Verkeerde bedden en verkeerde zorg

Opinie
C.M.P.M. Hertogh
M.W. Ribbe
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1996;140:868-70

Zie ook het artikel op bl. 865.

‘Waarom is deze patiënt nog niet ontslagen? Wij zijn allang uitbehandeld!’ Of simpelweg: ‘Die patiënt hoort hier niet; op dat soort problemen zijn wij niet ingesteld.’ Dergelijke uitlatingen zijn regelmatig te horen tijdens de visite in het ziekenhuis. Het is in deze context dat termen als ‘verkeerde-bedpatiënt’ of zelfs ‘bed-blocker’ te beluisteren zijn. Met de uitdrukking ‘verkeerd bed’ wordt aangeduid dat een bed bezet wordt gehouden door een patiënt die geen ziekenhuisindicatie meer heeft. Het begrip heeft primair een verzekeringstechnische oorsprong, omdat het daarmee benoemde probleem vooral actueel is geworden nadat een ziektekostenverzekeraar in 1987 weigerde de kosten voor een voortgezet ziekenhuisverblijf te betalen nadat de medische indicatie daarvoor was komen te vervallen.1

In de praktijk gaat het doorgaans om patiënten die in afwachting zijn van plaatsing in een verpleeghuis, zodat ‘verkeerde-bedpatiënten’ kortheidshalve nogal eens worden getypeerd als ‘verpleeghuis-geïndiceerde patiënten in het…

Auteursinformatie

Vrije Universiteit, vakgroep Huisarts- en Verpleeghuis- en Sociale Geneeskunde, Van der Boechorststraat 7, 1081 BT Amsterdam.

Dr.C.M.P.M.Hertogh en prof.dr.M.W.Ribbe, verpleeghuisartsen.

Contact dr.C.M.P.M.Hertogh

Heb je nog vragen na het lezen van dit artikel?
Check onze AI-tool en verbaas je over de antwoorden.
ASK NTVG

Ook interessant

Reacties

Amstelveen, mei 1996,

Naar aanleiding van het artikel van Hertogh en Ribbe (1996;868-70), waarbij ik niet inga op de uitstekende en vriendelijke wijze waarop een deel van de problematiek wordt geschetst, bepaal ik mij tot de situatie dat een behandelend specialist concludeert dat zijn patiënt niet verder behandeld hoeft of kan worden in het ziekenhuis en niet met de beschikbare thuishulp en -zorg naar huis kan. Op dat moment staat men aan het bed van de patiënt en moet er een oplossing worden gezocht: een verpleeghuis, een revalidatie-instelling, psychogeriatrische opvang of een mesoproject. Hoe moet er nu gehandeld worden?

De behandelend arts en (of) verpleegkundige of assistent-geneeskundige zoekt contact met de maatschappelijk werker in het ziekenhuis (stap 1); deze belt met de indicatiecommissie (stap 2) na verstrekking van formulieren en dergelijke en zoekt contact met bijvoorbeeld tehuizen in de buurt (stap 3).

In de praktijk blijkt dat de stappen 1, 2 en 3 uiterst inefficiënt verlopen en ook ongecontroleerd; ook het werk en de (in)activiteit van de indicatiecommissie zijn ongecontroleerd. De bureaucratie en ondoorzichtigheid worden door Hertogh en Ribbe al genoemd.

Enkele situaties uit de praktijk waardoor de gang van zaken zomaar weken kan vertragen, zijn: de maatschappelijk werker is ziek of met vakantie; de indicatiecommissie is niet bereikbaar of het beoordelingsproces verloopt langzaam; de papieren zijn zoek, zomaar. Ik kan dit aanvullen met vele folkloristische gegevens, maar de vraag is: wat doen wij eraan, als niemand weken lang iets doet?

Een voorstel is privatiseren: een aparte instelling moet zorgen dat de patiënt zo snel en efficiënt mogelijk op een geschikte plaats komt, met duidelijke financiële afspraken, bijvoorbeeld ‘honorering per geval’. Een en ander zou dan sneller kunnen verlopen, want het grootste probleem van de verkeerdebedsituatie is niet het tekort aan plaatsen, maar te weinig efficiënt werken.

J. Stork

Amsterdam, mei 1996,

De ervaringen waar collega Stork melding van maakt, komen ons niet onbekend voor. Regelmatig horen wij huisartsen en ziekenhuisartsen klagen over ondoorzichtige procedures en lange wachttijden, en naar aanleiding van onze opmerkingen over het functioneren van indicatiecommissies bereikten ons reeds diverse reacties van herkenning, waaronder ook brieven waarin patiënten en familieleden van patiënten hun verhaal doen. Dit sterkt ons in de opvatting dat een evaluatie van het functioneren van deze commissies zeker gewenst is.

Het zou echter onjuist zijn om de oorzaken van verkeerdebedproblematiek eenzijdig in deze ‘schakel’ uit het zorgproces te zoeken. In ons commentaar bespreken wij ook diverse andere factoren die een rol spelen bij het ontstaan én voortbestaan van verkeerdebedproblematiek. Een deel daarvan ligt op het niveau van de communicatie en de samenwerking tussen ziekenhuis, indicatiecommissie en verpleeghuis. Vertraging bij de overplaatsing van patiënten ontstaat op dit niveau tevens doordat in het ziekenhuis onvoldoende geanticipeerd wordt op de zorgbehoefte in aansluiting op het ziekenhuisverblijf, waardoor regelmatig te lang gewacht wordt met het aanvragen van een indicatie. Ook het verpleeghuis kan de overplaatsing vertragen: vanuit deze instelling aarzelt men soms om bepaalde patiënten, bijvoorbeeld patiënten met gedragsstoornissen, op te nemen, omdat deze niet zouden passen in het zorgklimaat. Door het gebrek aan een- en tweepersoonskamers moeten deze patiënten immers regelmatig op één zaal verblijven met andere verpleeghuisbewoners, met alle gevolgen van dien voor de kwaliteit van het woon-leefklimaat.

Of privatisering (zo al haalbaar) hier een (deel van de) oplossing kan bieden, wagen wij te betwijfelen. Een onafhankelijke indicatiestelling blijft noodzakelijk om in de huidige situatie van schaarste een zo rechtvaardig mogelijke verdeling en toekenning van zorg te garanderen. De door het huidige kabinet voorgenomen ‘modernisering van de ouderenzorg’ lijkt aan die situatie vooralsnog weinig te veranderen. Niettemin delen wij de visie van Stork dat er efficiënter gewerkt kan worden om de patiënt uit het verkeerde in het juiste bed te helpen. Daartoe lijkt het ons wenselijk om het aantal schakels in de zorgketen te verminderen en te streven naar korte communicatielijnen tussen hulpverleners met een directe zorginhoudelijke verantwoordelijkheid: verwijzend arts en verpleeghuisarts.

C.M.P.M. Hertogh
M.W. Ribbe