Wapenschilden van het Amsterdamse chirurgijnsgilde in de koepel van het Theatrum Anatomicum

Perspectief
Thomas M. van Gulik
Frank F.A. IJpma
Norbert E. Middelkoop
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2014;158:A6999
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Cornelis Troost (1696-1750) schilderde in 1731 3 overlieden (bestuursleden) van het Amsterdamse chirurgijnsgilde. Hun namen kennen we van de familiewapens die op de wand achter hen zijn afgebeeld. Dezelfde namen en wapenschilden zijn terug te vinden in het koepelgewelf van het Theatrum Anatomicum in de Waag, waar ook de bestuurskamer van het chirurgijnsgilde zich bevond. De 84 wapenschilden in de prachtig gerestaureerde koepel getuigen van de rijke historie van het chirurgijnsgilde.

artikel

In tegenstelling tot de artsen – de doctores medicinae – die een academische opleiding hadden gevolgd, waren de chirurgijns niet academisch geschoold. Chirurgijns werden ambachtelijk opgeleid onder leiding van een meester-chirurgijn in chirurgijnswinkels die over de stad verspreid waren.1 Na het afleggen van de meesterproef, het chirurgijnsexamen aan het einde van de opleiding, konden zij zich in de stad vestigen. De Amsterdamse chirurgijns hadden zich in 1551 verenigd in een gilde dat de belangen van haar leden ter stede behartigde. Als vakorganisatie was het Amsterdamse chirurgijnsgilde buitengewoon goed georganiseerd, het bewaakte de heelkundige zorg en regelde de chirurgijnsopleiding en examens.2 Dit blijkt uit de goed bijgehouden notulenboeken en reglementen van het gilde die zijn bewaard in het stadsarchief van Amsterdam.

Het bestuur van het chirurgijnsgilde bestond uit 6 overlieden die door het stadsbestuur werden gekozen voor een termijn van 3 jaar. Het gildebestuur vergaderde over huishoudelijke en financiële kwesties en gaf ook penningen uit waarmee de gildebroeders zich konden identificeren bij officiële gildebijeenkomsten.3 De deken en proefmeester waren respectievelijk de voorzitter en vicevoorzitter van het gilde. De proefmeester was verantwoordelijk voor de opleiding en examens van aspirant-chirurgijns, waarvan de regels nauwkeurig waren vastgelegd in het gilderegelement.2 Van stadswege werd een ‘praelector anatomiae’ aangesteld, een academisch geschoolde arts die wekelijks het onderwijs voor het chirurgijnsgilde verzorgde. De praelector anatomiae voerde ten behoeve van het anatomieonderwijs ook anatomische ontledingen uit op de lichamen van ter dood veroordeelde misdadigers, die vanaf 1691 in het Theatrum Anatomicum in de Waag plaatsvonden.

Het Theatrum Anatomicum in de Waag

De Waag is meer dan 5 eeuwen hét beeldbepalende gebouw aan de Nieuwmarkt in het oude stadscentrum van Amsterdam (figuur 1). Oorspronkelijk was het als stadspoort, de Sint Anthoniespoort, gebouwd, maar in het begin van de 17e eeuw kreeg het gebouw een nieuwe bestemming als Waag.4

Figuur 1

De bovenverdieping van de Waag werd door het stadsbestuur beschikbaar gesteld aan een aantal gilden waaronder die van de smeden, schilders, metselaars en chirurgijns. Ieder gilde had een eigen ingang in de poortjes van het gebouw. De voormalige toegangspoort van het chirurgijnsgilde in de zuidoostelijke toren van het Waaggebouw laat in de lijst boven de poort het opschrift ‘Theatrum Anatomicum’ zien, zoals de ontleedkamer van het chirurgijnsgilde werd genoemd. De poort gaf toegang tot de gildekamer en de in 1691 ingerichte ‘nieuwe snij-kamer’ in een speciaal voor dit doeleinde gebouwde, achtkantige koepelruimte in het midden van de Waag. Een verguld windvaantje op de spits van de koepeltoren met het woord ‘anatomia’ gaf de plaats aan van het Theatrum Anatomicum, de trots van het Amsterdams chirurgijnsgilde (zie figuur 1).

De ontledingen in het Theatrum Anatomicum dienden op de eerste plaats het anatomieonderwijs ten behoeve van de chirurgijns en chirurgijnsleerlingen, maar groeiden in de loop van de 17e eeuw uit tot gewilde publieke evenementen die de burgers tegen betaling van ‘vier stuivers’ konden bijwonen. De ontleedruimte was ontworpen naar het voorbeeld van het oudste Theatrum Anatomicum van Europa in Padua in Noord-Italië, met een amfitheater en een draaibare ontleedtafel in het midden. Via de 4 vensters in de achtkantige koepel viel het licht op de ontleedtafel. De familiewapens van de chirurgijns werden in het koepelgewelf geschilderd rondom het centrum van waaruit een grote koperen kroonluchter naar beneden hing (figuur 2). De ruimte werd nog tot 1869 gebruikt voor het anatomisch onderwijs aan de Universiteit van Amsterdam. Inmiddels zijn de snijtafel en de cirkelvormige tribune verdwenen, maar de wapens herinneren nog aan de oorspronkelijke functie van de ruimte.

Figuur 2

Wapenschilden in de koepel van het Theatrum Anatomicum

De overlieden van het gildebestuur lieten hun familiewapens schilderen in het koepelgewelf van het Theatrum Anatomicum. Het centrum van de koepel wordt gevormd door het wapenschild van Frederik Ruysch, die van 1666 tot zijn dood in 1731 als praelector anatomiae aan het chirurgijnsgilde was verbonden. Frederik Ruysch genoot als professor in de anatomie en botanie grote bekendheid en is nu nog steeds wereldberoemd om zijn collectie anatomische preparaten, waarvan het grootste deel door Tsaar Peter de Grote werd aangekocht en tentoongesteld in de Kunstkamera te St. Petersburg.5 Dat het wapen van Frederik Ruysch in het midden van de koepel is afgebeeld, kan worden gezien als een eerbetoon van het chirurgijnsgilde aan deze toen al illustere docent in de anatomie.

Rondom het wapen van Frederik Ruysch zijn in 3 concentrische rijen 36 wapenschilden in de koepel afgebeeld. Alle behoren tot chirurgijns die als overman in het gildebestuur dienst hebben gedaan, behalve het wapen op de derde rij dat het ‘Segel van ‘t Chirurgijns Gilde’ toont. Dit wapen, dat een menselijk skelet toont als symbool van de vergankelijkheid van het bestaan, werd ook afgebeeld op de penningen van het chirurgijnsgilde. Het skelet vormt nog steeds onderdeel van het ontwerp van de legpenning van de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde.6

Het is duidelijk dat de overlieden het op prijs stelden dat hun familiewapens werden aangebracht in de koepel van het Theatrum Anatomicum. Daarmee werd hun functie in het gildebestuur vereeuwigd. Zij volgden hiermee de trend die in het laatste kwart van de 17e eeuw ook bij andere stedelijke instellingen waarneembaar is: in plaats van relatief dure portretten werd voor de goedkopere familiewapens gekozen, enerzijds vanwege de economisch minder goede tijden, anderzijds omdat de wanden van de vergaderruimten volhingen met groepsportretten. Toen het koepelgewelf geen plaats meer bood voor nieuwe wapenschilden, werd ook de houten balustrade onder het gewelf van wapens voorzien, 24 in totaal. Weer later werden hieraan schotten gehangen met plaats voor nog eens 24 wapens. Van alle chirurgijns van wie de familiewapens worden afgebeeld is bekend dat zij de functie van overman in het gildebestuur hebben vervuld.4 Sommigen waren vermaard om hun chirurgische vaardigheden, anderen om hun bijdragen in het gildebestuur. De koepelzaal, het oude Theatrum Anatomicum en de schilderingen in het gewelf werden in 1992 gerestaureerd. De ruimte is op aanvraag te bezichtigen.

De wapenschilden geportretteerd

Een aantal chirurgijns van wie de wapenschilden op de koepel prijken, kennen we van de schilderijen die in 18e eeuw van hen zijn gemaakt. Zij zijn in veel gevallen terug te vinden op de groepsportretten van het Amsterdamse chirurgijnsgilde die na 1691, het jaar van de ingebruikneming van het Theatrum Anatomicum, in opdracht van de daarop vereeuwigde chirurgijns zijn geschilderd en aan het gilde geschonken. Het schilderij van Arnold Boonen uit 1716 is hiervan een vroeg voorbeeld.7 Het schilderij toont de overlieden Dirk Cloes, Roelof Roelvink, Hilling van Velsen, Benjamin van Tongeren en Jan Koenerding, van wie de wapenschilden prominent in de koepel aanwezig zijn. In de collectie van het Amsterdam Museum bevinden zich 18 schilderijen waarop in totaal 117 chirurgijns zijn afgebeeld.8 Er zijn echter maar 3 schilderijen in deze verzameling waarop ook de familiewapens van de chirurgijns worden afgebeeld, zoals deze ook in het voormalige Theatrum Anatomicum zijn te vinden. Deze schilderijen zijn van Cornelis Troost (uit 1731) en Jan Maurits Quinkhard, die in 1737 en in 1744 groepsportretten van het chirurgijnsgilde maakte.9-11 De afgebeelde wapens komen overeen met die in het koepelgewelf van het Theatrum Anatomicum.

Ontbinding van het chirurgijnsgilde

Een schilderij van Cornelis Troost (1696-1750) uit 1731 toont van links naar rechts de overlieden Isaac Hartman, Elias Huijzer en Adriaan Verduijn (figuur 3).8,12 Op de wand achter hen zijn hun familiewapens afgebeeld, zoals deze ook te zien zijn op de 3e rij in het koepelgewelf van het Theatrum Anatomicum (figuur 4).

Figuur 3
Figuur 4

De bestuurlijke verantwoordelijkheden van deze overlieden komen tot uiting in het schilderij. Elias Huijzer houdt een ganzenveer in de hand en Isaac Hartman een examenbul die aspirant-chirurgijns kregen na het met goed gevolg afleggen van de meesterproef.2 Hoe deugdelijk deze chirurgijns zich ook doen voorkomen, zij werden allen een jaar later door de stadsregering ontslagen wegens het tegen betaling ten onrechte verstrekken van examenbullen en het achterhouden van gelden bestemd voor de chirurgijnsweduwen.13 Deze frauduleuze praktijken werden door Abraham Titsingh aan het licht gebracht toen deze in 1731 als overman aantrad en weigerde steekpenningen aan te nemen.

Het chirurgijnsgilde in Amsterdam maakte in de laatste decennia van de 18e eeuw moeilijke tijden door. Het aantal chirurgijns in de stad was sterk toegenomen en de gildebroeders hadden een moeilijk bestaan naast de vele beunhazen en kwakzalvers. Bovendien waren de gildebroeders onderling verdeeld en was de corruptie binnen het chirurgijnsgilde groot. Het Theatrum Anatomicum was vele malen het toneel van scheldpartijen en zelfs vechtpartijen die in geuren en kleuren vermeld werden in de gildeboeken.13 Ook de verwaarlozing van het onderwijs leidde er mede toe dat in 1798 het Chirurgijnsgilde met tegelijkertijd ook het Collegium Medicum werd opgeheven en de zorg voor het anatomisch onderwijs werd overgedragen aan de Commissie van Geneeskundig Toeverzicht.14 Deze commissie was door het stadsbestuur aangesteld met de opdracht de medische beroepsuitoefening in Amsterdam te centraliseren. Daarnaast leidde de roep tot verbetering van de heelkundige praktijk in 1790 tot de oprichting van het Genootschap ter Bevordering der Heelkunde door Andreas Bonn, dat later werd uitgebreid tot Genootschap ter Bevordering van Natuur-, Genees- en Heelkunde te Amsterdam.15 Niettemin had het chirurgijnsgilde zich gedurende twee en een halve eeuw ingezet voor de kwaliteit van de heelkundige zorg en het chirurgijnsonderwijs in Amsterdam. De wapenschilden die het koepelgewelf van het Theatrum Anatomicum sieren, getuigen van de rijke geschiedenis van dit gilde.

Literatuur
  1. Middelkoop N, Noble P, Wadum J, Broos B. Rembrandt onder het mes. De anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp ontleed. Amsterdam: Six Art Promotion; 1998.

  2. IJpma FF, van de Graaf RC, Pierik EG, van Gulik TM. De meesterproef in de chirurgijnsopleiding, een historisch concept als voorbeeld voor nu? Ned Tijdschr Geneeskd. 2010;154:A795 Medline.

  3. Teulings C, IJpma FFA, van Gulik TM. Unieke erfstukken van het Amsterdamse chirurgijnsgilde. Penningen van de chirurgijns die zijn afgebeeld op de beroemde reeks groepsportretten. Amstelodamum. 2013;100-2:68-86.

  4. Kurpershoek E. De Waag op de Nieuwmarkt. Amsterdam: Stadsuitgeverij Amsterdam; 1994.

  5. Kooijmans L. De Doodskunstenaar. De anatomische lessen van Frederik Ruysch. Amsterdam: Bert Bakker; 2004.

  6. IJpma FFA, Teulings C, van Gulik TM. Oude tradities in ere hersteld. Nederlands Tijdschrift voor Heelkunde. 2012;21:159-160.

  7. De overlieden van het Chirurgijnsgilde. Arnold Boonen, 1716. Collectie Amsterdam Museum, inv.nr. SA 2067.

  8. Amsterdam Museum, online collectie. http://am.adlibhosting.com.

  9. Drie overlieden van het Chirurgijnsgilde, Cornelis Troost, 1731. Collectie Amsterdam Museum, inv.nr. SA 7415.

  10. Zeven overlieden van het Chirurgijnsgilde, Jan Maurits Quinkhard, 1737. Collectie Amsterdam Museum, inv.nr. SA 453.

  11. Vier overlieden van het Chirurgijnsgilde, Jan Maurits Quinkhard, 1744. Collectie Amsterdam Museum, inv.nr. SA 7390.

  12. Middelkoop NE, Baptist Bedaux J, Dudok van Heel SAC, Ekkart R, van Gent J. Kopstukken, Amsterdammers geportretteerd 1600-1800. Bussum: Uitgeverij THOTH/Amsterdams Historisch Museum; 2002.

  13. Tilanus JWR. Beschrijving der schilderijen afkomstig van het chirurgijns-gild te Amsterdam. Amsterdam: Frederik Muller; 1865.

  14. Mooij A, De polsslag van de stad, 350 jaar academische geneeskunde in Amsterdam Uitgeverij De Arbeiderspers Amsterdam/Antwerpen; 1999.

  15. Delprat CC, Kummer A. De wording en de geschiedenis van het Genootschap ter Bevordering van Natuur-, Genees- en Heelkunde te Amsterdam 1790-1965. Amsterdam: Genootschap ter Bevordering van Natuur-, Genees- en Heelkunde; 1965.

Auteursinformatie

Academisch Medisch Centrum, afd. Chirurgie, Amsterdam.

Prof.dr. T.M. van Gulik, chirurg.

Isala Klinieken, afd. Chirurgie, Zwolle.

Drs. F.F.A. IJpma, chirurg.

Amsterdam Museum, Amsterdam.

Drs. N.E. Middelkoop, conservator.

Contact prof.dr. T.M. van Gulik (t.m.vangulik@amc.nl)

Verantwoording

Belangenconflict en financiële ondersteuning: geen gemeld.
Aanvaard op 14 december 2013

Auteur Belangenverstrengeling
Thomas M. van Gulik ICMJE-formulier
Frank F.A. IJpma ICMJE-formulier
Norbert E. Middelkoop ICMJE-formulier
Dit artikel is gepubliceerd in het dossier
Medische geschiedenis

Gerelateerde artikelen

Reacties