Voeding en gezondheid - veiligheid van nieuwe voedingsmiddelen

Klinische praktijk
J.A.G. van de Wiel
C.M.A. van Rossum
M. Rutgers
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2004;148:12-7
Abstract
Download PDF

Samenvatting

- In Europa is het wettelijk verplicht dat van een nieuw voedingsmiddel eerst de veiligheid voor de consument bepaald wordt, voordat het op de markt wordt toegelaten.

- Een nieuw voedingsmiddel is een voedingsmiddel of voedselingrediënt dat niet vóór 1997 in significante mate op de Europese markt was en dat tot een van de categorieën in de betreffende Europese verordening behoort.

- De procedure om de veiligheid te bepalen gaat via een zogenoemde autorisatieaanvraag. De firma stelt een veiligheidsdossier samen waarin verslag wordt gedaan van kenmerken, toxicologisch onderzoek en ander bewijsmateriaal.

- De firma dient het dossier in bij de bevoegde autoriteit in een van de Europese lidstaten, in Nederland is dat het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Deze autoriteit verzorgt een eerste beoordeling, uitgevoerd door een speciale instantie; in Nederland is dit de Commissie Veiligheidsbeoordeling Nieuwe Voedingsmiddelen (commissie VNV) binnen de Gezondheidsraad. Daarna kunnen de andere lidstaten een tweede beoordeling uitvoeren. Uiteindelijk besluiten de lidstaten tezamen over eventuele markttoelating.

- De beoordeling door de commissie VNV gaat volgens een stapsgewijze benadering: voor elke autorisatieaanvraag wordt individueel bekeken wat nodig is aan onderzoeksgegevens om tot een eindoordeel te komen.

- Voor producten die wezenlijk gelijkwaardig zijn aan een bestaand voedingsmiddel bestaat een verkorte ‘notificatieprocedure’.

- De commissie VNV opereert zo transparant mogelijk. De dossiers liggen ter inzage, de adviezen van de commissie zijn openbaar en commissieleden geven inzicht in hun belangen.

Nieuwe voedingsmiddelen zijn al zo oud als de wereld. Vroeger was de mens zelf het toetsingsinstrument voor eetbaarheid dan wel giftigheid: ‘The proof of the pudding is in the eating’. Nu staat een hele batterij tests tot onze beschikking om van een nieuw voedingsmiddel de veiligheid te onderzoeken en dat onderzoek wordt dan ook gedaan. Sinds 1997 is het in heel Europa zelfs verplicht voor een bedrijf om officieel toestemming te vragen vóór het introduceren van een nieuw voedingsmiddel (of voedselingrediënt) op de Europese markt. Het gaat dan met name over exotische voedingsmiddelen, voedingsmiddelen uit genetisch gemodificeerde gewassen of specifieke bioactieve ingrediënten. De aanvraag voor autorisatie (markttoelating) moet vergezeld gaan van een veiligheidsdossier waarin het bedrijf verslag doet van de uitgevoerde onderzoekingen en zo verantwoording aflegt over het product vóór de marktintroductie. In Nederland wordt het veiligheidsdossier beoordeeld door een commissie van onafhankelijke wetenschappelijke deskundigen binnen de Gezondheidsraad: de commissie Veiligheidsbeoordeling Nieuwe Voedingsmiddelen (VNV).

eerst beoordeling, dan pas markttoelating

Nationale overheden hebben een lange traditie op het gebied van het beschermen van hun burgers tegen schadelijke invloeden op de volksgezondheid. Dit wordt nog steeds als een van de kerntaken van de overheid gezien. Voor voeding gaat het dan om wetgeving en beleid voor eerlijke handel, kwaliteitseisen voor (productie van) levensmiddelen, toelatingsbeleid voor voedselingrediënten en voedingsmiddelen en goede voorlichting aan de hand waarvan consumenten zelf verantwoorde keuzen kunnen maken. Tot 1995 was men vrij om producten op de markt te brengen en vond de toetsing op veiligheid eigenlijk achteraf plaats. De fabrikant moest zich uiteraard aan de Warenwet houden, maar de overheid trad pas achteraf op als producten ondeugdelijk of schadelijk bleken te zijn. Aanleiding voor zulk optreden was bijvoorbeeld een reeks van klachten die binnenkwam bij de Keuringsdienst van Waren of tekortkomingen die bleken uit inspecties en steekproeven.

In 1995 werd in Nederland ingesteld dat een nieuw voedingsmiddel beoordeeld moest worden voordat het op de markt werd toegelaten. Daarmee was Nederland een van de eerste Europese landen. Een dergelijke ‘premarktbeoordeling’, oftewel veiligheidsbeoordeling voordat een voedingsproduct vermarkt mag worden, past in de trend van toegenomen voorzorg en preventie door de overheid (Witboek over voedselveiligheid COM (719) def.; http://europa.eu.int/scadplus/leg/nl/lvb/l32041.htm).1 De behoefte aan dit type overheidshandelen is het gevolg van innovatie, industrialisatie en de wereldwijde productie- en handelsstromen van voedsel.1 Met name de opkomst van de moderne biotechnologie heeft de aanzet gegeven tot de Europese Verordening Nieuwe Voedingsmiddelen en Nieuwe voedselingrediënten van 1997.2 3

wanneer is een voedingsmiddel nieuw?

Wanneer is er eigenlijk sprake van een nieuw voedingsmiddel in de zin van de Europese verordening? Dat gaat soms regelrecht in tegen consumentenintuïtie of marketing. Elk voedingsmiddel is van tijd tot tijd ‘nieuw’. Vaak gaat het dan om een andere verpakking van het product of toepassing van een andere receptuur, die op zichzelf niet nieuw is in de levensmiddelenbereiding.

Allereerst is het belangrijk om te weten dat een product ook echt een voedingsmiddel of voedselingrediënt is en niet een medicijn, levensmiddelenadditief (bijvoorbeeld kleurstof of emulgator), aroma (geurstof) of extractiemiddel. Deze laatste producten hebben namelijk ieder hun eigen veiligheidsbeoordeling en vallen dus niet onder de Europese wetgeving over nieuwe voedingsmiddelen.4-12 Medicijnen vallen in Nederland onder het College ter beoordeling van geneesmiddelen (CBG; www.cbg-meb.nl/nl/overcbg/taak.htm); dit is vastgelegd in de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening, artikel 29, lid 1).

Vervolgens moet worden vastgesteld of er sprake is van een nieuw voedingsmiddel in de zin van de Europese verordening.2 De eerste voorwaarde voor het predikaat ‘nieuw voedingsmiddel’ of ‘nieuw voedselingrediënt’ is dat het product niet vóór 1997 in aanzienlijke mate op de Europese markt was. De tweede voorwaarde is dat het voedingsmiddel in een van de volgende categorieën valt: (a) het middel bevat bestanddelen van genetisch gemodificeerde planten of dieren of is daarvan afkomstig; (b) het middel betreft substanties met een nieuwe molecuulstructuur; (c) het voedingsmiddel of de voedselingrediënt bestaat uit of is geïsoleerd uit micro-organismen, schimmels of algen; (d) het middel bestaat uit of is geïsoleerd uit planten, dieren of producten daarvan; producten uit deze laatste categorie zijn echter geen nieuwe voedingsmiddelen indien ze volgens traditionele vermeerderings- of teeltmethoden verkregen zijn en ze sinds lang veilig voor voedingsdoeleinden gebruikt worden; (e) het middel is door toepassing van een nieuw productieproces in voedingswaarde, metabolisme of gehalte aan ongewenste stoffen veranderd.

Lycopeenwortel

Dat de afweging of een product een nieuw of niet-nieuw voedingsmiddel is soms tegen de intuïtie ingaat, illustreert het geval van de lycopeenwortel. Lycopeen is een stof met anti-oxidatieve eigenschappen die van nature met name in tomaten voorkomt en tomaten hun rode kleur geeft. In Duitsland werd een pizza met deze rode lycopeenwortel aanvankelijk met argwaan bekeken. Totdat bleek dat oudere varianten van deze lycopeenwortel al langere tijd in Engeland op de markt waren en het huidige ras via traditionele veredeling tot stand was gekomen. Was de wortel nog niet vóór 1997 in Europa op de markt geweest, dan had de commissie VNV er overigens voor gepleit deze wortel als nieuw te beschouwen, ook al was hij via traditionele veredeling totstandgekomen, omdat de extra hoge concentratie lycopeen volgens de commissie een nadere beschouwing van de veiligheid zou hebben gerechtvaardigd.

Kiwi

Een ander voorbeeld van een product dat niet als nieuw voedingsmiddel wordt gezien, is de kiwi, de inmiddels bekende exotische vrucht die via Nieuw-Zeeland decennia terug eerst in de Verenigde Staten en later in Europa is geïntroduceerd. Zou de kiwi nu pas zijn intrede doen in Europa, dan zou hij wél als een nieuw voedingsmiddel beoordeeld moeten worden voordat hij op de markt zou worden toegelaten.

In de praktijk kan er veel discussie zijn over het nieuw of niet-nieuw zijn van een product. In Nederland is er bij twijfel overleg tussen het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), de Keuringsdienst van Waren en de Gezondheidsraad. Bovendien is er ook op Europees niveau regelmatig overleg tussen de bevoegde autoriteiten (in Nederland het ministerie van VWS) en de beoordelingsinstanties (in Nederland de Gezondheidsraad).

van aanvraag tot markttoelating

Een overzicht van de stappen die nodig zijn voordat een nieuw voedingsmiddel op de markt kan worden toegelaten wordt gegeven in de figuur.

Autorisatieaanvraag

Een firma dient een aanvraag voor markttoelating (autorisatieaanvraag) in bij zowel de Europese Commissie (het Directoraat-generaal Gezondheids- en Consumentenbescherming) als de daarvoor bevoegde autoriteit in een van de Europese lidstaten. In Nederland is dit de minister van VWS. De bevoegde autoriteit kan advies vragen aan een beoordelingsinstantie. In Nederland vraagt de minister van VWS de Gezondheidsraad om een onafhankelijke wetenschappelijke beoordeling, die wordt uitgevoerd door de daarvoor speciaal in het leven geroepen commissie VNV.

Na een dergelijke eerste beoordeling geven de andere lidstaten (individueel) hun eigen zienswijze weer in de vorm van tweede beoordelingen. De firma krijgt vervolgens de kans om hierop te reageren. Uit de tweede beoordelingen zal blijken of de lidstaten al dan niet een consensus bereiken over het wel of niet veilig bevinden van het product en het toelaten op de markt. Formeel wordt dit besloten in het Permanent Comité voor de Voedselveiligheid en de Diergezondheid. In dit comité zijn alle lidstaten van de Europese Unie vertegenwoordigd. De beslissing wordt neergelegd in een beschikking van de Europese Commissie, die in Nederland wordt overgenomen in de Warenwet.

Regelmatig komt het voor dat de lidstaten het niet eens zijn. In dat geval zal een Europees wetenschappelijk comité (tot voor kort was dit het Scientific Committee on Food) nogmaals een onafhankelijk wetenschappelijk advies geven, gebaseerd op het geheel aan beschikbare informatie. Daarna volgen besluitvorming in het Permanent Comité voor de Voedselveiligheid en de Diergezondheid en een beschikking van de Europese Commissie.

Notificatie en ‘wezenlijke gelijkwaardigheid’

Een producent of handelaar kan behalve een autorisatieaanvraag ook een zogenoemde notificatieaanvraag indienen bij de bevoegde autoriteit van een Europese lidstaat en de Europese Commissie. Wanneer een dergelijke aanvraag gehonoreerd wordt, betekent dat een verkorte procedure en kan de aanvrager het product relatief snel op de markt brengen. De grond voor een notificatie is dat het nieuwe voedingsmiddel wezenlijk gelijkwaardig dient te zijn aan een ander reeds gebruikt voedingsmiddel. In de praktijk blijkt de term ‘wezenlijke gelijkwaardigheid’ veel vragen op te roepen, aangezien er geen standaardcriteria zijn vastgelegd om te bepalen wanneer deze van toepassing is.

Zo hebben recente notificaties, gesteund door de Franse autoriteit, van een ééncellige alg en van olie van de Arganboom vragen opgeroepen bij de commissie VNV, maar ook bij de Engelse en Finse collega's. De onderbouwing voor de notificatie voor de ééncellige of microalg, die in gedroogde vorm in zijn geheel gegeten gaat worden, berustte op de wezenlijke gelijkwaardigheid met verschillende meercellige of macroalgen (rode, groene en bruine algen). Nu gaat de commissie ervanuit dat, als planten tot verschillende soorten behoren, dat terug te vinden zal zijn in verschillen in samenstelling, metabolisme en gehalte aan ongewenste stoffen. In het geval van olie van de Arganboom gaat het om een geraffineerd product, met een grote mate van overeenkomst in vetzuursamenstelling met bestaande spijsoliën uit andere plantaardige bron. Echter, olie bevat ook een zogenoemde onverzeepbare fractie. Deze fractie bevat voor elke plantaardige bron typerende componenten die juist qua veiligheid nader beschouwd moeten worden.

Ook bij toepassing voor voedingsmiddelen van genetisch gemodificeerde bron roept notificatie veel weerstand op.13 De Nederlandse autoriteiten pleiten bij de (momenteel lopende) herziening van de Europese Verordening Nieuwe Voedingsmiddelen en Nieuwe voedselingrediënten, tegen het handhaven van de notificatieprocedure in de huidige vorm.

stapsgewijze beoordeling

De commissie VNV van de Gezondheidsraad heeft op basis van ruim drie jaar ervaring met beoordeling van nieuwe voedingsmiddelen in oktober 2002 een kaderadvies uitgebracht om haar beoordelingsmethode te verduidelijken en navolgbaar te maken.14 Bij de veiligheidsbeoordeling staat het belang van de volksgezondheid voorop. Ook is het belangrijk dat een eindoordeel totstandkomt op een zo efficiënt mogelijke wijze. Voor elk nieuw voedingsmiddel apart wordt een stapsgewijze benadering toegepast, waarbij wordt bekeken wat nodig is aan onderzoeksgegevens uit de categorieën samenstelling, voedingswaarde, moleculaire biologie, toxicologie en epidemiologie. Soms kunnen meer gegevens uit de ene categorie compenseren voor minder gegevens uit een andere categorie. De beoordelaars kunnen naar aanleiding van bepaalde bevindingen ook vervolgonderzoek vragen.

In het aangeleverde dossier specificeert de aanvrager het nieuwe voedingsmiddel en verzamelt alle valide en reproduceerbare gegevens die over het voedingsmiddel bekend zijn. De onderzoekingen die dan nog gedaan moeten worden zijn afhankelijk van het type voedingsmiddel en van wat er al bekend is over dat voedingsmiddel. Exotische voedingsmiddelen worden vaak al elders in de wereld gegeten. Als dit gedocumenteerd is en de consumptie geen gezondheidsklachten oplevert, spreken wij van een ‘geschiedenis van veilig gebruik’ (‘history of safe use’). Als de consumptie slechts anekdotisch is, spreken wij van een ‘geschiedenis van gebruik’ (‘history of use’). Het product is dan nog niet genoeg of nog niet door een dermate brede bevolkingsgroep geconsumeerd om te kunnen aannemen dat consumptie veilig is. Deze discussie was bijvoorbeeld aan de orde bij de beoordeling van Tahitiaans nonisap (een soort vruchtensap).15

Behalve gegevens over consumptie door de mens (epidemiologie) zijn gegevens over samenstelling, voedingswaarde en toxicologie onmisbaar. Dit geldt ook voor voedingsmiddelen van genetisch gemodificeerde oorsprong, maar daar is ook de biomoleculaire karakterisering van groot belang. Dat wil zeggen: is het gewenste nieuwe gen (bijvoorbeeld een bacterieel herbicideresistentiegen) zodanig ingebouwd in het genoom van het gastorganisme dat het gewenste eiwit wél gevormd wordt en géén verstoring van de gewone fysiologie optreedt, waarbij voor de gezondheid nadelige componenten kunnen ontstaan?

Specifieke bioactieve componenten

Specifieke bioactieve componenten (zoals fytosterolen) hebben een werking die boven die van gewone voedingsstoffen uitgaat.16 Voor de vitaminen en mineralen, klassieke specifieke bioactieve componenten, is er vaak jarenlange ervaring met het gebruik, wat nuttige informatie oplevert voor het vaststellen van veilige bovengrenzen. Voor nieuwe specifieke bioactieve componenten is die ervaring er niet en zal onderzoek bij proefdieren en mensen uitkomst moeten bieden om veilige bovengrenzen vast te stellen. Dit onderzoek is overigens ook nodig om de optimale inname te bepalen waarmee deze voedingsmiddelen de gezondheid van de doelgroep kunnen bevorderen.17 Het etiket moet voor de consument duidelijke informatie bevatten over de doelgroep en de optimale inname. Een duidelijke portieverpakking is bij voedingsmiddelen met specifieke bioactieve componenten vaak ook een vereiste. Om te controleren of de inname door de consument binnen de veilige grenzen ligt, wordt een zogeheten ‘post-launch monitoring’ gebruikt (enigszins vergelijkbaar met postmarketingsurveillance bij geneesmiddelen). Post-launchmonitoring wordt uitgevoerd in opdracht van de fabrikant. Ook de overheid kan deze uitvoeren om te controleren of een zeer breed productenassortiment van verschillende firma's met hetzelfde specifieke bioactieve ingrediënt toch niet tot overconsumptie leidt.

transparantie over het veiligheidsoordeel ten aanzien van voedingsmiddelen

De meeste burgers ‘delegeren’ hun oordeel over veilig voedsel aan de overheid. Zij gaan ervanuit dat in Nederland vrij verkrijgbare producten niet schadelijk zijn voor de gezondheid. Dat is ook het toetsingscriterium voor de overheid en dat wordt tegenwoordig, zoals beschreven, meer en meer vooraf aangelegd. De overheid raadpleegt voor een oordeel over nieuwe voedingsmiddelen op haar beurt een groep wetenschappelijke deskundigen (de commissie VNV) binnen de Gezondheidsraad. Voor het vertrouwen van de consument is het belangrijk dat deze commissie transparant opereert, dat wil zeggen open en onafhankelijk. Ook is het van belang dat zij haar beoordelingsmethode expliciteert, waardoor duidelijk wordt wat de commissie brengt tot haar eindoordeel ‘veilig’ of ‘niet veilig’. De openheid van de commissie VNV is begrensd door Europese regels en de Nederlandse Wet Openbaarheid van Bestuur.18 De commissie heeft de mogelijkheid geschapen de dossiers op verzoek in te zien.

De adviesaanvragen van de minister aan de Gezondheidsraad zijn altijd openbaar, de adviezen van de commissie zijn dat ook. Ze zijn te lezen op de website van de Gezondheidsraad via de pagina van de commissie VNV (www.gr.nl/vnv.php). De beraadslagingen van de commissie VNV zijn echter niet openbaar en de commissie hoort in de regel geen belangengroepen, zoals consumentenorganisaties of vertegenwoordigers van het bedrijfsleven. De contacten met belangengroepen zoals consumenten en bedrijfsleven (‘stakeholders’) in voorlichtende zin worden onderhouden door het secretariaat van de commissie. Belangengroepen zijn dus niet betrokken bij de wetenschappelijke besluitvorming in de commissie; zij hebben hun invloed via de politieke besluitvorming. De onafhankelijkheid van de commissie wordt bewaakt door de voorzitter. De commissieleden stellen elk jaar een verklaring op waarin zij hun persoonlijke en niet-persoonsgebonden belangen op schrift stellen. De voorzitter beoordeelt of bijvoorbeeld onderzoekscontracten van een bepaald instituut met het bedrijfsleven de onafhankelijkheid van een commissielid werkzaam bij dat instituut in de weg staan.

Mw.drs.C.L.Vuijst, biomedicus, projectassistent bij de Gezondheidsraad, droeg bij aan het manuscript.

Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: geen gemeld.

Literatuur
  1. Korthals M. Voor het eten. Filosofie en ethiek vanvoeding. Amsterdam: Boom; 2002.

  2. Verordening (EG) nr 258/97 van het Europees Parlement ende Raad van 27 januari 1997 betreffende nieuwe voedingsmiddelen en nieuwevoedselingrediënten. Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen1997;40(L43):1-6.

  3. Aanbeveling nr 97/618/EG van de Commissie van 29 juli 1997betreffende de wetenschappelijke aspecten en de presentatie van de informatiedie nodig is om aanvragen voor het in de handel brengen van nieuwevoedingsmiddelen en nieuwe voedselingrediënten te ondersteunen alsmedehet opstellen van de verslagen van de eerste beoordeling uit hoofde vanVerordening (EG) nr 258/97 van het Europees Parlement en de Raad.Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen 1997;40(L253):1-36.

  4. Richtlijn 89/107/EEG van de Europese Raad van 21 december1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstateninzake levensmiddelenadditieven die in voor menselijke voeding bestemde warenmogen worden gebruikt. Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen1989;32(L040):27-33.

  5. Richtlijn 89/107/EEG van de Europese Raad van 21 december1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstateninzake levensmiddelenadditieven die in voor menselijke voeding bestemde warenmogen worden gebruikt rectificatie. Publicatieblad van deEuropese Gemeenschappen 1998;41(L100): 72.

  6. Richtlijn 88/388/EEG van de Europese Raad van 22 juni 1988betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten inzakearoma's voor gebruik in levensmiddelen en de uitgangsmaterialen voor debereiding van die aroma's. Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen1988;31(L184):61-6.

  7. Richtlijn 88/388/EEG van de Europese Raad van 22 juni 1988betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten inzakearoma's voor gebruik in levensmiddelen en de uitgangsmaterialen voor debereiding van die aroma's rectificatie. Publicatieblad vande Europese Gemeenschappen 1988;31(L345): 29.

  8. Richtlijn 88/388/EEG van de Europese Raad van 22 juni 1988betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten inzakearoma's voor gebruik in levensmiddelen en de uitgangsmaterialen voor debereiding van die aroma's rectificatie. Publicatieblad vande Europese Gemeenschappen 1996;39(L089): 46.

  9. Richtlijn 88/344/EEG van de Europese Raad van 13 juni 1988betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten inzakehet gebruik van extractiemiddelen bij de produktie van levensmiddelen enbestanddelen daarvan. Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen1988;31(L157):28-33.

  10. Nederlandse Warenwet. WarenwetbesluitLevensmiddelenadditieven 25 maart 1992. Lelystad: KoninklijkeVermande; 2003.

  11. Nederlandse Warenwet. Warenwetbesluit Aroma's4 februari 1992. Lelystad: Koninklijke Vermande; 2000.

  12. Nederlandse Warenwet. Warenwetregeling Extractiemiddelen5 april 1993. Lelystad: Koninklijke Vermande; 2000.

  13. Kuiper HA, Kleter GA, Kok EJ. Voeding en gezondheid– genetisch gemodificeerd voedsel.Ned Tijdschr Geneeskd2003;147:56-60.

  14. Gezondheidsraad. Veiligheidsbeoordeling van nieuwevoedingsmiddelen publicatienr 2002/05VNV. Den Haag:Gezondheidsraad; 2002.

  15. Gezondheidsraad. Nonisap publicatienr2001/03VNV. Den Haag: Gezondheidsraad; 2001.

  16. Gezondheidsraad. Fytosterolen (3) publicatienr2003/01VNV. Den Haag: Gezondheidsraad; 2003.

  17. Roos NM de, Katan MB. Voeding en gezondheid – zinen onzin van voedingssupplementen en functionele voedingsmiddelen.Ned Tijdschr Geneeskd 2003;147:60-5.

  18. Verordening (EG) nr 1852/2001 van de Commissie van 20september 2001 houdende nadere regels voor de openbaarmaking van bepaaldegegevens en de bescherming van ingevolge Verordening (EG) nr 258/97 van hetEuropees Parlement en de Raad verstrekte gegevens. Publicatieblad van deEuropese Gemeenschappen 2001; 44(L253):17-8.

Auteursinformatie

Gezondheidsraad, Postbus 16.052, 2500 BB Den Haag.

Mw.dr.J.A.G.van de Wiel, toxicoloog; hr.dr.C.M.A.van Rossum, moleculair bioloog; mw.dr.ir.M.Rutgers, celbioloog.

Contact mw.dr.J.A.G. van de Wiel (jag.van.de.wiel@gr.nl)

Gerelateerde artikelen

Reacties