Googelen en twitteren
Open

Redactioneel
26-06-2009
Joost Zaat

Wat doe je als je niet weet wat een patiënt heeft? Doen alsof je het wel weet, is soms een verleidelijke optie, maar niet altijd de beste; zoeken is een betere.

Tot voor kort bladerde je eens in een – meestal oud – leerboek of een boekje met differentiaaldiagnosen, of je belde een collega of een specialist. Coassistenten keken en kijken nog in hun opschrijfboekje en sommigen raadplegen hun pda. Elektronische formularia in het huisartseninformatiesysteem of op internet helpen bij simpele en soms iets minder simpele vragen over geneesmiddelen. In Pubmed, SUMSearch en Cochrane kun je achtergrondinformatie en veelal therapeutisch onderzoek redelijk vinden en richtlijnen helpen je bij een steeds groter aantal onderwerpen.

Allemaal prachtig, maar dat is nog steeds niet genoeg. Veel vragen passen niet in een hokje, lang niet altijd zijn deskundigen snel voorhanden en soms heb je kennis nodig die gewoon nog niet is ‘neergeslagen’. Google als diagnosticum, een deel van onze lezers zal er mogelijk van gruwen. Hoe kan een niet gecontroleerd medium, bestaand uit open internetpagina’s, nu zinvolle informatie bieden? Dat is natuurlijk een probleem, maar in veel gevallen gaat het helemaal niet om evidence-based vragen naar de diagnostische waarde van tests of de effectiviteit van een bepaald middel. Ik wil vaak een idee hebben in welke richting ik moet denken. Vragen en antwoorden zijn dan te vergelijken met niet helemaal precieze coördinaten op de kaart. Ze helpen me weer op bekend terrein te komen. Darius Soonawala laat zien dat je met een paar muisklikken een probleem kunt oplossen (bl. 1284). Gevaarlijk? Nee, we moeten alleen leren wanneer we dit soort technieken kunnen gebruiken en welke waarde de uitslag heeft. Dat is met een labtest niet anders en dat hebben we ook allemaal geleerd.

Artsen lopen niet voorop bij het integreren van nieuwe media in hun werk. De nieuwe ‘community’ van de BMJ, doc2doc, heeft 2 maanden na introductie slechts een handvol Nederlandse deelnemers en er zijn nog maar weinig twitterende artsen. Twitter is als miniblog nu voornamelijk nog gericht op sociale netwerken en wordt vooral gebruikt door ijdeltuiten. Toch zijn er al toepassingen binnen de zorg (http://careers.bmj.com/careers/advice/view-article.html?id=20000214). Het is bijvoorbeeld mogelijk om ziekteuitbraken te signaleren op basis van de twittergesprekken over ziekten in een bepaalde stad (http://sickcity.org/). Het zou toch mooi zijn als u straks antwoord kunt geven op de vraag van de patiënt: ‘Heerst er iets?’ ‘Jawel, maar niet hier…’

Spreekkamers zonder internet, ze zouden niet meer mogen bestaan.