De standaard 'Otitis media met effusie' (tweede herziening) van het Nederlands Huisartsen Genootschap; reactie vanuit de kno-heelkunde

Opinie
J.A.M. Engel
H.P. Verschuur
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2006;150:2015-7
Abstract

Zie ook de artikelen op bl. 2013, 2028 en 2033.

In de samenvatting van de herziene standaard ‘Otitis media met effusie’ van het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) (http://nhg.artsennet.nl) wordt vermeld dat deze aandoening veel voorkomt in zowel de eerste als de tweede lijn.1 Meer dan 80 van de kleine kinderen heeft één of meer episoden van otitis media met effusie doorgemaakt, zelfs al vóór het 2e levensjaar.2 De aandoening heeft dus alle kenmerken van een volksziekte; daarom is er de afgelopen decennia zoveel over gepubliceerd in vakbladen en in de populaire media.

Het NHG heeft in zijn herziene standaard getracht een correcte samenvatting te geven van de huidige stand van de kennis. In het algemeen is dat goed gelukt. Op een aantal punten echter verschillen wij met de schrijvers van de standaard van mening; dit is deels te verklaren doordat huisartsen en kno-artsen op uiteenlopende manieren…

Auteursinformatie

Canisius-Wilhelmina Ziekenhuis, afd. Keel-, Neus- en Oorheelkunde, Nijmegen.

Hr.dr.J.A.M.Engel, kno-arts.

Medisch Centrum Haaglanden, locatie Westeinde, afd. Keel-, Neus- en Oorheelkunde en Heelkunde van het Hoofd-halsgebied, Postbus 432, 2501 CK Den Haag.

Hr.dr.H.P.Verschuur, kno-arts.

Contact hr.dr.H.P.Verschuur (h.verschuur@mchaaglanden.nl)

Heb je nog vragen na het lezen van dit artikel?
Check onze AI-tool en verbaas je over de antwoorden.
ASK NTVG

Ook interessant

Reacties

Utrecht, september 2006,

De kno-artsen Engel en Verschuur plaatsen een aantal kanttekeningen (2006:2015-7) bij de door ons samengevatte tweede herziening van de NHG-standaard ‘Otitis media met effusie’ (2006:2028-32). Zij geven aan dat huisartsen veelal niet over de instrumenten en vaardigheden beschikken om goede diagnostiek te bedrijven. De pneumatische otoscoop wordt in Nederland in zowel de huisarts- als de kno-praktijk inderdaad weinig gebruikt. Tympanometrie daarentegen is in de huisartspraktijk goed uitvoerbaar en wordt in veel praktijken toegepast. De sensitiviteit, specificiteit en positief voorspellende waarde van tympanometrie zijn respectievelijk 81, 75 en 91%; deze waarden zijn een fractie lager dan die van pneumatische otoscopie. Eerder onderzoek heeft bovendien aangetoond dat ook veel kno-artsen op basis van uitsluitend het otoscopisch beeld besluiten om een kind al dan niet te behandelen.1

Kinderen bij wie een perceptief gehoorverlies wordt vermoed op basis van de neonatale gehoorscreening, worden direct doorverwezen naar een audiologisch centrum. Dit is een gevolg van het convenant tussen kno-artsen, audiologen, audiciens en patiëntenorganisaties (zie ook de NHG-standaard ‘Slechthorendheid’; http://nhg.artsennet.nl). De keuze voor deze directe verwijzing is gebaseerd op de sterk verbeterde testeigenschappen van de neonatale gehoorscreening ten opzichte van de eerder gebruikte ewingtest of ‘Compacte Amsterdamse paedo-audiometrische screening’ (CAPAS) op de leeftijd van 9 maanden.

Eenduidig bewijs voor de beste behandeling van een loopoor na plaatsing van trommelvliesbuisjes ontbreekt tot op heden. Volgens een recent geüpdatete cochrane-meta-analyse zijn oordruppels effectiever dan orale antibiotica (oddsratio: 0,46; 95%-BI: 0,30-0,69) bij het chronische loopoor, maar in dit onderzoek kon geen onderscheid gemaakt worden tussen kinderen met een perforatie na een acute oorontsteking en kinderen met trommelvliesbuisjes.2 In een klein gerandomiseerd onderzoek bij 66 kinderen met een loopoor na plaatsing van trommelvliesbuisjes bleek amoxicilline-clavulaanzuur echter het effectiefst.3 Bewijs voor de waarde van een afwachtend beleid bij kinderen met otitis media met effusie is onzes inziens wel degelijk aanwezig. Zo laten Lous et al.4 in een meta-analyse zien dat het positieve effect van trommelvliesbuisjes op het gehoor gedurende het eerste jaar afneemt en dat er op lange termijn geen positief effect op de taalontwikkeling waarneembaar is. Zij concluderen dan ook dat bij de meeste kinderen met otitis media met effusie een afwachtend beleid gerechtvaardigd is. Bovendien blijken kinderen met trommelvliesbuisjes een 3 keer zo grote kans op tympanosclerose te hebben als kinderen bij wie een afwachtend beleid toegepast is.4 Wij zijn het echter met Engel en Verschuur eens dat controle van kinderen met otitis media met effusie noodzakelijk blijft, waarbij de huisarts inderdaad het gedrag en de taalontwikkeling goed moet blijven observeren.

L.J. Boomsma
M.M. Rovers
F.A.M. van Balen
Tj. Wiersma
A.N. Goudswaard
Literatuur
  1. Herberts E. Diagnostiek en behandeling van OME in de KNO-praktijk. Stageverslag 1997. Nijmegen: Universitair Medisch Centrum St Radboud; 1997.

  2. Acuin J, Smith A, Mackenzie I. Interventions for chronic suppurative otitis media [Cochrane review]. Cochrane Database Syst Rev. 2005;(2):CD000473.

  3. Ruohola A, Heikkinen T, Meurman O, Puhakka T, Lindblad N, Ruuskanen O. Antibiotic treatment of acute otorrhea through tympanostomy tube: randomized double-blind placebo-controlled study with daily follow-up. Pediatrics. 2003;111(5 Pt 1):1061-7.

  4. Lous J, Burton MJ, Felding JU, Ovesen T, Rovers MM, Williamson I. Grommets (ventilation tubes) for hearing loss associated with otitis media with effusion in children [Cochrane review]. Cochrane Database Syst Rev. 2005;(1):CD001801.

Den Haag, september 2006,

De voorafgaande reactie van collegae Boomsma et al. en de eerdere reactie van collegae Mazel en Drijber (2006:2013-4) vragen toch weer om enig weerwoord van de kant van de kno-heelkunde. Er wordt gesteld dat tympanometrie in de huisartspraktijk goed uitvoerbaar is en in veel praktijken wordt toegepast. Hierbij dient toch de kanttekening te worden gemaakt dat de huisarts de testresultaten niet altijd goed interpreteert: slechts in 74% van de gevallen geeft de huisarts een bevredigende tot perfecte interpretatie van het tympanogram.1 Boomsma et al. kennen een hoge sensitiviteit en specificiteit toe aan tympanometrie. Deze cijfers zijn echter van toepassing op de interpretatie door geoefende audiometristen. Het is inderdaad waar dat veel kno-artsen op basis van uitsluitend het otoscopisch beeld besluiten om een kind al dan niet te behandelen. Er mag verwacht worden dat het onderzoek in de kno-praktijk een hogere diagnostische waarde (sensitiviteit en specificiteit) heeft dan het onderzoek in de huisartspraktijk omdat de kno-arts – na eventuele microscopische oorreiniging – veelal een nauwkeuriger, microscopisch beeld verkrijgt van het trommelvlies en/of het middenoor.

Voor de behandeling van otorroe bij trommelvliesbuisjes verwijzen wij naar de bespreking van een zeer recente cochrane-review.2 Daarin heeft lokale behandeling van otorroe de voorkeur boven systemische behandeling. Vooralsnog heeft tympanosclerose geen klinisch relevante implicaties; het gehoorverlies hierdoor wordt geschat op gemiddeld niet meer dan 2-4 dB.3 Een duidelijk antwoord op ons belangrijkste bezwaar tegen een te afwachtend beleid hebben wij echter niet van de kant van de huisartsen gehoord. Waarom hebben kinderen met een gehoorverlies van 20-30 dB geen recht op verlichting van deze klacht? Zij hebben daar toch last van, net als volwassenen? Niet het al dan niet voorkómen van een spraak- en taalachterstand op lange termijn is het belangrijkste, maar het welzijn van kinderen.4

J.A.M. Engel
H.P. Verschuur
Literatuur
  1. Balen FAM van. Otitis media with effusion in general practice: a diagnostic and therapeutic study in children aged 6 months to 6 years [proefschrift]. Utrecht: Universiteit Utrecht; 1995. p. 143.

  2. Hamerlynck JVThH, Benthem PPG van, Scholten RJPM. Uit de Cochrane Library: lokale toepassing van antibiotica effectiever dan systemische voor de behandeling van chronische otitis media met geperforeerd trommelvlies en purulente afscheiding. [LITREF JAARGANG="2006" PAGINA="2033-5"]Ned Tijdschr Geneeskd. 2006;150:2033-5.[/LITREF]

  3. Schilder AGM. Long-term effects of otitis media with effusion in children [proefschrift]. Nijmegen: Katholieke Universiteit Nijmegen; 1993. p. 61.

  4. Engel JAM, Anteunis LJC, Hendriks JJT. Treatment with grommets in the Netherlands. Incidence in children from birth to 12 years. In: Tos M, Thomsen J, Balle V, editors. Otitis media today. Proceedings of the third extraordinary symposium on recent advances in otitis media. Den Haag: Kugler; 1999. p. 451-5.

A.M.
Oudesluys-Murphy

Leiden, september 2006,

Collegae Engel en Verschuur gaven vanuit de kno-heelkunde een reactie op de NHG-standaard ‘Otitis media met effusie’ (tweede herziening) (2006:2015-7). In hun artikel merken zij op dat wanneer bij de neonatale gehoorscreening een (perceptief) gehoorverlies wordt vermoed, een kno-arts eerst andere oorzaken van gehoorverlies dient uit te sluiten ‘voordat de ouders met het kind in het langdurige en kostbare traject bij een audiologisch centrum terechtkomen’.

In verband hiermee willen wij toelichten waarom er bij het invoeren van de neonatale gehoorscreening voor gekozen is kinderen direct naar een audiologisch centrum te verwijzen wanneer er geen normale screeningsuitkomst is. Neonatale gehoorscreening is geïntroduceerd om kinderen met congenitaal permanent gehoorverlies zo vroeg mogelijk op te sporen. Uit onderzoek is gebleken dat het beginnen met interventies (gezinsbegeleiding, hoortoestellen, cochleaire implantaties et cetera) vóór de leeftijd van 6 maanden een gunstig effect heeft op de spraak- en taalontwikkeling.1 2 Daartoe dient de neonatale gehoorscreening, die bestaat uit 3 screeningsronden, voltooid te zijn vóór de leeftijd van 6 weken. Wanneer een kind bij beide oren geen normale screeningsuitkomst heeft, wordt het binnen 3 weken na de screening in een audiologisch centrum onderzocht.3 Alleen op deze manier is het mogelijk om met de interventies te beginnen vóór het kind een half jaar oud is.

Omdat de kinderen gescreend worden in de eerste levensweken, is de prevalentie van bovensteluchtweginfecties en geleidingsslechthorendheid veel lager dan bij de kinderen die gescreend werden met behulp van de ewingtest of de CAPAS-methode. Minder dan 0,5% van de gescreende kinderen wordt doorverwezen. Met de ewingtest of de CAPAS-methode werden de kinderen gescreend vanaf de leeftijd van 9 maanden en van hen werd 5% doorverwezen. Zoals Theunissen in 2000 aangaf, werd na een onvoldoende screeningsuitslag lang niet altijd aansluitend diagnostiek verricht.4 Hierdoor was het kind vaak 18 maanden of ouder voordat de diagnose ‘(perceptief) gehoorverlies’ gesteld werd.

Juist tegen deze achtergrond is het huidige beleid na neonatale gehoorscreening opgesteld. De kinderen met gehoorverlies zullen gezien worden door een kno-arts, maar de rechtstreekse verwijzing naar het audiologisch centrum dient men te handhaven om het proces niet te vertragen.

A.M. Oudesluys-Murphy
J. Meuwese-Jongejeugd
Literatuur
  1. Yoshinaga-Itano C, Sedey AL, Coulter DK, Mehl AL. Language of early- and later-identified children with hearing loss. Pediatrics. 1998;102:1161-71.

  2. Yoshinaga-Itano C, Coulter D, Thomson V. Developmental outcomes of children with hearing loss born in Colorado hospitals with and without universal newborn hearing screening programs. Semin Neonatol. 2001;6:521-9.

  3. Protocol neonatale gehoorscreening. Clusterinhoud JGZ. Bunnik: Landelijke Vereniging voor Thuiszorg; 2002.

  4. Theunissen EJJM. De screening van het gehoor bij kinderen tot 18 maanden oud. [LITREF JAARGANG="2000" PAGINA="589-93"]Ned Tijdschr Geneeskd. 2000;144:589-93.[/LITREF]

H.P.
Verschuur

Den Haag, november 2006,

Wij zijn het met collegae Oudesluys-Murphy en Meuwese-Jongejeugd eens dat indien er bij de neonatale screening afwijkingen zijn gevonden, men de aanvullende diagnostiek binnen een aantal weken moet voltooien om binnen het eerste halfjaar te kunnen interveniëren. In de praktijk kan dat het snelst op een kno-afdeling die over een adequate diagnostische infrastructuur beschikt. Indien deze diagnostiek daar niet mogelijk is, is er over het algemeen een goede samenwerking met het lokale audiologisch centrum. Aldaar kan neonatale gehoordiagnostiek binnen een aantal weken plaatsvinden. Kno-artsen en audiologische centra hebben hetzelfde doel en concurreren niet met elkaar, maar vullen elkaar aan. De lokale situatie zal gewoonlijk bepalen waar het kind het eerst gezien wordt. Wij hebben slechts gewezen op het kostbare en langdurige traject binnen het audiologisch centrum, waar 99,5% van de (goed horende) patiëntjes anders in terechtkomt.

H.P. Verschuur

Lelystad, oktober 2006,

Bij het lezen over de herziene NHG-standaard ‘Otitis media met effusie’, samengevat door Boomsma et al. (2006:2028-32), viel mij op dat een vergrote neusamandel als oorzaak van problemen geaccepteerd is. De opvatting dat een vergroot adenoïd ook een symptoom zou kunnen zijn van de vicieuze cirkel die ontstaat bij habitueel met open mond ademen, heeft veel minder aanhangers. Vooral voor huisartsen en consultatiebureauartsen lijkt verder onderzoek gewenst om meer evidence in dezen te verkrijgen. In feite luidt de vraag wat de oorzaak is van de kinderverkoudheden en wat de zin is van de mogelijke behandelingen.

W.J.J.C. Kok