'Maar de CT was toch normaal?'

Klinische praktijk
O.F. Brouwer
M.C.B. Loonen
J.H.C. Voormolen
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1990;134:1241-4

Dames en Heren,

Er kunnen diverse redenen zijn om bij een jong kind een computertomografisch (CT) onderzoek van de schedel te verrichten. De meest voorkomende reden is vermoeden van een hydrocefalus. Klinische verschijnselen die daarop wijzen zijn afhankelijk van de leeftijd. In de eerste twee levensjaren betreft het vooral een te snelle groei van de schedel in combinatie met tekenen van verhoogde intracraniële druk, zoals hoofdpijn, braken, gespannen staan van de grote fontanel, dwangstand van de ogen naar beneden (ondergaande-zonfenomeen) en sufheid.

Meestal berust hydrocefalus bij jonge kinderen op een aanlegstoornis van het circulatiesysteem van de liquor cerebrospinalis, soms in combinatie met een defect elders, zoals een myelomeningokèle. Hydrocefalus kan ook een gevolg zijn van intracraniële infecties of bloedingen. Minder bekend is dat ook hersentumoren bij zeer jonge kinderen kunnen leiden tot hydrocefalus. Deze tumoren hebben een voorkeurslokalisatie in de achterste schedelgroeve; wegens de beperkte ruimte van het infratentoriële compartiment…

Auteursinformatie

Academisch Ziekenhuis, Postbus 9600, 2300 RC Leiden.

Afd. Kinderneurologie: O.F.Brouwer, kinderneuroloog.

Afd. Neurochirurgie: J.H.C.Voormolen, neurochirurg.

Academisch Ziekenhuis Rotterdam-DijkzigtSophia Kinderziekenhuis, afd. Kinderneurologie, Rotterdam.

Mw.dr.M.C.B.Loonen, kinderneuroloog.

Contact O.F.Brouwer

Heb je nog vragen na het lezen van dit artikel?
Check onze AI-tool en verbaas je over de antwoorden.
ASK NTVG

Ook interessant

Reacties

C.
Baart de la Faille-Horst

Arnhem, juli 1990,

Naar aanleiding van de aanbeveling aan het eind van de klinische les (1990;1241-4) om op consultatiebureaus ook na het eerste levensjaar de hoofdomtrek te blijven meten, geef ik de auteurs ter overweging dat: (1) na de leeftijd van 52 weken de meetfout van 3,7 mm groter is dan de groeisnelheid per maand, zoals bij een onderzoek naar hoofdomtrek in 1982 gebleken is; (2) in de regio waar ik werk (Arnhem) het kind bij 12, 15 en 24 maanden op het consultatiebureau komt; (3) dat bij een kosten-batenanalyse zou blijken dat 400.000 extra handelingen op het consultatiebureau verricht moeten worden (1 minuut) om ca. 5 kinderen op te sporen die door slordigheden van clinici worden gemist!1

C. Baart de la Faille-Horst
Literatuur
  1. Baart de la Faille-Horst C, Gerritsen-de Vries AE, Gils-Coerwinkel VWThM. Onderzoek naar de betrouwbaarheid van hoofdomtrekmeting. Nijmegen: Katholieke Universiteit, 1982.

Amsterdam, juli 1990,

De klinische les van Brouwer, Loonen en Voormolen hebben wij met grote belangstelling gelezen.

Op grond van de ziektegeschiedenissen van twee kinderen met een ruimte-innemend proces in de achterste schedelgroeve en een normale (?) CT-scan van de hersenen wordt gepleit voor het meten van de hoofdomtrek op het consultatiebureau in het tweede levensjaar, in ieder geval als in het eerste levensjaar een afwijkende groei van de hoofdomtrek is geconstateerd. Beide beschrevenen hadden echter tevens voor de leeftijd van zes maanden al klinisch neurologische afwijkingen; bij patiënt A is sprake van een duidelijke ontwikkelingsachterstand en bij patiënt B van gegeneraliseerde tonisch-clonische aanvallen. Beide kinderen werden dan ook terecht in een vroeg stadium door een specialist onderzocht. Dat in die gevallen ook na ‘normale’ bevindingen bij aanvullend onderzoek sprake zal moeten zijn van regelmatige meting van de hoofdomtrek (tot de fontanellen gesloten zijn) door de specialist, al dan niet in samenwerking met de consultatiebureau (CB)-arts, is duidelijk. Om op grond van deze beide ziektegeschiedenissen te pleiten voor het regelmatig meten van de hoofdomtrek gedurende twee jaar van alle circa 190.000 kinderen die jaarlijks in Nederland worden geboren, gaat ons te ver.

Ook wij pleiten voor goed luisteren naar ouders en kijken naar het kind, ook als op de CT-scan van de hersenen geen afwijkingen worden waargenomen. Eveneens dienen extra metingen van de hoofdomtrek uitgevoerd te worden bij ieder kind met neurologische problemen en (of) afwijkende schedelgroei. Of deze controles door de CB-arts of door de specialist uitgevoerd moeten worden, dient individueel in goed overleg afgesproken te worden.

E. Jens
T. Filedt Kok

Leiden, juli 1990,

Wij willen de collegae Baart de la Faille-Horst en Jens en Filedt Kok danken voor hun reacties. Het feit dat deze uit de kring van de jeugdgezondheidszorg komen, doet ons extra veel genoegen. Vooral de laatste zin van onze klinische les, waarin wij ervoor pleiten de schedelgroei op de consultatiebureaus ook in het tweede levensjaar te controleren, blijkt hiervoor verantwoordelijk.

Baart de la Faille-Horst stelt onze suggestie ter discussie op grond van een aantal overwegingen die wij niet geheel kunnen delen. De genoemde meetfout (afkomstig van ons niet bekend onderzoek) is betrekkelijk: het gaat immers niet om een eenmalige meting, maar om een aantal meetpunten die te zamen de schedelcurve vormen als weergave van de schedelgroei. Het feit dat controles in het tweede levensjaar bij 15 en 24 maanden plaatsvinden, lijkt een uitstekende gelegenheid om dan ook de schedelomtrek te meten, met name als het gaat om kinderen met een eerder geconstateerde afwijkende schedelgroei. Voor een juiste interpretatie is het bovendien belangrijk om de gemeten waarden op een schedelcurve te noteren. Het is ons tenslotte niet duidelijk waarop de genoemde kosten-batenanalyse is gebaseerd. Wat ons teleurstelt, is de laatste zinsnede, waarin wordt gesuggereerd dat het uitsluitend gaat om door ‘slordigheden van clinici’ gemiste problematiek. De belangrijkste boodschap van deze klinische les is juist dat hulponderzoek goed luisteren naar ouders en kijken naar het kind niet kan vervangen. Dit geldt voor alle dokters die met het jonge kind te maken krijgen, niet alleen voor clinici, maar ook voor artsen op consultatiebureaus.

Ook Jens en Filedt Kok twijfelen aan het nut van het controleren van de schedelgroei in het tweede levensjaar. Toch verdient dit aspect naar onze mening in een misschien wat breder kader binnen de jeugdgezondheidszorg opnieuw de aandacht.

O.F. Brouwer
M.C.B. Loonen
J.H.C. Voormolen