Vermijdbare en niet-vermijdbare medicatiegerelateerde schade in het ziekenhuis*

Onderzoek
Peter G.M. Mol
Patricia M.L.A. van den Bemt
Aileen B. Dequito
Jasperien E. van Doormaal
Rianne J. Zaal
Floor M. Haaijer-Ruskamp
Jos G.W. Kosterink
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2012;156:A5051
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Doel

Bepalen van de prevalentie van vermijdbare medicatiegerelateerde schade en niet-vermijdbare bijwerkingen en het bepalen van de determinanten hiervoor.

Opzet

Prospectief statusonderzoek.

Methode

Gedurende een periode van 5 maanden werden in 2 ziekenhuizen met een werkend elektronisch voorschrijfsysteem en klinisch beslissingsondersteunend systeem 603 patiënten die langer dan 24 h waren opgenomen op de afdelingen Geriatrie, Algemene Interne Geneeskunde, Gastro-enterologie of Reumatologie geïncludeerd. De medicatiegerelateerde schade die zij ervoeren werd in kaart gebracht.

Resultaten

In totaal ondervonden 349 patiënten (58%) 1 of meerdere keren medicatiegerelateerde schade, van wie 307 patiënten (88%) niet-vermijdbare bijwerkingen hadden. De meest algemeen voorkomende vermijdbare schade en bijwerkingen die patiënten ondervonden waren obstipatie, diarree, dyspneu, verhoogde INR, misselijkheid, duizeligheid en vallen. Voor zowel vermijdbare schade als niet-vermijdbare bijwerkingen werden grotendeels dezelfde determinanten gevonden.

Conclusie

In deze studie ondervond meer dan de helft van de opgenomen patiënten schade door geneesmiddelen, waarvan het merendeel niet-ernstige, niet-vermijdbare bijwerkingen waren. Deze resultaten geven aan dat men in het ziekenhuis alert dient te zijn op de veelvuldig optredende bijwerkingen van geneesmiddelen. Door vroege interventie – ook bij de vaak minder ernstige bijwerkingen – kan het welzijn van opgenomen patiënten mogelijk worden verbeterd.

Inleiding

Onderzoek naar de veiligheid van geneesmiddelen focust tegenwoordig vooral op de beheersing van medicatiefouten en de eventueel daaruit voortvloeiende vermijdbare medicatiegerelateerde schade.1 Door de invoering van elektronische voorschrijfsystemen (‘computerized physician order entry’ (CPOE)) en klinische beslissingsondersteunende systemen (‘clinical decision support systems’ (CDSS)) is met succes het aantal medicatiefouten verminderd.2-5 Beheersing van niet-vermijdbare geneesmiddelbijwerkingen die optreden bij een juist gebruik van geneesmiddelen is met deze systemen echter niet mogelijk. Ook die niet-vermijdbare bijwerkingen zijn echter van belang, omdat een vroege opsporing de gevolgen ervan zou kunnen beperken.6,7

De meeste onderzoeken zijn gericht op bijwerkingen die relatief ernstig van aard zijn en bijvoorbeeld het verblijf in het ziekenhuis verlengen.8 Zo werd in een recent Nederlands onderzoek aangetoond dat bij 0,9% van de in het ziekenhuis opgenomen patiënten ernstige medicatiegerelateerde schade optrad, waarvan circa 80% als niet-vermijdbaar werd beschouwd.9 Toch kan ook niet-ernstige schade invloed hebben op het welzijn van opgenomen patiënten en kan tijdige opsporing dat welzijn mogelijk verhogen.10

Determinanten voor het optreden van vermijdbare schade en bijwerkingen zijn al eerder onderzocht.8,11 Het gerapporteerde verband varieert tussen de onderzoeken, maar het aantal en het type geneesmiddelen (bijvoorbeeld middelen die inwerken op het cardiovasculaire systeem, het bloed en de bloedvormende organen, het zenuwstelsel, en antimicrobiële middelen) worden stelselmatig genoemd als significante determinanten.11-13 Over multimorbiditeit als determinant voor schade veroorzaakt door medicatiefouten of door bijwerkingen is minder bekend.

In dit onderzoek bepaalden we de prevalentie van vermijdbare medicatiegerelateerde schade en vergeleken deze met die van niet-vermijdbare bijwerkingen. Ook identificeerden we belangrijke determinanten voor beide types medicatiegerelateerde schade in een ziekenhuissetting met een elektronisch voorschrijfsysteem en klinisch beslissingsondersteunend systeem (CPOE/CDSS).

Materiaal en methode

Opzet

We verrichtten een prospectief statusonderzoek naar de effecten van het invoeren van een CPOE-systeem met CDSS op het optreden van medicatiefouten en van schade door medicatiefouten.3 De gegevens voor het huidige onderzoek werden 8 weken na implementatie van het CPOE-systeem (in 2006 respectievelijk 2008) verzameld gedurende een periode van 5 maanden in het UMC Groningen (UMCG) en het TweeSteden ziekenhuis in Tilburg en Waalwijk (TSz). Patiënten die langer dan 24 h waren opgenomen op de afdelingen Geriatrie (TSz), Algemene Interne Geneeskunde (TSz en UMCG), Gastro-enterologie of Reumatologie (UMCG) werden in het onderzoek opgenomen. De specialismen gastro-enterologie en reumatologie deelden 1 verpleegafdeling, waar het CPOE-systeem gelijktijdig werd ingevoerd. Het onderzoek werd door de medisch-ethische commissie vrijgesteld van toetsing.3

Elektronische voorschrijfsystemen

De CPOE-systemen die in onze ziekenhuizen werden geïmplementeerd, beschikken over een ‘basaal’ CDSS dat op geneesmiddeleninteracties controleert en een beperkte doseringsondersteuning biedt.14 In Tilburg zijn daarnaast ook de processen van patiëntidentificatie en toediening van geneesmiddelen geautomatiseerd, waarbij barcodes op de polsbandjes van patiënten en op de verpakkingen van geneesmiddelen worden gescand.

Gegevensverzameling en beoordeling

Patiëntkenmerken (leeftijd, geslacht, gewicht, lengte en comorbiditeit) en ziektekenmerken (voorgeschiedenis, reden van opname en differentiaaldiagnoses) werden tijdens dagelijkse afdelingsvisites verzameld. Data over gebruikte geneesmiddelen en laboratoriumuitslagen werden verkregen uit de medische en verpleegkundige statussen, het CPOE-systeem en het ziekenhuisinformatiesysteem. Geneesmiddelen werden ingedeeld volgens het ‘Anatomic therapeutic chemical’(ATC)-classificatiesysteem.15

De primaire uitkomstmatenwaren de prevalenties van vermijdbare medicatiegerelateerde schade en van bijwerkingen. Tijdens dagelijkse afdelingsvisites werden gegevens van alle klachten en symptomen verzameld die mogelijk verband hielden met het medicatiegebruik zoals gerapporteerd in de medische en verpleegkundige statussen. Vervolgens werden in een tweestapprocedure niet-vermijdbare en vermijdbare schade geïdentificeerd.

Vermijdbare medicatiegerelateerde schade Vermijdbare medicatiegerelateerde schade werd gedefinieerd als: ‘een ongewenst voorval dat een verband heeft met zowel een geneesmiddel als een medicatiefout’.3 Kort samengevat: nadat de gegevens van alle mogelijke klachten en symptomen van de patiënten waren verzameld, werden alle medicatieopdrachten van alle deelnemende patiënten onderzocht op medicatiefouten. Het causale verband tussen de medicatiefout en de klachten en symptomen van de patiënt werd beoordeeld met behulp van het vereenvoudigde Yale-algoritme (tabel 1).16 Het causale verband werd beoordeeld als ‘onwaarschijnlijk’ (score 17

Figuur 1

Bijwerkingen Bijwerkingen werden gedefinieerd volgens de WHO-definitie.18 Het verband tussen de gevonden klachten en symptomen die niet als vermijdbare medicatiegerelateerde schade waren geclassificeerd en de door de patiënt gebruikte geneesmiddelen, werd beoordeeld in een afzonderlijke procedure. Het causale verband tussen het geneesmiddel en een ongewenst voorval werd opnieuw met behulp van het vereenvoudigde Yale-algoritme beoordeeld (zie tabel 1), waarbij dezelfde drempelwaarden gebruikt werden voor een onwaarschijnlijk, mogelijk of waarschijnlijk verband met de gebruikte medicatie. Klachten en symptomen met een mogelijk en een waarschijnlijk verband werden als ‘bijwerking’ beoordeeld. Alle beoordelingen werden door 2 beoordelaars via consensus bereikt.

In dit onderzoek gebruikten we ‘medicatiegerelateerde schade’ als overkoepelende term voor vermijdbare en niet-vermijdbare schade (bijwerkingen) door geneesmiddelen.

Determinanten De determinanten voor medicatiegerelateerde schade die in dit onderzoek werden onderzocht, waren organisatorische factoren (ziekenhuis, afdeling), patiëntkenmerken (geslacht, leeftijd, opnameduur), medicatiegerelateerde factoren (aantal medicatieopdrachten en type geneesmiddel) en de klinische toestand van de patiënt.4,6-9 We gebruikten multimorbiditeit, dat wil zeggen het totale aantal diagnoses, om de klinische toestand van een patiënt te beschrijven. Hierbij was onze hypothese dat patiënten bij een groter aantal diagnoses gevoeliger zouden zijn voor medicatiegerelateerde schade.

Statistische analyse

Om vast te stellen welke determinanten een onafhankelijke bijdrage leverden aan de kans op medicatiegerelateerde schade, voerden wij na een univariate analyse een multivariate analyse uit volgens een logistisch regressiemodel. Ruwe en gecorrigeerde oddsratio’s (OR) met 95%-BI werden berekend. In 2 modellen werden patiënten met 1 of meer vermijdbare medicatiegerelateerde symptomen (model 1) of bijwerkingen (model 2) afzonderlijk vergeleken met patiënten zonder medicatiegerelateerde schade. Opnameduur (in dagen), leeftijd (in jaren), aantal medicatieopdrachten en aantal diagnoses werden als continue variabelen geanalyseerd.

Resultaten

Gedurende de onderzoeksperiode werden 609 patiënten op de onderzoeksafdelingen opgenomen, van wie er 6 (ongeveer 1%) niet aan het onderzoek deel wilden nemen. In totaal ondervonden 349 (58%) van de 603 opgenomen patiënten 1 of meerdere keren medicatiegerelateerde schade (figuur). Bij 42 van hen (12%; 7% van de totale onderzochte populatie) werd een causaal verband tussen de schade en een medicatiefout vastgesteld. De overige 307 patiënten (88%; 51% van de totale onderzochte populatie) werden geclassificeerd als patiënten die een bijwerking (niet-vermijdbare schade) ondervonden (zie figuur).

Figuur 2

De 349 patiënten met medicatiegerelateerde schade ondervonden 935 bijwerkingen en 54 keer vermijdbare medicatiegerelateerde schade, wat neerkwam op een gemiddelde van bijna 3 symptomen per patiënt. De meest voorkomende medicatiegerelateerde symptomen waren obstipatie, diarree, dyspneu, een verhoogde INR, misselijkheid, duizeligheid en vallen (tabel 2).

Figuur 3

De geneesmiddelen die het vaakst gerelateerd waren aan het optreden van zowel vermijdbare medicatiegerelateerde schade als van bijwerkingen, waren middelen die inwerken op het zenuwstelsel (ATC-code N), middelen voor het cardiovasculaire systeem (ATC-code C), antimicrobiële middelen voor systemisch gebruik (ATC-code J) en middelen die inwerken op het bloed en de bloedvormende organen (ATC-code B) (tabel 3). Patiënten met vermijdbare medicatiegerelateerde schade gebruikten vaak middelen voor het zenuwstelsel, middelen die inwerken op het bloed en de bloedvormende organen, cardiovasculaire geneesmiddelen en systemische antimicrobiële middelen. Middelen voor het spijsverteringskanaal en de stofwisseling (ATC-code A) waren de derde meest voorkomende oorzaak van bijwerkingen, maar waren zelden gerelateerd met vermijdbare schade.

Figuur 4

De continue variabelen ‘multimorbiditeit’, ‘opnameduur’ en ‘aantal medicatieopdrachten’ waren significante determinanten voor zowel vermijdbare schade als bijwerkingen (tabel 4). Opname op de afdeling Geriatrie leidde tot een verhoogd risico op zowel vermijdbare schade als bijwerkingen. Daarentegen leidde opname op de afdelingen Gastro-enterologische en Reumatologie tot een lager risico op beide types geneesmiddelgerelateerde schade. Andere significante determinanten, maar alleen voor bijwerkingen, waren het vrouwelijke geslacht en het gebruik van middelen met een werking op het zenuwstelsel, beiden leidend tot een verhoogd risico. In het multivariate model was leeftijd een significante determinant voor alleen vermijdbare schade (zie tabel 4). Omdat slechts 42 patiënten met vermijdbare schade te maken kregen, beperkten we onze correctie in model 1 (geen schade vs. vermijdbare schade) tot een maximum van 3 determinanten (naast de centrale determinant). We corrigeerden hiervoor elke onderzochte determinant alleen voor het aantal medicatieopdrachten, geneesmiddelen met ATC-code B en voor multimorbiditeit. De selectie van deze determinanten werd bepaald door de gevonden associatie in de univariate analyse en ondersteund door de in de literatuur beschreven associatie van deze determinanten met schade.12 De determinant waarin we vooral geïnteresseerd waren, multimorbiditeit, vertoonde in de univariate analyse ook weer een sterk verband met vermijdbare schade, en werd daarom geselecteerd.

Figuur 5

In model 2 (geen schade vs. bijwerking) namen we alle determinanten mee die significant waren in de univariate analyse.

Beschouwing

In ons onderzoek ondervonden 349 patiënten (58%) 1 of meer keren medicatiegerelateerde schade tijdens hun opname. Bij het merendeel (n = 307; 51% van alle deelnemende patiënten) was er sprake van niet-vermijdbare bijwerkingen. Slechts 7% van alle patiënten ondervond schade veroorzaakt door een medicatiefout. Dit was de situatie na de invoering van het CPOE-systeem, waardoor, zoals wij eerder beschreven, het aantal medicatiefouten significant was verminderd.3

De determinanten voor zowel vermijdbare schade als voor bijwerkingen vertoonden een aanzienlijke overlap (multimorbiditeit, opnameduur, aantal medicatieopdrachten, en opname op een geriatrische, gastro-enterologische of reumatologische afdeling). De meest algemeen voorkomende vermijdbare schade en bijwerkingen die patiënten ondervonden waren obstipatie, diarree, dyspneu, een verhoogde INR, misselijkheid, duizeligheid en vallen. Hoewel de meeste van deze symptomen niet ernstig van aard waren, kunnen ze wel de kwaliteit van leven van de opgenomen patiënten beïnvloeden.

In ons onderzoek ondervonden opgenomen patiënten na implementatie van een CPOE-systeem vooral schade die niet door medicatiefouten was veroorzaakt, maar optrad bij correct gebruik van het geneesmiddel (bijwerkingen). Dit betekent dat basale CPOE-systemen niet voldoende in staat zijn bijwerkingen te voorkómen, omdat ze in de eerste plaats gericht zijn op het opsporen van medicatiefouten, zoals geneesmiddeleninteracties of overdoseringen. Een vergelijkbaar hoog aantal bijwerkingen ten opzichte van vermijdbare medicatiegerelateerde schade werd al eerder in een ziekenhuissetting waargenomen.4,19 In dit geval had een medicatiebeoordeling door apothekers geleid tot een afname van vermijdbare schade, maar werd geen effect gezien op het aantal bijwerkingen.

Een mogelijke verklaring voor het hoge aantal door ons gevonden symptomen ten opzichte van eerder onderzoek is dat deze onderzoeken gericht waren op ernstige, levensbedreigende of fatale schade,8,11 terwijl wij ook niet-ernstige schade hebben meegenomen. De door ons geraadpleegde verpleegkundige statussen worden elders vaak niet geraadpleegd, maar gelden als een goede bron voor minder ernstige schade zoals misselijkheid, huiduitslag of psychische veranderingen. Verpleegkundigen staan het nauwst in contact met de patiënten en hun familie en zijn daardoor het eerst op de hoogte van klachten.20 We denken dat deze minder ernstige schade vanuit het perspectief van ziekenhuispatiënten zeer belangrijk is en hun welzijn negatief kan beïnvloeden. Daarom behoren ze voldoende aandacht te krijgen. Hoewel de meeste van deze symptomen misschien niet te voorkomen zijn, zou een aantal ervan in een vroeg stadium gunstig beïnvloed kunnen worden door bijvoorbeeld het geneesmiddel te staken, de dosis aan te passen, of in sommige gevallen een middel toe te voegen ter verlichting van de symptomen. Andere verklaringen voor het hoge aantal door ons gevonden symptomen is het feit dat prospectief of retrospectief statusonderzoek zoals door ons toegepast, de gevoeligste aanpak is om medicatiefouten en medicatiegerelateerde schade op te sporen.21,22 Daarnaast hebben we een lage drempelwaarde gebruikt om het causale verband tussen de klachten en symptomen en de medicatie te beoordelen.

De determinanten die we voor vermijdbare schade en bijwerkingen hebben geïdentificeerd, waren ongeveer dezelfde als elders zijn beschreven, namelijk het aantal medicatieopdrachten, de opnameduur, organisatorische factoren (opname op de geriatrische afdeling geeft een verhoogd risico en op de gastro-enterologische of reumatologische afdeling een verlaagd risico),13,23,24 en ook multimorbiditeit.25 De rol van geneesmiddelenklassen was minder uitgesproken. Onze bevindingen benadrukken hoe belangrijk het is om patiënten met multimorbiditeit nauwgezet te volgen, zodat bijwerkingen en vermijdbare schade die mogelijk beheersbaar zijn (bijvoorbeeld door symptoombehandeling of staken van het middel) opgespoord kunnen worden. Leeftijd was een risicofactor voor vermijdbare schade. Dit benadrukt dat er voldoende aandacht aan ouderen besteed moet worden, omdat zij een kwetsbare groep vormen die vaak meerdere aandoeningen hebben, waarvoor zij meerdere geneesmiddelen krijgen.26 Dit onderzoek bevestigt dat vrouwen vergeleken met mannen een hoger risico hebben op bijwerkingen, wat verklaard kan worden door intrinsieke, geslachtsgebonden verschillen in farmacokinetische, immunologische, hormonale en gedragsmatige factoren.27,28 Bij patiënten op een geriatrische afdeling werden meer niet-vermijdbare bijwerkingen waargenomen, wat verklaard kan worden door een verhoogde alertheid van het medische, verpleegkundige en apothekerspersoneel op het feit dat vooral zwakke, oudere patiënten gevoeliger kunnen zijn voor medicatieschade.29,30

Tegenwoordig zijn de interventies in ziekenhuisprocessen voornamelijk gericht op het verminderen van het aantal medicatiefouten en van vermijdbare schade. Uit ons onderzoek blijkt echter dat dit misschien veranderd moet worden, zodat ook de beheersing van bijwerkingen kan worden gewaarborgd. ICT-systemen zijn nog niet voldoende in staat deze niet-vermijdbare bijwerkingen op te sporen. Daarom zouden ziekenhuismedewerkers die de patiënt rechtstreeks verzorgen meer aandacht moeten besteden aan de medicatieveiligheid. De ziekenhuisapotheker zou hierbij een rol kunnen spelen. Vroege opsporing en beheersing van niet-vermijdbare bijwerkingen kan aanzienlijk bijdragen aan het welzijn van opgenomen patiënten, zelfs wanneer deze bijwerkingen – vergeleken met de reden van opname – als onbelangrijk worden beschouwd.

Conclusie

In dit onderzoek is aangetoond dat medicatiegerelateerde schade bij ziekenhuispatiënten veel voorkomt. De meeste interventies in ziekenhuisprocessen, zoals het gebruikmaken van een elektronisch voorschrijfsysteem en klinisch beslissingsondersteunend systeem (CPOE/CDSS) of een medicatiebeoordeling, zijn gericht op vermijdbare schade. Het merendeel van de schade is echter juist niet-vermijdbaar, zelfs wanneer een CPOE-systeem wordt toegepast.

Leerpunten

  • In deze studie ondervond meer dan de helft van de opgenomen patiënten schade door geneesmiddelen, waarvan het merendeel niet-ernstige, niet-vermijdbare bijwerkingen.

  • De meest voorkomende vermijdbare schade en bijwerkingen waren obstipatie, diarree, dyspneu, verhoogde INR, misselijkheid, duizeligheid en vallen.

  • Zowel vermijdbare schade als niet-vermijdbare bijwerkingen hadden grotendeels dezelfde risicofactoren, zoals aantal medicatieopdrachten, opnameduur, organisatorische factoren en multimorbiditeit.

  • Elektronische voorschrijfsystemen kunnen het aantal medicatiefouten doen verminderen, en mogelijk ook de daaruit voortvloeiende vermijdbare schade.

  • Door vroege opsporing en interventie – ook bij de vaak minder ernstige bijwerkingen – kan het welzijn van opgenomen patiënten mogelijk worden verbeterd.

Literatuur
  1. Kohn L, Corrigan J, Donaldson M; Committee on Quality of Health Care in America, Institute of Medicine. To err is human: building a safer health system. Washington, DC: National Academy Press; 1999.

  2. Ammenwerth E, Schnell-Inderst P, Machan C, et al. The effect of electronic prescribing on medication errors and adverse drug events: a systematic review. J Am Med Inform Assoc. 2008;15:585-600 Medline. doi:10.1197/jamia.M2667

  3. Doormaal JE van, Bemt PM van den, Zaal RJ, et al. The influence of computerized prescribing on medication errors and preventable adverse drug events: an interrupted time series study. J Am Med Inform Assoc. 2009;16:816-25 Medline. doi:10.1197/jamia.M3099

  4. Nebeker JR, Hoffman JM, Weir CR, et al. High rates of adverse drug events in a highly computerized hospital. Arch Intern Med. 2005;165:1111-6 Medline. doi:10.1001/archinte.165.10.1111

  5. Eslami S, de Keizer NF, Abu-Hanna A. The impact of computerized physician medication order entry in hospitalized patients: a systematic review. Int J Med Inform. 2008;77:365-76 Medline. doi:10.1016/j.ijmedinf.2007.10.001

  6. Aronson JK, Ferner RE. Preventability of drug-related harms – part II: proposed criteria, based on frameworks that classify adverse drug reactions. Drug Saf. 2010;33:995-1002 Medline. doi:10.2165/11538280-000000000-00000

  7. Rommers MK, Teepe-Twiss IM, Guchelaar HJ. Preventing adverse drug events in hospital practice: an overview. Pharmacoepidemiol Drug Saf. 2007;16:1129-35 Medline. doi:10.1002/pds.1440

  8. Krähenbuhl-Melcher A, Schlienger R, Lampert M, et al. Drug-related problems in hospitals: a review of the recent literature. Drug Saf. 2007;30:379-407 Medline.

  9. Hoonhout LH, de Bruijne MC, Wagner C, et al. Nature, occurrence and consequences of medication-related adverse events during hospitalization: a retrospective chart review in the Netherlands. Drug Saf. 2010;33:853-64 Medline. doi:10.2165/11536800-000000000-00000

  10. Jain V, Pitchumoni CS. Gastrointestinal side effects of prescription medications in the older adult. J Clin Gastroenterol. 2009;43:103-10 Medline. doi:10.1097/MCG.0b013e31818f9227

  11. Lazarou J, Pomeranz BH, Corey PN. Incidence of adverse drug reactions in hospitalized patients: a meta-analysis of prospective studies. JAMA. 1998;279:1200-5 Medline. doi:10.1001/jama.279.15.1200

  12. Leendertse AJ, Egberts AC, Stoker LJ, et al. Frequency of and risk factors for preventable medication-related hospital admissions in the Netherlands. Arch Intern Med. 2008;168:1890-6 Medline. doi:10.1001/archinternmed.2008.3

  13. Van den Bemt PM, Egberts AC, Lenderink AW, et al. Risk factors for the development of adverse drug events in hospitalized patients. Pharm World Sci. 2000;22:62-6 Medline. doi:10.1023/A:1008721321016

  14. Kuperman GJ, Bobb A, Payne TH, et al. Medication-related clinical decision support in computerized provider order entry systems: a review. J Am Med Inform Assoc. 2007;14:29-40 Medline. doi:10.1197/jamia.M2170

  15. WHO Collaborating Centre for Drug Statistics Methodology. ATC/DDD index 2011 (online). www.whocc.no/atc_ddd_index, geraadpleegd op 8 maart 2011. link

  16. Kramer MS, Leventhal JM, Hutchinson TA, et al. An algorithm for the operational assessment of adverse drug reactions: background, description, and instructions for use. JAMA. 1979;242:623-32 Medline. doi:10.1001/jama.1979.03300070019017

  17. Doormaal JE van, Mol PG, Bemt PM van den, et al. Reliability of the assessment of preventable adverse drug events in daily clinical practice. Pharmacoepidemiol Drug Saf. 2008;17:645-54 Medline. doi:10.1002/pds.1586

  18. WHO-UMC Causality Assessment System. 2006 www.who-umc.org, geraadpleegd op 7 november 2012. link

  19. Schnipper JL, Kirwin JL, Cotugno MC, et al. Role of pharmacist counseling in preventing adverse drug events after hospitalization. Arch Intern Med. 2006;166:565-71 Medline. doi:10.1001/archinte.166.5.565

  20. Weir C, Hoffman J, Nebeker JR, et al. Nurse’s role in tracking adverse drug events: the impact of provider order entry. Nurs Adm Q. 2005;29:39-44 Medline.

  21. Jha AK, Kuperman GJ, Teich JM, et al. Identifying adverse drug events: development of a computer-based monitor and comparison with chart review and stimulated voluntary report. J Am Med Inform Assoc. 1998;5:305-14 Medline. doi:10.1136/jamia.1998.0050305

  22. Morimoto T, Gandhi TK, Seger AC, et al. Adverse drug events and medication errors: detection and classification methods. Qual Saf Health Care. 2004;13:306-14 Medline. doi:10.1136/qshc.2004.010611

  23. Bates DW, Leape LL, Petrycki S. Incidence and preventability of adverse drug events in hospitalized adults. J Gen Intern Med. 1993;8:289-94 Medline. doi:10.1007/BF02600138

  24. Camargo AL, Cardoso Ferreira MB, Heineck I. Adverse drug reactions: a cohort study in internal medicine units at a university hospital. Eur J Clin Pharmacol. 2006;62:143-9 Medline. doi:10.1007/s00228-005-0086-7

  25. Field TS, Gurwitz JH, Avorn J, et al. Risk factors for adverse drug events among nursing home residents. Arch Intern Med. 2001;161:1629-34 Medline. doi:10.1001/archinte.161.13.1629

  26. Leendertse AJ, de Koning FH, Goudswaard AN, et al. Preventing hospital admissions by reviewing medication (PHARM) in primary care: design of the cluster randomised, controlled, multi-centre PHARM-study. BMC Health Serv Res. 2011;11:4 Medline. doi:10.1186/1472-6963-11-4

  27. Rademaker M. Do women have more adverse drug reactions? Am J Clin Dermatol. 2001;2:349-51 Medline. doi:10.2165/00128071-200102060-00001

  28. Anderson GD. Gender differences in pharmacological response. Int Rev Neurobiol. 2008;83:1-10 Medline. doi:10.1016/S0074-7742(08)00001-9

  29. Passarelli MC, Jacob-Filho W, Figueras A. Adverse drug reactions in an elderly hospitalised population: inappropriate prescription is a leading cause. Drugs Aging. 2005;22:767-77 Medline. doi:10.2165/00002512-200522090-00005

  30. Egger T, Dormann H, Ahne G, et al. Identification of adverse drug reactions in geriatric inpatients using a computerised drug database. Drugs Aging. 2003;20:769-76 Medline. doi:10.2165/00002512-200320100-00005

Auteursinformatie

*Dit onderzoek werd eerder gepubliceerd in Drug Safety (2011;34:1089-100) met als titel ‘Preventable and non-preventable adverse drug events in hospitalized patients: a prospective chart review in the Netherlands.’ Afgedrukt met toestemming.

UMC Groningen, Groningen.

Afd. Klinische Farmacologie: dr. P.G.M. Mol, apotheker (tevens: College ter Beoordeling van Geneesmiddelen, Utrecht); prof.dr. F.M. Haaijer-Ruskamp, medisch socioloog.

Erasmus MC, Ziekenhuisapotheek, Rotterdam.

Dr. P.M.L.A. van den Bemt (tevens: Universiteit Utrecht, Utrecht Institute for Pharmaceutical Science, Faculteit Bètawetenschappen, afd. Farmacoepidemiologie en Farmacotherapie, Utrecht) en drs. R.J. Zaal, ziekenhuisapothekers.

Martini Ziekenhuis, Ziekenhuisapotheek, Groningen.

Dr. J.E. van Doormaal, ziekenhuisapotheker.

Contact dr. P.G.M. Mol (p.g.m.mol@umcg.nl)

Verantwoording

Belangenconflict: er zijn belangen gemeld (zie www.ntvg.nl, zoeken op A5051; klik op ‘Belangenverstrengeling’). Financiële ondersteuning: dit werk is mede mogelijk gemaakt door een onvoorwaardelijke subsidie van ZonMw (nummer 94504109).
Aanvaard op 28 mei 2012

Auteur Belangenverstrengeling
Peter G.M. Mol ICMJE-formulier
Patricia M.L.A. van den Bemt ICMJE-formulier
Aileen B. Dequito ICMJE-formulier
Jasperien E. van Doormaal ICMJE-formulier
Rianne J. Zaal ICMJE-formulier
Floor M. Haaijer-Ruskamp ICMJE-formulier
Jos G.W. Kosterink ICMJE-formulier

Gerelateerde artikelen

Reacties

Wim
van der Pol

Vermijdbare en niet-vermijdbare medicatiegerelateerde schade in het ziekenhuis. Aannemende dat dit artikel bedoeld is voor praktiserende artsen, heb ik het dan ook met praktische ogen gelezen. Ik denk dat de artsen uit de eerste lijn direct zullen afhaken, want de boodschap lijkt bedoeld voor specialisten, die het artikel niet eerder in Drug Safety gelezen zullen hebben. De bagage om het artikel direct te begrijpen is fors. Allereerst het prospectieve statusonderzoek. Hoe gaat dat precies in haar werk. Worden de medische-, medicatie- en verpleegstatus elke dag bijgehouden door de onderzoekers tot de patiënt ontslagen wordt, wordt de patiënt bevraagd en hoe. Krijgen de patiënten die meedoen aan het onderzoek niet extra aandacht en wordt niet te secuur gekeken bij de minste en geringste klacht, die wellicht ook vanzelf overgaat? Kortom is de zorg voor het onderzoek niet zelf een belangrijke determinant? Een tweede opmerking wil ik graag maken over de leesbaarheid. Wanneer men dagelijks met bepaalde termen werkt, is het gebruik ervan vanzelfsprekend. Maar een geïnteresseerde lezer dient eerst een beetje “in te komen” in de gehanteerde begrippen, die ook nog eens vaak gebruikt worden in een zin achter elkaar. Wanneer dat gebeurt dan wordt het lastig schakelen, zoals bij de zin: merendeel niet-ernstige, niet vermijdbare bijwerkingen. En wat met deze conclusie: Door vroege interventie -ook bij vaak minder ernstige bijwerkingen- kan het welzijn van opgenomen patiënten mogelijk worden verbeterd. Dat laatste lijkt mij geen conclusie, maar een algemeen statement. Verder is voor een medicus practicus, die iets over schade wil weten niet zo interessant dat het onderzoek is uitgevoerd met een CPOE en een CDSS. Je denkt al gauw, om welk soort studie gaat het nu. Maar het grootste bezwaar is de mix van medicatieschade en bijwerkingen. Men had ook complicatie in de studie kunnen betrekken, om de onduidelijkheid compleet te maken. Vooraf dient de lezer duidelijk te zijn waar het over gaat. Bijwerkingen die voorzien kunnen worden, en niet voorkomen zijn met een ander geneesmiddel, laat een arts bewust ontstaan, omdat de bijwerking niet altijd optreedt. Treedt die eenmaal op, dan wordt die effectief bestreden (voorbeeld opiaatobstipatie). Die bijwerking is een vermijdbare bijwerking of is het niet geven van een laxans een medicatiefout. Het gebruik van deze begrippen in een studie dient heel goed van te voren te worden vastgesteld, want die begrippen lopen erg door elkaar heen. Dat neemt niet weg dat het goed is om daar eens wat dieper over na te denken en bij stil te staan. Tot slot over de hersengymnastiek die voor het lezen van de publicatie vereist is: “dat bij 0,9% van de in het ziekenhuis opgenomen patiënten ernstige medicatie gerelateerde schade optrad, waarvan circa 80% als niet-vermijdbaar werd beschouwd”. Ik moest het enkele malen lezen, en begrijp de impact ervan nog steeds niet. Wim van der Pol, ziekenhuisapotheker

Peter
Mol

Het is altijd jammer, als een lezer moeite heeft met een artikel. Het blijft een afweging tussen de benodigde precisie en vlotte beschrijvingen, om goed weer te geven wat er gedaan is. Wij hebben er voor gekozen de gebruikelijke terminologie te hanteren, er van uitgaande dat de meeste praktiserende clinici dit goed kunnen begrijpen. Tot nu toe zijn we ook geen problemen daar in tegengekomen, maar ongetwijfeld had een en ander ook anders opgeschreven kunnen worden.  Wat betreft de zorg van de heer van der Pol, dat het onderzoek zelf als determinant kan zijn opgetreden het volgende. De statusgegevens van alle patiënten zijn verzameld, en aan de hand van die statusgegevens is er achteraf bekeken of er sprake was van een bijwerking cq vermijdbare medicatie-gerelateerde schade. Hoe iemand dan denkt dat patiënten met bijwerkingen meer aandacht zouden krijgen, is mij niet geheel duidelijk. Dus nee, het doen van onderzoek was in deze geen determinant. 

Wij achten het van belang aan te geven dat in de betrokken ziekenhuizen al een elektronisch voorschrijfsysteem aanwezig is en met welke functionaliteit omdat dit invloed kan hebben op het voorkomen van het aantal geneesmiddel gerelateerde schade en/of bijwerkingen.

Ten slotte 80% van 0,9% betekent dat circa 0,7% dus bijna 1 op de 100 opgenomen patiënten ernstige schade ondervindt hetgeen grote impact heeft op de kwaliteit van zorg en de kosten.

Peter Mol, universitair docent UMCG, Flora Haaijer-Ruskamp, professor UMCG, Jos Kosterink, ziekenhuisapotheker, professor UMCG 

Wim
van der Pol

Hartelijk dank voor de reactie.

Uit de inleiding had ik de indruk gekregen dat de patient een actieve rol speelde in het onderzoek. Met name door de zinsnede: de medicatiegerelateerde schade die zij ervoeren, werd in kaart gebracht, en het feit dat 349 personen medicatiegerelateerde schade ondervonden. Ik neem aan dat zij vooraf gevraagd zijn om hun ervaringen tijdens opname beslist te melden aan arts en/of verpleegkundige. Hierdoor denk ik dat die aandacht een determinante in het onderzoek.

Dat bijna 1% van de opgenomen patienten ernstige schade ondervindt, is zeker een begrijpelijker statement. Dit soort percentages zijn zo duidelijk, dat ze vergeleken kunnen worden met andere sectoren, zoals de luchtvaart om maar iets te noemen.

Wim van der Pol, ziekenhuisapotheker

L.
Moortgat

Met veel interesse las ik uw onderzoek naar ‘Vermijdbare en niet-vermijdbare medicatiegerelateerde schade in het ziekenhuis*’. Groot is wel mijn verbazing dat er niets te lezen valt over schade veroorzaakt door menselijke fouten.  Als docente werkzaam als leerzorgspecialist binnen een leerzorgcentrum in een acuut ziekenhuis waar gebruik gemaakt wordt van een CPOE,  merk ik echter nog te vaak medicatiefouten op die veroorzaakt worden door onoplettendheid, werkdruk of onwetendheid. Ik ben dan ook een hevige pleitbezorger om in de opleiding tot verpleegkundige nog meer te gaan focussen op het belang van correcte medicatietoediening en daaraan gekoppelde de mogelijks fatale gevolgen van medicatiefouten.

CPOE kan veel medicatiefouten reduceren of uitschakelen, maar het toedienen van een verkeerde dosis blijft natuurlijk nog altijd mogelijk. Wanneer CPOE bv.voorschrijft om ¾  co anticoagulantia toe te dienen, is het nog steeds aan de uitvoerende verpleegkundige om te zorgen dat die bewuste comprimé  in 4 stukken gedeeld wordt en er slechts 3 van de 4 (gelijke) stukjes aan de patiënt toegediend worden. Ook toedieningen van halve ampullen kan verkeerd lopen. CPOE kan dergelijke fouten niet opsporen of vermijden. Volgens de geldende voorschriften in het ziekenhuis moet de rest van de halve ampulle immers vernietigd worden en hoe/wie kan nagaan om die ampulle nu wel degelijk vernietigd werd, of toch in 1 volledige gift toegediend werd bij de patiënt.

Onderzoek doen naar deze vorm van menselijke fouten is uiteraard zeer moeilijk, zoniet onmogelijk, maar desalniettemin lijkt het  me een gemis binnen uw artikel om hierover helemaal niet te reppen.

  L. Moortgat, Docent en werkzaam binnen Leerzorgcentrum