Enterale voeding of corticosteroïden bij de ziekte van Crohn: een metanalyse
Open

In het kort
04-11-1995
E.M.H. Mathus-Vliegen

Griffiths et al. voerden een metanalyse uit naar de werkzaamheid van enterale voeding vergeleken met corticosteroïdbehandeling en naar de verschillen in effect tussen elementaire en niet-elementaire voeding bij Crohn-patiënten.1 Toegelaten werden alleen gerandomiseerde onderzoeken van minimaal 2 weken behandeling met corticosteroïden of uitsluitend vloeibare (sonde)voeding. Onderzoekingen waarbij ander voedsel was toegestaan of waarbij antibiotica en opklimmende corticosteroïddoseringen werden toegepast, werden uitgesloten. Om tegemoet te komen aan alle eerdere bezwaren tegen de onderzoeksopzet, zoals de wijze van randomisatie, de verschillende gebruikte ziekte-activiteitindicaties, de wisselende anatomische lokalisatie van de ziekte, de frequente samengaande ingrepen, het niet verdragen van enterale voeding en de wisselende samenstelling daarvan, en, ten slotte de uiteenlopende definities van klinische remissie, werden alle onderzoeken aan de kwaliteitstoetsing van Chalmers et al. onderworpen. Verder werden de resultaten op een ‘intention to treat’-basis vergeleken en werden in subanalysen de invloed van verschillende variabelen bestudeerd. Van de 37 trials vielen er 24 af. De overgebleven 13 trials betroffen 8 vergelijkende onderzoeken naar het effect van enterale voeding (n = 213) vergeleken met dat van corticosteroïdbehandeling (n = 200). De onderzoeken waren groot genoeg om een statistisch significant beter effect van enterale voeding te kunnen aantonen, bij een gerapporteerde klinische remissie van 70 na corticosteroïdbehandeling.

In 5 trials werd het effect van elementaire (n = 65) versus niet-elementaire (n = 69) voeding vergeleken. De resultaten werden uitgedrukt in odds ratio's (OR's), waarbij een OR van < 1 een therapeutisch voordeel van corticosteroïden boven enterale voeding en van > 1 een therapeutisch voordeel van elementaire voeding ten opzichte van niet-elementaire voeding betekende. De kans op een remissie na enterale voeding was beduidend lager dan na corticosteroïdbehandeling (OR enteraal versus corticosteroïden 0,35).

Bij 44 van de 213 patiënten (21) moest het onderzoek worden onderbroken, omdat voeding niet verdragen werd en voeding per sonde betere resultaten gaf. Bij deze groep werd naar het effect van echte ‘enterale’ voeding gekeken en naar de resultaten van voedingstolerante mensen. Beide analysen gaven lage OR's van respectievelijk 0,41 en 0,57. Ook het uitsluiten van de onderzoeken waarbij meer dan 30 van de patiënten de ziekte van Crohn had, veranderde de resultaten niet. Vergelijking van het soort eiwit (volledig eiwit, oligopeptiden of aminozuren) en de hoeveelheid vet gaf een OR van 0,45 voor elementaire voeding (aminozuren; vetgehalte variërend van 0,8-16,4 en) versus oorticosteroïdbehandeling. Uit de 5 trials die elementaire met niet-elementaire voeding vergeleken, bleek er geen duidelijk voordeel voor de elementaire voeding (OR 0,87), die in samenstelling duidelijk verschilt van de niet-elementaire voeding (volledig eiwit of oligopeptiden; vetgehalte variërend van 23-36 en)

De belangrijkste conclusie is dat enterale voeding, mits verdragen, weliswaar niet de behandeling met corticosteroïden kan evenaren, maar zeker een goede tweede is. Bovendien vinden de auteurs eerdere suggesties om patiënten met de ziekte van Crohn uit te sluiten van voedingstherapie niet gerechtvaardigd. Hoewel de samenstelling naar eiwitbron en hoeveelheid vet geen duidelijke verschillen in werkzaamheid van elementaire versus niet-elementaire voeding laat zien, is met name de samenstelling van de triglyceriden met een mogelijk ontstekingsremmend en immuunmodulerend effect het bestuderen waard. Dit geldt ook voor het beoordelen van de kwaliteit van leven en een risico-batenanalyse van voedingstherapie versus corticosteroïdtherapie, vooral bij kinderen en adolescenten.

Literatuur

  1. Griffiths AM, Ohlsson A, Sherman PM, Sutherland LR.Meta-analysis of enteral nutrition as a primary treatment of activeCrohn's disease. Gastroenterology 1995;108:1056-67.