De betekenis van de aspiratiecytologie voor de diagnostiek van maligne tumoren

Klinische praktijk
D.I. Blonk
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1987;131:269-73

Inleiding

Onder aspiratiecytologie (punctiecytologie) wordt verstaan onderzoek van celmateriaal verkregen door middel van punctie en aspiratie met een dunne naald (uitwendige diameter 0,6 tot 0,8 mm). De methode is niet nieuw. De eerste beschrijving van diagnostische puncties zou zijn gegeven door de Zwitser Lebert in 1851.1 De ontwikkeling van de methode hebben wij hoofdzakelijk te danken aan hematologisch georiënteerde clinici, zoals Mannheim in Duitsland, die in de dertiger jaren de grondslag heeft gelegd en, na de Tweede Wereldoorlog, aan Söderström en Franzén in Zweden en, in Nederland, aan P.Lopes Cardozo.2 De punctiecytologie werd door deze pioniers als een ‘kunst’ uitgevoerd. Dit had als bezwaar dat de diagnostische vaardigheid moeilijk overdraagbaar was. Hierin is verandering gekomen door het werk van Zajicek, die de cytologische beelden heeft gedefinieerd en het gehele gebied van de aspiratiecytologie heeft beschreven in twee monografieën.3 De aspiratiecytologie is nu opgenomen in het arsenaal van…

Auteursinformatie

Dr.Daniel den Hoed KliniekRotterdamsch Radio-Therapeutisch Instituut, afd. Cytologie, Postbus 5201, 3008 AE Rotterdam.

Dr.D.I.Blonk, internist.

Verbeteringen
Heb je nog vragen na het lezen van dit artikel?
Check onze AI-tool en verbaas je over de antwoorden.
ASK NTVG

Ook interessant

Reacties

Venlo, februari 1987,

Met veel interesse hebben wij het artikel van collega Blonk gelezen (1987;269-73). Wij zouden commentaar willen geven op het gedeelte dat betrekking heeft op de schildklier. Collega Blonk stelt dat er zowel bij de folliculaire carcinomen als bij de folliculaire adenomen sprake is van een kwaadaardig gezwel. Misschien bedoelt hij dat er sprake is van een folliculair gezwel in beide gevallen. Tevens wekt hij de indruk dat het percentage gemiste carcinomen zou dalen van 10 á 20 naar 1,5 door het afzonderen van een high risk-groep, die onafhankelijk van de uitslag van het cytologisch onderzoek wordt geopereerd. De genoemde 10 à 20% betreft echter het percentage fout-negatieve uitslagen van het cytologisch onderzoek en niet het percentage gemiste carcinomen. Dit percentage blijkt 4 te zijn, hetgeen wij uiteen zullen zetten. In de consensus-bijeenkomst van januari 1985 zijn twee benaderingswijzen voorgesteld.1 Deze worden in de volgende 2 x 2-tabellen kort samengevat. We gaan hierbij uit van 100 patiënten, een sensitiviteit van 80% en een specificiteit van 98% bij het cytologisch onderzoek.

Methode A: Operatie volgt alleen op basis van een positieve uitslag van cytologisch onderzoek. De kans op carcinoom is 20%.

Conclusie: Bij 4 van de 100 patiënten (4%) wordt een carcinoom gemist.

Methode B: 25 patiënten met verhoogd risico worden zonder meer geopereerd, van hen heeft de helft een carcinoom. Bij de overige 75 (groep met normaal risico; kans op carcinoom 10%) volgt al dan niet halsexploratie.

Conclusie: Bij 1,5 van de 100 patiënten (1,5%) wordt een carcinoom gemist.

Onze eindconclusie is dan ook dat de winst van methode B ten opzichte van methode A 4% – 1,5% = 2,5% is, ervan uitgaande dat men 1O à 20% van de schildkliercarcinomen mist bij cytologisch onderzoek. Deze 10 à 20% blijkt de laatste jaren met name in de Engelse en Scandinavische literatuur al afgenomen te zijn tot 6 à 8%,23 waardoor men zonder het afsplitsen van een groep met verhoogd risico al een percentage van 1,4 krijgt voor het aantal gemiste carcinomen.

Y.F. Heijdra
P.F. Verhagen
Literatuur
  1. Hennemann G, Snoek JA van der. Consensus-bijeenkomst diagnostiek solitaire nodus in de schildklier. [LITREF JAARGANG="1985" PAGINA="1878-82"]Ned Tijdschr Geneeskd 1985; 129: 1878-82.[/LITREF]

  2. Anderson JB, Webb AJ. Fine-needle aspiration biopsy for the diagnosis of thyroid cancer. Br J Surg 1986; 73: 1025.

  3. Löwhagen T, Granberg PO, Lurdell G. Aspiration Biopsy Cytology (ABC) in nodules of the thyroid gland suspected to be malignant. Surg Clin N Am 1979; 59: 3-18.

Rotterdam, maart 1987,

Ik ben blij met de aandacht die collega Heydra en Verhagen aan mijn artikel hebben willen schenken en met hun reacties hierop.

In de eerste plaats het kwaadaardige gezwel. Dit bleek een onterechte verandering te zijn van het woord neoplasma, die op het redactiekantoor was aangebracht. De verbetering is inmiddels gepubliceerd (1987;512).

In de tweede plaats de percentages in het artikel betreffende de consensus-bijeenkomst over de diagnostiek van de solitaire nodus in de schildklier. Ik heb helaas een fout gemaakt bij het refereren van dit artikel. Voor mij is het normaal om het resultaat van het cytologisch onderzoek te berekenen op het totale aantal carcinomen en niet op het totale aantal onderzochte patiënten of, zoals in dit artikel gebeurde, op het aantal patiënten met een koude nodus. Gaat men uit van de patiënten met een koude nodus, dan wordt inderdaad met methode A bij 4% van de patiënten een carcinoom gemist en met methode B bij 1,5%. Volgens mijn berekening, uitgaande van de carcinomen en niet van het aantal patiënten, wordt bij methode A 20% van de carcinomen gemist en bij methode B 7,5%. Hierbij word uitgegaan van een sensitiviteit van 80%. De percentages zijn anders, maar de verhouding blijft gelijk.

Het is mij bekend uit literatuurgegevens dat het mogelijk moet zijn betere resultaten te bereiken bij het cytologische onderzoek van de schildklier. Men moet dan uitgaan van een optimale punctietechniek en een optimale beoordeling. Aangezien de schildkliercytologie moeilijk is en de meeste cytopathologen weinig ervaring hebben door de betrekkelijke zeldzaamheid van het schildkliercarcinoom, zal het niet eenvoudig zijn dit hoge niveau van beoordeling te bereiken. Ik ben daarom in mijn artikel hierop niet nader ingegaan.

D.I. Blonk