Variatie bij chemonucleolyse als behandeling van hernia nuclei pulposi

Onderzoek
I.N. van Schaik
H. van Crevel
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1996;140:1759-63
Abstract

Samenvatting

Doel

Het meten van de variatie bij chemonucleolyse (CNL) als behandeling van lumbale hernia nuclei pulposi in Nederland.

Opzet

Descriptief.

Plaats

Academisch Medisch Centrum, Amsterdam.

Methode

Het verbruik van chymopapaïne per specialist in de periode 1987-1e kwartaal 1995 werd vastgesteld aan de hand van verkoopcijfers en de aantallen werkzame specialisten zoals opgegeven door de specialistenverenigingen. Daarna werd de variatie bij CNL in tijd, tussen specialisten en in plaats bepaald.

Resultaten

Het aantal CNL-behandelingen daalde van 1987 tot 1995 geleidelijk van 2084 tot 538. De meeste neurochirurgen, orthopeden en neurologen verrichtten geen CNL; van degenen die wel CNL verrichtten, deed een klein deel een groot deel van de behandelingen. CNL werd hoofdzakelijk uitgevoerd in niet-academische klinieken en buiten de randstad.

Conclusie

De variatie bij CNL als behandeling van lumbale hernia nuclei pulposi is groot en lijkt vooral te worden bepaald door verschillen tussen specialisten.

Auteursinformatie

Academisch Medisch Centrum, afd. Neurologie, Meibergdreef 9, 1105 AZ Amsterdam.

Dr.I.N.van Schaik, arts; prof.dr.H.van Crevel, neuroloog.

Contact prof.dr.H.van Crevel

Verbeteringen
Heb je nog vragen na het lezen van dit artikel?
Check onze AI-tool en verbaas je over de antwoorden.
ASK NTVG

Ook interessant

Reacties