Artikel
Inleiding
Het wettelijke tuchtrecht is in principe een belangrijk instrument om de kwaliteit van de Nederlandse gezondheidszorg te bewaken. Burgers spelen hierbij een essentiële rol. Zij dienen namelijk het grootste deel van de klachten in die door Nederlandse tuchtcolleges worden behandeld. Het aantal door de Inspectie voor de Gezondheidszorg ingediende…




Noot van de auteur - artikel op persoonlijke titel
Bij dit artikel staat mijn huidige werkgever, de Inspectie voor de Gezondheidszorg, vermeld. Het artikel heb ik echter op persoonlijke titel geschreven (als nevenactiviteit) en de opvattingen in het artikel zijn dus niet de opvattingen van de inspectie. Het artikel komt voort uit mijn proefschrift over het tuchtrecht, al zijn de data ná promotiedatum opnieuw verzameld. Mijn promotieonderzoek heb ik destijds uitgevoerd bij het EMGO+ Instituut van het VU Medisch Centrum.
Erik Hout
De burger als klager in het tuchtrecht voor de gezondheidszorg
De conclusie van de onderzoekers is dat door onwetendheid en gebrek aan vertrouwen de burger onvoldoende gebruik maakt van het medisch tuchtrecht als een door de wetgever ingesteld instrument voor beroep. Als burger had ik wel de weg naar het tuchtcollege gevonden om een tuchtzaak te voeren tegen mijn psychiater. Mijn ervaringen vond ik echter niet terug in het onderzoek, namelijk dat de kwaliteit van het tuchtrecht begint bij een betrouwbare samenstelling van het tuchtcollege. Het driekoppige college bij mijn zaak was onvoldoende ter zake deskundig: de voorzitter was jurist, de bijzitters waren een chirurg en psychiater. Mijn psychiater had zich aantoonbaar niet volgens de gedragscode gedragen met onder meer een intieme privérelatie die ontluisterend was. Zeven jaar lang werd gesjoemeld en daarmee schade berokkend, was valsheid in geschrifte en fraude gepleegd, waren op basis van foutieve informatie declaraties en jaarkaarten ingediend en gehonoreerd voor bijna een ton. Het begrip ‘klassenjustitie’ drong zich dan ook onmiddellijk aan mij op, nadat de klachten onterecht werden bevonden, terwijl de psychiater valse verklaringen had afgelegd en ten tijde van de tuchtzaak al voor een deel arbeidsongeschikt was verklaard. Al kan men in eerste aanleg zonder juridische bijstand een klacht indienen, in tweede aanleg voor het hoger beroep moet wel een advocaat worden ingeschakeld. Destijds ben ik daarom na de onterechte uitspraak niet in hoger beroep gegaan wegens de financiële belasting, maar heb ik een boek “Quadrille of de tragiek van de psychiater” geschreven in de hoop daarmee het tuchtrecht te verbeteren.
Yoka van Brummelen, auteur, Stichting Koya-Arts