Gestandaardiseerde multidisciplinaire diagnostiek van koemelkeiwitallergie bij kinderen

Onderzoek
N.K.S. Olsder
R.M. van Elburg
M. van Rijn
P.C. van Voorst Vader
J.G.R. de Monchy
H.S.A. Heymans
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1995;139:1690-4
Abstract

Samenvatting

Doel

Evaluatie van gestandaardiseerde multidisciplinaire diagnostiek van koemelkeiwitallergie (KEA) bij kinderen.

Opzet

Prospectief protocollair onderzoek.

Plaats

Beatrix Kinderkliniek en afdelingen Allergologie, Dermatologie en Diëtetiek van het Academisch Ziekenhuis Groningen.

Methode

Van augustus 1991 tot mei 1993 (21 maanden) werden 114 kinderen wegens een eerste vermoeden van KEA onderzocht met een gezamenlijk diagnostisch protocol, samen met 23 kinderen bij wie de diagnose al eerder was gesteld. Bij 66 van de eerste 114 verminderden de klachten op een koemelkvrij dieet. De overige 48 kinderen werden buiten beschouwing gelaten wegens: geen verbetering op een koemelkvrij dieet, geen dieet ingesteld of onvoldoende gegevensgeen follow-up. Het protocol werd met een vragenlijst aan 10 vertegenwoordigers van de betrokken afdelingen geëvalueerd.

Resultaten

Bij 2666 (39) kinderen met verbetering op een koemelkvrij dieet werd de diagnose KEA bevestigd door koemelkprovocatie. Het aantal eosinofiele granulocyten bleek hoger (p = 0,04) en de IgE-RAST-waarde en huidpriktest voor koemelk waren bij deze kinderen vaker positief dan bij de 40 anderen (p = 0,01). De voorspellende waarden van positieve en negatieve IgE-RAST- en huidpriktest-uitslagen waren respectievelijk 65 en 70, en 60 en 84. Van de 23 kinderen hadden er 4 bij re-evaluatie nog KEA. Bij 3 van hen was een huidpriktest gedaan (bij allen positief). Bij 1219 kinderen die geen KEA meer hadden, was een huidpriktest gedaan (bij allen negatief). Op 1-, 2-, 3- en 4-jarige leeftijd had respectievelijk 13, 48, 74 en 78 van de kinderen die eerder KEA hadden tolerantie voor koemelk opgebouwd. Het gebruik van een protocol werd door de betrokken vertegenwoordigers belangrijk gevonden.

Conclusie

Multidisciplinaire aanpak van KEA in een academisch ziekenhuis is mogelijk. Verbetering op een koemelkvrij dieet alleen is niet bewijzend voor KEA, koemelkprovocatie is noodzakelijk. Laboratoriumonderzoek heeft beperkte waarde. Gezien het tijdelijk karakter van KEA is re-evaluatie na het eerste levensjaar noodzakelijk. Bij een positieve huidpriktest voor koemelk, kan uitstel van de re-evaluatie overwogen worden.

Auteursinformatie

Academisch Ziekenhuis, Groningen.

Beatrix Kinderkliniek: mw.N.K.S.Olsder, medisch student; R.M.van Elburg, assistent-geneeskundige (thans: Sophia Ziekenhuis, afd. Kindergeneeskunde, Postbus 10.400, 8000 GK Zwolle); prof.dr.H.S.A.Heymans, kinderarts.

Afd. Diëtetiek: mw.M.van Rijn, diëtist.

Afd. Dermatologie: dr.P.C.van Voorst Vader, dermatoloog.

Afd. Allergologie: prof.dr.J.G.R.de Monchy, allergoloog.

Contact R.M.van Elburg

Verantwoording

Mede namens de werkgroep Koemelkeiwitallergie van het Academisch Ziekenhuis Groningen, verder bestaande uit: dr.J.Gerritsen en dr.C.M.A.Bijleveld, kinderartsen; dr.P.J.Coenraads, dermatoloog.

Heb je nog vragen na het lezen van dit artikel?
Check onze AI-tool en verbaas je over de antwoorden.
ASK NTVG

Ook interessant

Reacties