkeuring (verantwoordelijkheid en aanspreekbaarheid) ook het denk-, doe- en schrijfwerk apart worden verantwoord.

Hoe een eventuele verandering er ook uit zal gaan zien, het leveren van een substantiële bijdrage aan een wetenschappelijk artikel blijft een rekbaar begrip, dat door iedereen naar believen ruim of krap te interpreteren is. Een verandering in mentaliteit is dan ook voorwaarde een vernieuwing te doen slagen.

Wij danken prof.dr.J.Vandenbroucke, klinisch epidemioloog te Leiden, voor zijn adviezen en drs.A.J.M.de Craen, klinisch epidemioloog te Amsterdam, voor de statistische analyse.

Literatuur

  1. International Committee of Medical Journal Editors.Guidelines on authorship. Br Med J (Clin Res Ed) 1985;291:722.

  2. International Committee of Medical Journal Editors.Uniform requirements for manuscripts submitted to biomedical journals. AnnIntern Med 1997;126:36-47.

  3. Bhopal R, Rankin J, McColl E, Thomas L, Kaner E, Stacy R,et al. The vexed question of authorship: views of researchers in a Britishmedical faculty. BMJ 1997;314:1009-12.

  4. Shapiro DW, Wenger NS, Shapiro MF. The contributions ofauthors to multiauthored biomedical research papers. JAMA1994;271:438-42.

  5. Goodman NW. Survey of fulfillment of criteria forauthorship in published medical research. BMJ 1994;309:1482.

  6. Slone RM. Coauthors' contributions to major paperspublished in the AJR: frequency of undeserved coauthorship. Am J Roentgenol1996;167:571-9.

  7. Godlee F. Definition of ‘authorship’ may bechanged. BMJ 1996; 312:1501-2.

  8. CBE Views 1997;20:118-41.

  9. Rennie D, Yank V, Emanuel L. When authorship fails. Aproposal to make contributors accountable. JAMA1997;278:579-85.

Auteursinformatie

Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, Postbus 75971, 1070 AZ Amsterdam.

Mw.W.P.Hoen, arts-stagiair; dr.H.C.Walvoort, wetenschappelijk eindredacteur; dr.A.J.P.M.Overbeke, uitvoerend hoofdredacteur.

Contact mw.W.P.Hoen

Reacties