‘Hoe krijg ik het ooit voor elkaar dat ze dit invullen?’ zucht ik als ik zie dat het formuliertje na mijn vele herinneringsmailtjes nog steeds blanco is. Ik heb er nog minimaal zes nodig voor de competentie communicatie en zit compleet met mijn handen in het haar. Het coschap is immers over een week afgelopen. ‘Zal ik opnieuw een herinnering sturen of moet ik misschien maar langslopen? Of ben ik dan veel te opdringerig?’. Ik wil mijn begeleider natuurlijk ook niet voor het hoofd stoten door er continu om te vragen. Straks denkt hij dat ik te veel zeur. ‘Nog een keer mailen dan? Ik heb het toch echt nodig.’ Voor mij is het opnieuw een race tegen de klok die ik vaak maar net haal. Per coschap moet je namelijk ontzettend veel schriftelijke formuliertjes verzamelen, terwijl je de feedback al mondeling hebt gekregen. Is dat echt noodzakelijk?
Ik zit er continu van in de stress en baal van het bij elkaar schrapen van voldoende feedbackformuliertjes. Je hebt ze nodig om het coschap – en uiteindelijk de portfoliotoets aan het eind van het studiejaar – te halen, dus als student ontkom je er niet aan. Bij de grotere coschappen ligt de eis op tachtig formuliertjes, verdeeld over de zeven competenties waaraan een arts moet voldoen. Dat is een heleboel, zeker omdat veel artsen het simpelweg vergeten of er geen tijd voor hebben. Bovendien is de tendens dat de feedback al mondeling is gegeven, dus waarom moet dat dan ook nog een keer via een online formulier?
Ik begrijp dat er meerdere formulieren nodig zijn, maar draven we nu niet een beetje door?
Soms zijn de formuliertjes uitgebreid ingevuld en vormen ze een waardevolle aanvulling op de mondelinge feedback. Vaak blijft het echter bij een in de haast opgeschreven, oppervlakkige zin als ‘doet het goed, maar kan meer vlieguren maken.’ Uiteindelijk telt vooral de kwantiteit van de formulieren. Daardoor voelt het voor mij vaak als verplicht nummer.
Ik snap dat meerdere formulieren nodig zijn om een betrouwbaar beeld te krijgen, maar draven we nu niet een beetje door? En is het zinvol als ik mezelf al kan verbeteren met de mondelinge feedback en mijn supervisoren me ook zonder die formuliertjes goed kennen? Kunnen we niet toewerken naar een beoordeling van de kwaliteit van de feedback in plaats van het tellen van de aantallen? En naar een gesprek over hoe ik feedback vraag, geef en verwerk? Dat zou pas een echte toets zijn op – en stimulans voor – het leren hanteren van feedback. Dat dit in de praktijk nodig is, is me inmiddels wel duidelijk. Ik durf mijn supervisoren immers nog steeds niet goed aan te spreken op de formuliertjes die ze niet invullen.
Katinka Gerrits is bezig met haar laatste jaar geneeskunde bij de Vrije Universiteit en doet haar wetenschappelijke stage bij de afdeling Maag-Darm-Leverziekten.