Verzamelen van medische kennis tijdens Nederlandse expeditie in Brazilië, 1639
Open

Geschiedenis
04-03-2011
Stephen Snelders

De Nederlandse expansie naar tropische klimaten vanaf de jaren 1590 stelden de artsen en chirurgijns van de handelscompagnieën als de West-Indische Compagnie (WIC) en de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) voor praktische problemen op het gebied van preventie en therapie. Een eerste gespecialiseerd handboek voor geneeskunde in de tropen verscheen in het Nederlands in 1694. De informatie was gebaseerd op praktijkervaringen en op informatie verkregen van eerdere kolonisatoren en van de autochtone bevolking. Met name om die laatste informatie te krijgen was een speciaal soort onderzoekers nodig, de zogenaamde ‘avonturiersgeleerden’. Één van de belangrijkste van hen was de Duitser Georg Marcgraf, die in 1639 de binnenlanden van Brazilië introk met een expeditie van mensenrovers om informatie te verkrijgen over flora en fauna, waaronder over geneeskrachtige planten.

De Nederlandse expansie naar tropische klimaten vanaf de jaren 1590 stelden de artsen en chirurgijns van de handelscompagnieën als de West-Indische Compagnie (WIC) en de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) voor praktische problemen op het gebied van preventie en therapie.

‘Vele chirurgijns hebben lust om vreemde landen te bezichtigen, en als zij hun kunst daar niet kunnen oefenen, zijn zij grotendeels in verlegenheid, want de landaard, de lucht, de wateren, spijzen, drank, gewoonten der naties enzovoort niet kennende, moeten zij in verlegenheid zijn. Ik heb het daarom als mijn plicht gezien, deze Oost- en West-Indische Warande het licht te doen zien.’1 Aldus de Amsterdamse uitgever Jan ten Hoorn in het voorwoord van het handzame, gebonden boek van meer dan 300 bladzijden op pocketformaat dat hij in 1694 uitbracht onder de titel Oost- en West-Indische Warande. Vervattende aldaar de leef- en geneeskonst. Het boek bevat volgens het voorwoord alles wat door de geleerden Jacob de Bont op Java en door Willem Piso en Georg Marcgraf in Brazilië was ontdekt ‘omtrent de aard der gezonde mensen, zowel als van de ziekten, gewassen, medicinale kruiden en wortels.’1

In dit artikel zal ik een voorbeeld geven van de activiteiten van een bekende ‘avonturiersgeleerde’, Het gaat om de Duitser Georg Marcgraf, aan wie naar aanleiding van zijn 400e geboortedag op 23 september 2010 een symposium werd gewijd in het Museum Boerhaave in Leiden.

Avonturiersgeleerden

De Oost- en West-Indische Warande treffen we niet of nauwelijks aan in geschiedenissen van de tropische geneeskunde. Toch was het boek het eerste gespecialiseerde handboek over geneeskunde in de tropen dat in het Nederlands verscheen. Hiermee werd informatie toegankelijk die eerder in de eeuw was verschenen in het Latijn, in zeldzame en soms kostbare werken, die niet tot de uitrusting van scheepschirurgijns of heelmeesters overzee zal hebben behoord. De Warande was gemakkelijk mee te nemen in de jaszak, bevatte een register, en was geschreven in de landstaal en op een populaire toon.

De inhoud van de Warande was het product van de worsteling van de Nederlanders om zich in de ‘hete klimaten’ overzee in leven te houden. Hiervoor was kennis nodig: van de vormen die ziektes in die klimaten aannamen, van preventie, en van lokale therapieën. Het proces van kennisverwerving vond echter niet plaats onder vreedzame omstandigheden, maar in een met geweld doordrenkte grenszone of contactzone die verschillende culturen verbond.

In de 17e eeuw treffen we onder de verzamelaars van die kennis dan ook een specifiek soort mensen aan. Het waren lang niet altijd artsen of chirurgijns, of zelfs maar geschoolde mensen; het verzamelen van kennis stond niet altijd centraal in hun activiteiten. Het was een zeer gemengd soort mensen die een diepe interesse deelden in de wereld van planten en dieren, in de culturen die ze aantroffen, en in de pragmatische waarde van kennis over ziekte en gezondheid die ze op konden doen in de Nieuwe Wereld. Tegelijk waren het avonturiers op zoek naar gewin, mannen van actie, die in staat waren om zich te handhaven in de gewelddadige wereld waarin ze hun fortuin zochten. Zonder deze ‘avonturiersgeleerden’ waren de eerste meer systematische beschrijvingen van gezondheid en ziekte in de West niet mogelijk geweest.2

Piso en Marcgraf

De Amsterdamse arts Willem Piso (1611-1678), later ‘de vader van de tropische geneeskunde’ genoemd,3,4 was in 1638 in Brazilië gearriveerd als lijfarts van de lokale gouverneur Johan Maurits van Nassau. Met hem meegekomen was de Duitser Georg Marcgraf (1610-1644). Marcgraf was in Europa van universiteit naar universiteit getrokken, was een begaafd botanist en astronoom en had ook geneeskunde gestudeerd, maar nooit een graad gehaald.5-8

Piso en Marcgraf waren duidelijk geïnteresseerd in het doen van eigen waarnemingen in de vreemde Nieuwe Wereld, en niet in het klakkeloos overnemen van wat in het moederland reeds bekend was. Het verwerven van kennis kon gebeuren door het raadplegen van teksten van Portugese dokters of door het gadeslaan van de gewoonten van de lokale Portugese en indiaanse bevolking, door het bestuderen van de rapporten en getuigenissen van de binnenlandse expedities, en door het opensnijden van gestorven negerslaven, een gebeurtenis waartegen hun verwanten niet konden protesteren. Net zoals hun Portugese voorgangers beoefenden de Nederlanders een ‘tropisch empirisme’, het waarnemen en uitproberen van de lokale genezingsmethoden.9

Lokale geneeskrachtige gebruiken

De Nederlanders in Brazilië meenden dat de indianen belangrijke kennis hadden doordat zij dichter bij de natuur stonden. In het klassiek-medische gedachtegoed bracht elk gebied zijn eigen geneeskrachtige middelen voort. Zo schreef de dienaar van de WIC Adriaen van der Dussen in verband met het sap van de copaiba-wortel, dat als wondzalf in hoog aanzien stond: ‘[Geneeskrachtige] planten worden gekend van het gewrijf van gewonde dieren die, met slangen gebeten, zich door hun indruk laten leiden tot dit natuurlijke geneesmiddel.’10 Zijn verslag werd opgenomen in de geschiedenis van de Nederlanders in Brazilië die in 1647 gepubliceerd werd door Caspar Barlaeus, oud-hoogleraar in Leiden en mede-oprichter van het Athenaeum Illustre in Amsterdam, de voorloper van het huidige Barlaeus-gymnasium.

De indianen sloegen de dieren gade en leerden van hen, en de Europeanen konden op hun beurt de indianen gadeslaan om van dezen te leren. De indianen, aldus Piso, waren dan misschien niet op het geleerde niveau van de Europeanen, maar hadden wel iets te melden. De indianen haalden medicamenten uit de bossen en wisten blijkbaar heel goed wat ze deden. Het was natuurlijk wel aan de wetenschappelijk gevormde arts om het kaf van het koren te scheiden, want er werden ‘in een dergelijke barbaarse omgeving veel gebruiken gevonden, die ruw en verkeerd zijn en de kunst van Hippocrates onwaardig.’11

Om de kennis te verwerven die de indianen van de natuur hadden geleerd, had Piso informatie nodig die niet alleen te krijgen was in de bezette steden. Voor informatie over planten en ziekten in de binnenlanden was hij aangewezen op de waarnemingen van avonturiers die erheen trokken, zoals Marcgraf. Deze had een eigen herbarium en een astronomisch observatorium ingericht in Recife. Wanneer hij daar niet bezig was, trok hij het binnenland in. Hij ging mee op militaire expedities om flora en fauna te verzamelen voor de collecties van Johan Maurits. Dit was de omgeving waar een avonturiersgeleerde als Marcgraf op zijn plaats en nodig was, veel meer dan de arts en studeerkamergeleerde Piso.

‘De 28e juni [1639] uit Sira [Cearà] gemarcheerd met 250 Brazilianen (Tupi-indianen) en 150 Tapuya [dit waren indiaanse bondgenoten van de Tupi en van de Nederlanders in de strijd tegen andere Tapuya] om oorlog te voeren tegen de wilde Tapuya...’ Zo begint het verslag van één van de expedities waarmee Marcgraf het binnenland introk, zoals de historici Van den Boogaart en Brienen hebben aangetoond.12 De 20e juli slaagde de expeditie erin een spoor van de wilde Tapuya te vinden. Marcgrafs troepenmacht volgde de ‘wilden’ de gehele nacht om ze bij het ochtendkrieken aan te vallen. De strijd duurde enige uren, tot een uur of negen, tien in de ochtend. Toen hadden de wilde Tapuya er genoeg van en smeekten om een wapenstilstand. ‘Er zijn van de vijand 150 dood gebleven en van ons 9 Brazilianen en 3 Braziliaanse vrouwen, 7 van onze Tapuya, maar onze Tapuya hebben hun doden aan stukken gehouwen en opgegeten en wij maakten 50 van hun [van de wilde Tapuya] kinderen gevangen...’12

Waarlijk een gruwelijk decor voor het verzamelen van botanische en zoölogische kennis. In ruil voor de kinderen eisten de Tupi dat de wilde Tapuya zich onderwierpen aan het gezag van Johan Maurits. Die weigerden dit. ’s Nachts ontbrandden de gevechten opnieuw, maar de expeditie wist zich op de 23e succesvol terug te trekken en kwam 6 augustus weer aan in Cearà, met de gevangen kinderen, die als slaaf verkocht werden of verdeeld onder de blanken. Het lijkt er dan ook op dat dit een gerichte actie was van de Tupi om slaven te halen.12

Marcgraf greep de expeditie van de mensenrovers aan om zijn botanische en zoölogische onderzoekingen te kunnen doen. Bekeek hij de planten in de omgeving terwijl zijn indiaanse vrienden menselijke lijken aan het opeten waren? Uit zijn aantekeningen weten we dat hij op 20 juli, dezelfde dag dat de expeditie op de wilde Tapuya stuitte, een vrouwelijke schildpad vond die hij meenam en 21 maanden bij zich zou houden – hoewel ze al die tijd weigerde te eten. Op 3 augustus, vlak vóór de terugkeer naar Cearà, sneed hij een Boa constrictor open voor onderzoek.7

Ten slotte

Van oktober 1640 tot december 1641 was Marcgraf het grootste deel van zijn tijd onderweg in de binnenlanden. Hier verzamelde hij een belangrijk deel van het materiaal en werkte hij aan de tekeningen die later terecht kwamen in de door Piso uitgegeven Historia naturalis Brasiliae (‘Natuurhistorie van Brazilië’, 1648; figuur) en aan de basis stonden van de Warande. Marcgraf overleefde het overzeese avontuur niet. Hij ging als cartograaf van de WIC naar Angola, maar stierf daar al binnen twee maanden: in juli of augustus 1644. Zonder zijn bijdragen en die van andere avonturiersgeleerden was de praktische informatie die Nederlandse heelmeesters overzee mee konden nemen in hun Warande niet verworven.

Literatuur

  1. Jacobus B, Gulielmus P, Georgius M. Oost- en West-Indische Warande. Vervattende aldaar de Leef- en genees-konst. Amsterdam: Jan ten Hoorn; 1694.

  2. Snelders S. ‘Kapers van kennis’. Studium. 2009;2:55-64.

  3. Eike P. Willem Piso (1611-1678). Düsseldorf: Interma-Orb; 1681.

  4. Guerra F. Medicine in Dutch Brazil 1624-1654. In: Van den Boogaart E, ed, Johan Maurits van Nassau-Siegen, 1604-1679: A humanist prince in Europe and Brazil. Den Haag; 1979. p. 472-92.

  5. Meijer TJ. De omstreden nalatenschap van een avontuurlijk geleerde. Jaarboekje voor Geschiedenis en Oudheidkunde van Leiden en Omstreken. 1972;64:63-76.

  6. Whitehead PJP. The biography of Georg Marcgraf (1610-1643/4) by his brother Christian translated by James Petiver. Journal of the Society for the Bibliography of Natural History. 1979;9:301-314.

  7. Whitehead PJP. Georg Markgraf and Brazilian Zoology. In: Van den Boogaart E, ed, Johan Maurits van Nassau-Siegen, 1604-1679: A humanist prince in Europe and Brazil. Den Haag: The Johan Maurits van Nassau Stichting; 1979. p. 424-71.

  8. Brienen RP. Georg Marcgraf (1610-c.1644): A German cartographer, astronomer, and naturalist-illustrator in colonial Dutch Brazil. Itinerario. 2001;25:85-122 Medline. doi:10.1017/S0165115300005581

  9. Ferreira Furtado J. Tropical empiricism: Making medical knowledge in colonial Brazil. In: Delbourgo J. Dew N, ed. Science and empire in the Atlantic World. New York: Routledge; 2008. p. 127-51.

  10. Barlaeus C. Nederlandsch-Brazilië onder het bewind van Johan Maurits, grave van Nassau 1637-1644. Historisch-geographisch-ethnographisch. ‘s-Gravenhage: Nijhoff; 1923.

  11. Van Andel MA. Gulielmus Piso. Capita nonnulla de ventris fluxibus, de dysenteria, de lue Indica, de Ipecacuánha. Inleiding. Opuscula selecta Neerlandicorum de Arte Medica. 1937; 14. p. xxii

  12. Van den Boogaart E, Brienen RP. Information from Cearà from Georg Marcgraf (June-August 1639). In: Ferrão C, Monteiro Soares JP, ed. Dutch Brazil. VII. Editoria Index: Rio de Janeiro; 2007.