‘De meeste artsen weten binnen een paar seconden de diagnose.’ Ik hoorde deze uitspraak een hele poos geleden van een supervisor. Blijkbaar vond ik dit zo opvallend of misschien zelfs ietwat controversieel dat ik het niet meer ben vergeten.
Destijds moest ik denken aan bijvoorbeeld een appendicitis acuta, een diagnose waar je zelfs als beginnende geneeskundestudent al snel aan denkt bij de eerste drie typische klachten. In de praktijk zag ik mij echter vooral lijstjes maken van orgaansystemen en mogelijke diagnoses, waarbij ik leerde afstrepen en aanvullen. Dat was essentieel om te begrijpen hoe het proces van klinisch redeneren ontelbaar veel variaties kent, en hoe één systeem toch overzicht kan scheppen.
Laatst was ik als consulent van de afdeling Interne Ouderengeneeskunde betrokken bij een patiënt met een delier. Al bijna een week konden we er niet goed de vinger op leggen. Toen ik langsging, zag ik dat het een stuk slechter ging dan de dag ervoor. Ik besloot oriënterend lichamelijk onderzoek te doen. Tegelijkertijd hoorde ik het gefluister in mijn hoofd: is hij warm? Heeft hij koorts? Had hij niet een kunstklep? Endocarditis?
Bij de internist spiegelde ik mijn bevindingen en overwegingen en eindigde de endocarditis ergens halverwege de lange lijst differentiaaldiagnoses. Maar toen we alle informatie op een rij zetten, was er in ieder geval genoeg reden voor een breed focusonderzoek.
Ik hoorde het gefluister in mijn hoofd: is hij warm? Heeft hij koorts? Had hij geen kunstklep?
In de psychologie wordt dit tweedelige denkproces beschreven als de ‘dual-process theory’. Enerzijds was er het intuïtieve proces, waarbij de hypothese al in de eerste seconden gevormd werd, vrijwel geheel op basis van eerdere klinische ervaringen. Daarbij moest ik terugdenken aan de uitspraak van mijn supervisor. Anderzijds was er het analytische proces: gestructureerd denken en het stap voor stap verwerken van informatie.
Bij het intuïtieve proces zijn wel kanttekeningen te plaatsen. Het kan zich alleen ontwikkelen op basis van ervaring met het analytische proces en staat meestal niet voldoende op zichzelf. Misschien was dat ook de reden dat ik dat stemmetje in mijn hoofd lange tijd negeerde.
Zo twijfelde ik tijdens het lichamelijk onderzoek vaak aan mijzelf: misschien hoorde of voelde ik het gewoon niet goed. Laat staan dat ik meteen aan een diagnose zou mogen denken. Ik probeerde dat stemmetje dus te negeren, omdat het mij kon afleiden van het objectief verzamelen van informatie, zodat ik later tijdens de statusvoering alles op een rij kon zetten.
Vaak bleek het achteraf toch waardevolle informatie te zijn. Met meer ervaring besloot ik daarom dat het tijd werd om vaker naar dat onderbewuste stemmetje te gaan luisteren. Uiteindelijk kan ik er altijd nog mee in discussie gaan.
Anna Huisman, coassistent aan de Vrije Universiteit, zit in het laatste jaar van de opleiding en heeft een passie voor schrijven.