Ongeduld
Open

28-01-2010
Joost Zaat

Ik lig op de grond en hoor mezelf gillen. Het keukentrapje waar ik op stond ligt elders, het gordijntje dat op zijn plek moest ook. Ik beweeg m’n tenen, veel meer lukt eerst niet. Mijn nieuwe gietijzeren oven bakt een paar broden, het is bloedheet en ik wil weg. Straks gaan ze me planken, denk ik, maar voor er een ambulance is ben ik dan door de hitte misschien wel flauwgevallen. Gezien mijn eerdere verkeerd uitgepakte eigenwijsheid beloof ik mijn toegesnelde echtgenote vanaf zo meteen patiënt te blijven, maar nu moet ik echt even weg van het fornuis en naar de bank.

Wat raar dat je na een flink ongeluk niet helder meer kunt denken. Joyce belt onze huisarts en die belt de ambulance. Op het pad naar de straat liggen Belgische kinderhoofdjes. Niet bepaald prettig, denk ik, en vraag om iets voor de pijn.

‘Wat had je gehad willen hebben?’

‘Jij moet maar beslissen, ik ben nu patiënt. Doe maar fentanyl.’

‘Vijftig of honderd?’

‘Dat moet jij maar weten, doe maar vijftig’. Prima spul overigens.

Is dat nu de mondige patiënt? Zeggen dat je patiënt wilt zijn en je willen overgeven, maar toch zelf beslissen? Zo gaat het de verdere dag ook. L1 ziet er niet mooi uit, de helft is weg, maar de achterste pijler staat gelukkig nog. Ik mag wel naar huis, maar ‘we kunnen ook wel een brace geven, of dat echt helpt is niet duidelijk. Als je dat toch wilt, moet je naar de eerste hulp’. ‘Ik ben patiënt, weet je, en het doet te zeer om na te kunnen denken, stuur mij maar naar de SEH.’

Het is druk, het duurt lang en het doet zeer. Na lange tijd blijkt dat de traumatoloog een CT wil, maar dat kan nu niet meer en de gipskamer is inmiddels ook dicht. Ik kan het weer niet laten en wind me op. Waarom kan het niet sneller? Ik kan nauwelijks wat verroeren, maar heb blijkbaar toch haast en wil naar huis. Ik blijf een nacht, krijg op tijd een prik door aardige verpleegkundigen en heb levendige morfinedromen.

De volgende dag ga ik door een supersnelle CT; binnen 10 minuten ben ik weer op de afdeling. Aan het eind van de dag krijg ik m’n brace en bel direct zodat ze me naar huis kunnen halen. Het heeft me lang genoeg geduurd, zeg ik tegen de verbaasde verpleegkundige. Zevenentwintig uur in het ziekenhuis, half uur medische zorg. Dat moet efficiënter kunnen. Pas later bedenk ik hoe onzinnig dat eigenlijk is. Vormt snelheid waarmee je als onfortuinlijke door een zorgstraat ‘eerste hulp’ gaat de kwaliteit? Is een snel en industrieel proces echt beter dan een wat rommelige benadering door individuen die ieder afzonderlijk prima werken en uitleggen? Patiënt worden kost tijd. Het kan vast beter, sneller en volgens strakkere protocollen. Of ik als patiënt daar dan echt blijer van word, is nog maar de vraag.