Vluchtelingen in de praktijk
Open

Persoonsgerichte zorg en veerkracht-gericht werken
Klinische les
16-10-2015
Majda Lamkaddem, Maria van den Muijsenbergh en Kees Laban

Reacties (2)

Ad Jongh
21-10-2015 13:04

Vluchtelingen zijn beter te helpen met PTSS-behandeling

Wij reageren op deze Klinische Les (1) omdat we vinden dat er sprake is van een achterhaalde presentatie over wat een adequate behandeling van getraumatiseerde vluchtelingen moet zijn.

Sinds 2003 bestaat er een multidisciplinaire richtlijn voor het behandelen van PTSS (2), waarbij de keuze wordt gelaten voor traumagerichte cognitieve gedragstherapie of EMDR therapie. Deze richtlijn wordt door de auteurs niet gevolgd. Wat is hiervoor de reden ? De auteurs geven aan dat zij het niet opportuun vinden om direct een op de verwerking gerichte traumabehandeling toe te passen, maar pas nadat eerst een traject van stabilisatie is ingezet om veerkracht te mobiliseren en te verbeteren. De belangrijkste wetenschappelijk ondersteuning hiervoor vinden de auteurs in een weinig zeggende case-control studie waarbij de PTSS symptomen van 68 asielzoekers die recent een verblijfsvergunning hadden gekregen sterker afnamen dan van mensen die al langer een verblijfsvergunning hadden (3).

Internationaal onderzoek onder mensen met PTSS maakt duidelijk dat een goed gedoseerde evidence based traumabehandeling, ook voor vluchtelingen werkzaam is (4,5), zonder dat hier een traject van stabilisatie of veerkrachtversterking aan vooraf hoeft te gaan. Verblijfsstatus blijkt geen effect op het resultaat van behandeling te hebben (4).

Deze Klinische Les werd op Twitter aangekondigd met als subtitel: “Hoe kun je hen het beste helpen?“ De vraag is of de beste hulp is geboden. Wij denken van niet. Ofschoon wij net als de auteurs van mening zijn dat vluchtelingen kunnen profiteren van een behandeling gericht op (herstel van) veerkracht (‘resilience’), denken wij dat veerkrachtgerichte interventies en traumagerichte behandeling elkaar niet hoeven uit te sluiten. Sterker nog, door een adequate traumabehandeling krijgen mensen juist een deel van hun veerkracht terug. Daarnaast moet voor elk individu waarbij PTSS is vastgesteld de behandeling zich in de eerste plaats en zo snel mogelijk richten op het verwerken van de traumatische herinneringen volgens de richtlijnen. Vluchtelingen mogen hierop geen uitzondering zijn. Ofwel: “Op basis van het huidige wetenschappelijke bewijs is het meer verantwoord om alle vluchtelingen met PTSS een traumagerichte behandeling te geven dan om hen psychosociale stabilisatie aan te bieden” (4).

AD DE JONGH, bijzonder hoogleraar Angst- en gedragsstoornissen, ACTA, Universiteit van Amsterdam. Centrum voor Psychotherapie en Psychtrauma, Bilthoven. email: a.de.jongh@acta.nl       

IVA BICANIC, klinisch psycholoog i.o., Landelijk Psychotraumacentrum voor Kinderen en Jongeren, Universitair Medisch Centrum Utrecht.

CARLIJN DE ROOS, klinisch psycholoog/psychotherapeut. Psychotraumacentrum voor Kinderen en Jongeren, GGZ Rivierduinen Leiden

Literatuur

http://psycho-trauma.nl/wp-content/uploads/2015/07/Ingezonden-brief-NTvG-over-behandeling-van-vluchtelingen-DEF.pdf

Ad Jongh
19-11-2015 00:40

Vluchtelingen in de praktijk (vervolg)

Laban en collega’s geven aan de richtlijnen voor posttraumatische stressstoornis (PTSS) te kennen en deze waar relevant en mogelijk toe te passen1. Maar maken direct ook een uitzondering vanuit een redenering die ten onrechte vaak door hulpverleners wordt gebruikt: “Richtlijnen zijn goed, maar gelden natuurlijk niet voor onze (moeilijke) patiënten”.

Hoewel we onderschrijven dat de problemen van vluchtelingen multiple en veelzijdig zijn, blijven we het oneens met de auteurs op het punt dat protocollaire (trauma-gerichte) behandelingen bij deze doelgroep te kort zouden schieten, niet passend zouden zijn of niet geaccepteerd zouden worden door. Een wijdverbreid misverstand is dat een vluchtelingen aan een Complexe vorm van PTSS lijdt, ofwel PTSS in combinatie met zoveel comorbiditeit, dat de behandeling ervan lastig of onmogelijk is. Naast het feit dat dit laatste waarschijnlijk een mythe is2, laten onderzoeksgegevens zien dat deze problematiek bij vluchtelingen vrijwel niet speelt3 Een 'gewone' PTSS behandeling zoals EMDR, imaginaire exposure, of Narrative Exposure Therapy (NET) kan daarom volstaan. Het promotie-onderzoek van ter Heide levert daarbij sterke ondersteuning, namelijk dat een dergelijke trauma-gerichte behandeling veilig en effectief kan worden ingezet, ook bij vluchtelingen, en ook zonder een voorafgaande stabilisatiefase of een focus op veerkracht4.

In de twee casus die Laban en collega’s presenteren5 was er in beide gevallen sprake van seksueel misbruik gerelateerd aan de oorlogservaringen. Uit de patiëntenbeschrijvingen blijkt dat hierop jarenlang - al die tijd dat ze in Nederland woonden (en ook nadat ze een status hadden verkregen) - geen behandeling is ingezet. Ook in het ‘gespecialiseerd ggzcentrum voor vluchtelingenproblematiek’ van de auteurs wordt de diagnose ‘PTSS vanwege het misbruik gesteld, maar behandelen die niet5. De auteurs houden in een reactie op onze kritiek een pleidooi voor de toepassing van NET1, maar stelden toen het er op aan kwam een behandeling van ‘psycho-educatie en medicatie in, waarna de betekenis van het werkloos-zijn werd geëxploreerd’5.

We begrijpen en respecteren de overwegingen van de auteurs om de veerkracht van patiënten te vergroten. Maar uit hun oorspronkelijke artikel kunnen we niet opmaken dat traumabehandeling voor PTSS serieus is overwogen. Naar onze mening vergissen de auteurs zich in hun reactie door ‘het vluchteling zijn’ aan te halen als reden voor het op voorhand niet volgen van de multidisciplinaire richtlijnen voor PTSS. Dat daarmee deze patiënten een werkzame behandeling is onthouden, beschouwen wij als een gemiste kans.

 

Voor de referenties zie: http://psycho-trauma.nl/wp-content/uploads/2015/07/Reactie-op-Laban-en-c...