Uitbraak van amoebiasis in een Nederlands gezin; tropen onverwacht dichtbij

Klinische praktijk
Abstract
W.M. Edeling
J.J. Verweij
C. IJ.ponsioen
L.G. Visser
Leestijd
16 minuten
Downloaden
Citeren

Samenvatting

In een Nederlands gezin werd bij de moeder een amoebenleverabces, bij de vader amoebendysenterie en bij 1 van de 3 kinderen asymptomatisch cystendragerschap gediagnosticeerd. De 3 gezinsleden waren nooit in de tropen geweest. Met een DNA-typeringsmethode werd vastgesteld dat alledrie met dezelfde Entamoeba histolytica-stam waren geïnfecteerd. De infectie werd waarschijnlijk in Zuid-Italië opgelopen, waar het gezin geregeld op zomervakantie ging. Door medicamenteuze therapie herstelden de 3 gezinsleden. Bij een patiënt met een leverabces of colitis moet amoebiasis worden overwogen, zelfs wanneer er geen anamnese van een tropencontact is. Ontlastingsmonsters dienen te worden onderzocht op amoebencysten en trofozoïeten. Op grond van het morfologische onderzoek kan geen onderscheid worden gemaakt tussen cysten van E. histolytica en de niet-pathogene Entamoeba dispar. Aanvullend PCR-onderzoek van rechtstreeks uit de ontlasting geïsoleerd parasitair DNA is hiervoor noodzakelijk. Bij patiënten met een symptomatische infectie kunnen vrijwel altijd antistoffen tegen E. histolytica worden aangetoond. De behandeling van een invasieve infectie met E. histolytica met een weefselamoebicide middel dient steeds door een contactamoebicide middel te worden gevolgd om recidieven te voorkomen. Momenteel is op grond van effectiviteit en veiligheid paromomycine het contactamoebicide middel van eerste keus.

artikel

Inleiding

Entamoeba histolytica en Entamoeba dispar zijn morfologisch identieke, eencellige, intestinale parasieten waarmee wereldwijd miljoenen mensen zijn geïnfecteerd. Ongeveer 90 van deze infecties wordt veroorzaakt door E. dispar, een niet-invasieve protozoënsoort die als een onschuldige commensaal in de darm van de mens leeft. Uitsluitend E. histolytica, verantwoordelijk voor de overige 10, heeft de potentie om amoebendysenterie, amoebenleverabces en amoeboom te veroorzaken. Geschat wordt dat jaarlijks wereldwijd 40.000-100.000 personen aan amoebiasis overlijden.1 2 Een door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) gesteunde groep van experts raadt daarom aan om, in geval van dragerschap van amoebencysten, E. histolytica specifiek te identificeren en, indien aanwezig, te behandelen.3 4 Behandeling van een E. dispar-infectie is niet nodig.

Infectie met E. histolytica treedt op bij inname van, door menselijke feces verontreinigd, voedsel of water dat de cystenvorm van de parasiet bevat. In het terminale ileum en het colon komen uit de cysten trofozoïeten vrij (figuur 1). Deze trofozoïeten kunnen erytrocyten fagocyteren (hematofage trofozoïeten) en kunnen colitis veroorzaken, met vaak bloederige diarree tot gevolg. In sommige gevallen breken de trofozoïeten door de mucosale barrière heen en kunnen ze via de portale circulatie de lever bereiken en daar – ook zonder klachten van bloederige diarree – een amoebenleverabces veroorzaken. In het colon vormen de trofozoïeten nieuwe cysten, die met de feces worden uitgescheiden en zo nieuwe gastheren kunnen infecteren.1 Uit longitudinaal onderzoek naar het natuurlijke beloop van amoebiasis in endemische gebieden blijkt dat de helft van de E. histolytica-cystendragers in de loop van 13 maanden hun infectie klaarde; de kans op ziekte bij een cystendrager wordt geschat op 2-10.1 6

In dit artikel beschrijven wij een uitbraak van amoebiasis in een Nederlands gezin. De geïnfecteerde gezinsleden waren nooit in de tropen geweest.

ziektegeschiedenissen

Patiënt A, een Nederlandse vrouw van 43 jaar, werd in december opgenomen wegens sinds 5 dagen bestaande koorts tot 40°C. Zij had pijn rechts boven in de buik. De pijnklachten verergerden bij bewegen en hoesten. Zij voelde zich grieperig en moe en klaagde over een niet-productieve hoest en braken. Patiënte had een blanco medische voorgeschiedenis en was nooit in de tropen geweest. Wel was zij met haar gezin de voorafgaande 3 zomers in Campanië (Zuid-Italië) op vakantie geweest. Bij lichamelijk onderzoek werd een matig zieke, pijnlijke, niet-icterische vrouw gezien. Haar lichaamstemperatuur was 39,5°C. Aan hart en longen werden geen bijzonderheden gehoord. Er was drukpijn rechts boven in de buik, maar geen hepatomegalie.

Het laboratoriumonderzoek toonde het volgende: bezinking: 81 mm na het 1e uur; hemoglobine: 6,7 mmol/l; leukocyten: 14,4 × 109/l; alkalische fosfatase: 257 U/l (normaal:

Het radiologisch onderzoek van de thorax liet geen afwijkingen zien. In de rechter leverkwab werd bij echografisch onderzoek een haardvormige afwijking van 5 cm diameter met grillige interne structuren gezien. Een CT-scan van het abdomen toonde in segment 8 van de lever een abces met een diameter van 6 cm en duidelijke randaankleuring (figuur 2).

Het abces werd gepuncteerd en gedraineerd, waarbij bruinrood, troebel vocht werd verkregen. De uitstrijkpreparaten toonden necrotisch gedegenereerd celmateriaal met granulocyten en andere ontstekingscellen. In het grampreparaat werden geen bacteriën gezien. Aanvullende kleuringen voor E. histolytica en Echinococcus granulosus waren negatief. In afwachting van de kweken en het aanvullend serologisch onderzoek werd patiënte behandeld met metronidazol en cefuroxim via intraveneuze weg. De kweken van het bloed en het leverpunctaat bleven steriel. De uitslag van het serologisch onderzoek op amoeben was echter sterk positief (tabel). In 2 onderzochte fecesmonsters werden geen cysten of trofozoïeten van E. histolytica aangetroffen. Onderzoek met de polymerasekettingreactie (PCR) op DNA dat uit het leverpunctaat werd geïsoleerd, bleek positief voor E. histolytica (zie de tabel). De diagnose ‘amoebenleverabces’ werd gesteld en de behandeling met metronidazol werd voorgezet. Het abces werd snel kleiner en de drain werd verwijderd. Patiënte werd een week na haar opname ontslagen uit het ziekenhuis. De behandeling met metronidazol (in totaal gedurende 14 dagen) werd gevolgd door een met diloxanide 500 mg 3 dd gedurende 10 dagen. Bij echografisch vervolgonderzoek van de lever was na 6 maanden nog een kleine restafwijking te zien. Patiënte was inmiddels geheel klachtenvrij. Controlefecesonderzoek naar amoebencysten was bij herhaling negatief.

Patiënt B, de 46-jarige echtgenoot van patiënt A, had zich in mei van dat jaar in hetzelfde ziekenhuis gemeld met klachten van rectaal bloed- en slijmverlies en diarree sinds 6 dagen. Er was tevens een pijnlijke defecatie. De medische voorgeschiedenis was blanco en patiënt was nooit in de tropen geweest. Patiënt ontkende een soa of anale seksuele contacten te hebben gehad. Inspectie toonde een anale fissuur ‘op 6 uur’. Bij sigmoïdoscopie werd in het rectum vanaf 10-15 cm gezwollen slijmvlies met intramucosale hemorragieën gezien, in ernst toenemend in de richting van de anale ring. Helemaal distaal werden enkele zweertjes gezien. Histologisch onderzoek van de biopten toonde colonslijmvlies met een onregelmatig oppervlak, sterk wisselende hoeveelheden ontstekingsinfiltraat in de lamina propria en licht onregelmatige crypten. Het ontstekingsinfiltraat bevatte veel eosinofielen en plasmacellen. Er werden geen granulomen gevonden. Op grond van dit beeld werd gedacht aan proctitis ten gevolge van een chronisch inflammatoir darmlijden (IBD). Patiënt werd behandeld met prednisonsuppositoria 10 mg per dag.

Patiënt hield echter klachten van bloederige diarree tot 12 keer per dag en kreeg nu ook pijn links onder in de buik. Ondanks wijziging van de behandeling in klysma's met mesalazine en later budesonide trad er geen verbetering van de klachten op. Na 4 maanden werd bij sigmoïdoscopie vanaf 30 cm in het colon een discrete, naar distaal toenemende, vlekkerige ontstekingsreactie met hier en daar een kleine erosie gezien. De colonbiopten toonden een onregelmatig oppervlak met partieel verlies van slijmbekercellen en een licht onregelmatig cryptenpatroon. Er was een matig dens ontstekingsinfiltraat met sporadisch een klein cryptenabces. Op grond van het endoscopische beeld en de biopten werd opnieuw gedacht aan een IBD. Wegens het uitblijven van verbetering op de ingestelde therapie werd na 2 maanden een coloscopie verricht. In het gehele bereik van colon en rectum werd ontstoken slijmvlies gezien met oppervlakkige ulcera, afgewisseld met normaal slijmvlies. Biopten toonden colonslijmvlies met hobbelig oppervlak, onregelmatige crypten, focaal verlies van slijmbekercellen en in wisselende mate toegenomen infiltraat in de lamina propria. Het infiltraat, dat zich voortzette in de submucosa, bevatte veel eosinofielen en er was basale plasmocytose. Er werden kleine cryptenabcessen gevonden, maar geen granulomen. De biopten met chronische actieve ontsteking steunden de diagnose ‘IBD’, waarbij vooral gedacht werd aan de ziekte van Crohn. Patiënt startte met prednison 30 mg per os. Na een tijdelijke verbetering kreeg hij een maand later, na afbouwen van de prednisonbehandeling, weer meer buikpijn en bloederige diarree. De dosering prednison werd opnieuw verhoogd tot 20 mg.

Inmiddels werd zijn echtgenote, patiënt A, opgenomen met een amoebenleverabces. Daarom werd ook bij hem aanvullend onderzoek naar amoebiasis verricht. In de feces werden cysten en trofozoïeten van E. histolytica/E. dispar gezien. Met PCR-onderzoek van de ontlasting werden deze amoeben geïdentificeerd als E. histolytica. De uitslag van het serologisch onderzoek op amoeben was sterk positief (zie de tabel). Echografisch onderzoek van de lever toonde wat steatose, maar geen aanwijzingen voor een abces. De diagnose ‘amoebendysenterie’ werd gesteld en patiënt werd behandeld met metronidazol 500 mg 4 dd voor 7 dagen, gevolgd door diloxanide 500 mg 3 dd voor 10 dagen. De prednison werd in 4 weken afgebouwd. Een maand later was hij volledig klachtenvrij. Bij een controlesigmoïdoscopie na weer een maand werden enkel wat ontstekingsresten gevonden. In de feces werden geen amoebencysten of trofozoïeten meer gezien.

epicrise

Het was onduidelijk hoe patiënt A en B geïnfecteerd werden met E. histolytica, aangezien zij nooit buiten Europa waren geweest. Zij hadden 3 kinderen, 1 dochter van 21 en 2 zonen van respectievelijk 18 en 15 jaar. De dochter was de enige in het gezin die in de tropen was geweest. In de zomer van het jaar waarin haar moeder het ziekenhuis bezocht, reisde zij naar India en werd aldaar behandeld voor een vermeende amoebendysenterie met kruidenballen (‘herbal balls’). Om die reden werden na de opname van patiënt A alle contacten binnen het huishouden onderzocht op infectie met E. histolytica. Feces werd microscopisch onderzocht op de aanwezigheid van amoebencysten en met de PCR op de aanwezigheid van DNA van E. histolytica en/of E. dispar. Bloedmonsters van de 3 kinderen werden afgenomen voor serologisch onderzoek naar E. histolytica-antistoffen met ELISA. De dochter en de oudste zoon waren klachtenvrij. De uitslagen van microscopie- en PCR-onderzoek van de ontlasting en serologisch onderzoek van beiden waren negatief (zie de tabel). De jongste zoon had vage buikklachten, bestaande uit wat rommelingen en krampen. In de feces werden cysten van E. histolytica/E. dispar en van Giardia lamblia gevonden. Het PCR-onderzoek van de ontlasting leverde bij herhaling een positief resultaat voor E. histolytica op. In het serum werden antistoffen tegen E. histolytica aangetoond (zie de tabel).

Bij de 3 gezinsleden gaven de DNA-isolaten identieke PCR-producten voor 2 transfer-RNA(tRNA)-genen van E. histolytica, wijzend op infectie met eenzelfde E. histolytica-stam.7

beschouwing

De ziektegeschiedenis van patiënt B, de vader in het gezin, demonstreerde de problemen bij een geïsoleerde casus van darmamoebiasis in een niet-endemisch gebied. Meestal is, zoals bij veel exotische ziekten, de vermelding van een verblijf in de tropen bij een zorgvuldige reisanamnese de sleutel tot de diagnose. Echter, patiënt B, die zich al in mei van dat jaar met klachten meldde, was nog nooit in de tropen geweest, waardoor de diagnose ‘amoebendysenterie’ niet werd overwogen. Pas toen bij zijn vrouw in december een amoebenleverabces werd gediagnosticeerd, kon de juiste diagnose worden gesteld. Zij was overigens evenmin ooit in de tropen geweest. De diagnose ‘amoebiasis’ dient dus bij klinische aanwijzingen ook zonder ‘tropenverleden’ van patiënt of diens gezinsleden overwogen te worden. Bovendien blijkt uit de ziektegeschiedenis van patiënt B duidelijk dat een amoebendysenterie – onbehandeld – het klinische, endoscopische en histopathologische beeld van een inflammatoire darmziekte kan nabootsen. Behandeling met glucocorticosteroïden vergroot overigens de kans op een fulminante colitis met perforatie.8

Op het eerste gezicht lijkt er verspreiding te zijn opgetreden van E. histolytica tussen de gezinsleden. Transmissie van E. histolytica is immers ook onder westerse hygiënische omstandigheden mogelijk.9 Eerder beschreven sommigen van ons een uitbraak van amoebiasis in een Nederlands gezin, waarbij een patiënte met persisterend cystendragerschap na een reis naar India tien jaar eerder, de infectiebron was.10 Het verdient daarom aanbeveling om in geval van een E. histolytica-infectie ook de gezinsleden en andere nauwe contacten van de patiënt te onderzoeken op cystendragerschap.

Analyse van 2 tRNA-loci van het geïsoleerde DNA wees inderdaad op een gemeenschappelijke infectiebron. Het was echter niet mogelijk te bepalen of er verspreiding van E. histolytica tussen de gezinsleden was opgetreden of dat de gezinsleden gelijktijdig besmet werden, bijvoorbeeld door het eten van besmet voedsel. De enige persoon met een tropencontact, de dochter, was de bron zeker niet, want de klachten van patiënt B waren maanden vóór de reis al aanwezig.

Amoebiasis komt in Nederland niet endemisch voor. De vraag of amoebiasis endemisch voorkomt in Zuid-Italië is niet eenvoudig te beantwoorden. Er zijn verschillende publicaties van zogenaamde autochtone amoebiasis.11 12 Maar het blijft onduidelijk hoe zorgvuldig in deze onderzoeken de anamnese wat betreft het achterhalen van tropencontacten is geweest.

Diagnostiek

Het overgrote deel van de laboratoriumdiagnosen ‘amoebiasis’ is gebaseerd op het vinden van E. histolytica-/E. dispar-cysten in de ontlasting. Tenminste 90 van de personen die cysten uitscheiden, is drager van de niet-invasieve soort, E. dispar. Cysten en kleine trofozoïeten van E. dispar zijn, op basis van het microscopisch onderzoek, niet te onderscheiden van die van E. histolytica. Indien personen die E. histolytica-/E. dispar-cysten uitscheiden zonder aarzeling als ‘amoebenpatiënten’ worden beschouwd, dan wordt de thans gebruikelijke behandeling van cystenuitscheiders met contactamoebicide middelen bij 9 van de 10 patiënten onnodig gegeven. Een patiënt met een E. dispar-infectie behoeft immers geen behandeling. Anderzijds is het mogelijk dat behandeling van E. histolytica-cystendragerschap met een contactamoebicide middel makkelijker faalt omdat dieper in het darmweefsel gelegen parasieten onvoldoende door het middel worden bereikt. Daarom is laboratoriumonderzoek waarmee men E. dispar- en E. histolytica-infecties van elkaar kan onderscheiden op zijn plaats.

Met PCR-onderzoek van direct uit ongefixeerde of ingevroren ontlasting geïsoleerd DNA kan specifiek DNA van E. dispar en E. histolytica worden opgespoord.4 In Leiden wordt momenteel een zogenaamde ‘real-time’-PCR toegepast die gevoelig, specifiek en reproduceerbaar is.13

Recent werden ook immunologische methoden beschreven voor de detectie van E. dispar- en E. histolytica-antigenen in de ontlasting.14 15 Uit ons nog niet gepubliceerd onderzoek van door Nederlandse laboratoria ingestuurde patiëntenmaterialen blijkt dat, in vergelijking met het PCR-onderzoek, de sensitiviteit van deze antigeendetectiemethoden niet hoger is dan 70. Belangrijk is te vermelden dat in de niet-endemische situatie bij de meeste patiënten met E. histolytica-cystenuitscheiding en bij vrijwel alle patiënten met amoebendysenterie antistoffen tegen E. histolytica in het serum kunnen worden aangetoond.16 17 Na effectieve behandeling behoren de serologische uitslagen binnen 12 maanden negatief te worden.

Therapie

De behandeling van invasieve infecties met E. histolytica, dat wil zeggen die met dysenterie of een leverabces, bestaat uit een weefselamoebicide middel (metronidazol of tinidazol) en dient altijd gevolgd te worden door een contactamoebicide middel (diloxanide, paromomycine of clioquinol) om recidieven te voorkomen.18 Diloxanide werd in 2001 om commerciële redenen uit de handel genomen. Op dit moment is paromomycine het enige werkzame en veilige middel met contactamoebicide eigenschappen dat in Nederland beschikbaar is; de dosering bedraagt 500 mg 3 dd gedurende 7-10 dagen. Paromomycine is een aminoglycoside dat niet alleen antibacteriële activiteit heeft, maar ook werkzaam is tegen E. histolytica, G. lamblia en Dientamoeba fragilis.19 20

Paromomycine wordt nauwelijks vanuit de darm opgenomen na orale toediening. Alleen bij patiënten met nierinsufficïentie is terughoudendheid geboden wegens de waarneming dat bij langdurige orale toediening van neomycine gehoorschade kan optreden.21 Bij orale toepassing van neomycine zijn gevallen van Clostridium difficile-colitis beschreven; deze aandoening is ook mogelijk na toepassing van paromomycine. Paromomycine is in Nederland niet geregistreerd en wordt op artsenverklaring afgeleverd. Clioquinol wordt ook als contactamoebicide middel toegepast; echter, de werkzaamheid ervan is niet bewezen en er bestaat een kleine kans op ernstige bijwerkingen, namelijk subacute myelo-optische neuropathie, vooral bij chronische overdosering.22 23 Op basis van werkzaamheid, veiligheid en beschikbaarheid is paromomycine het middel van eerste keuze.

conclusie

Nu de grenzen in de wereld vervagen, zijn de tropen soms onverwacht dichtbij. Ook bij een patiënt zonder duidelijk tropencontact dient amoebiasis bij onverklaarde bloederige diarree of leverabces te worden overwogen. Alhoewel dit zelden gebeurt, kan E. histolytica leiden tot secundaire infecties in westerse hygiënische omstandigheden. Om die reden verdient het aanbeveling om nauwe contacten van een patiënt op E. histolytica-cystendragerschap te onderzoeken. Bij personen uit gebieden waar E. histolytica niet endemisch voorkomt, kan serologisch onderzoek op amoeben worden toegepast om onderscheid te maken tussen E. dispar- en E. histolytica-infecties. De gouden standaard blijft het PCR-onderzoek van de ontlasting. Een behandeling met een weefselamoebicide middel dient steeds door een met een contactamoebicide middel te worden gevolgd. Op basis van aangetoonde werkzaamheid, veiligheid en beschikbaarheid is paromomycine het contactamoebicide middel van eerste keus.

Dr.C.G.Clark, Department of Infectious and Tropical Diseases, London School of Hygiene and Tropical Medicine, Londen, VK, verrichtte de genotypering van de E. histolytica-isolaten.

Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: D.Laeijendecker heeft de verschillende diagnostische onderzoeken uitgevoerd met subsidie voor het doelmatigheidsproject ‘Onderscheid tussen Entamoeba histolytica en E. dispar, diagnostische aspecten en klinische relevantie’.

Literatuur
  1. Stanley jr SL. Amoebiasis. Lancet2003;361:1025-34.

  2. Petri jr WA, Singh U. Diagnosis and management ofamebiasis. Clin Infect Dis 1999;29:1117-25.

  3. WHO/PAHO/UNESCO report. A consultation with experts onamoebiasis. Mexico City, Mexico 28-29 January 1997. Epidemiol Bull1997;18:13-4.

  4. Gonzáles-Ruiz A, Wright SG. Disparate amoebae.Lancet 1998;351:1672-3.

  5. Polderman AM, Rijpstra AC. Medische parasitologie. 2e dr.Houten: Bohn Stafleu Van Loghum; 1993.

  6. Blessmann J, Ali IKM, Nu PA, Dinh BT, Viet TQ, Van AL, etal. Longitudinal study of intestinal Entamoeba histolytica infections inasymptomatic adult carriers. J Clin Microbiol 2003;41:4745-50.

  7. Zaki M, Reddy SG, Jackson TF, Ravdin JI, Clark CG.Genotyping of Entamoeba species in South Africa: diversity, stability, andtransmission patterns within families. J Infect Dis2003;187:1860-9.

  8. Stuiver PC, Goud TJLM. Corticosteroids and liveramoebiasis. Br Med J 1978;2(6134):394-5.

  9. Gatti S, Cevini C, Bruno A, Novati S, Scaglia M.Transmission of Entamoeba histolytica within a family complex. Trans R SocTrop Med Hyg 1995;89:403-5.

  10. Vreden SG, Visser LG, Verweij JJ, Blotkamp J, Stuiver PC,Aguirre A, et al. Outbreak of amebiasis in a family in the Netherlands. ClinInfect Dis 2000;31:1101-4.

  11. Salzano A, Rossi E, Carbone M, Mondillo F, de Rosa A,Tuccillo M, et al. Suburban amebiasis: the diagnostic aspects via computedtomography and echography and the percutaneous treatment of amebic liverabscesses. Radiol Med (Torino) 2000;99:169-73.

  12. Gatti S, Cevini C, Marchi L, Novati S, Scaglia M.Entamoeba histolytica autochthonous isolates from mentally retarded Italianpatients. Parasitol Res 1995;81:148-51.

  13. Verweij JJ, Oostvogel F, Brienen EA, Nang-Beifubah A,Ziem J, Polderman AM. Prevalence of Entamoeba histolytica and Entamoebadispar in northern Ghana. Trop Med Int Health 2003;8:1153-6.

  14. Haque R, Mollah NU, Ali IK, Alam K, Eubanks A, Lyerly D,et al. Diagnosis of amebic liver abscess and intestinal infection with theTechLab Entamoeba histolytica II antigen detection and antibody tests. J ClinMicrobiol 2000;38:3235-9.

  15. Pillai DR, Keystone JS, Sheppard DC, MacLean JD,MacPherson DW, Kain KC. Entamoeba histolytica and Entamoeba dispar:epidemiology and comparison of diagnostic methods in a setting ofnonendemicity. Clin Infect Dis 1999;29:1315-8.

  16. Verweij JJ, Lieshout L van, Blotkamp C, Brienen EA,Duivenvoorden S van, Esbroeck M van, et al. Differentiation of Entamoebahistolytica and Entamoeba dispar using PCR-SHELA and comparison of antibodyresponse. Arch Med Res 2000;31(4 Suppl):S44-6.

  17. Verweij JJ. Molecular tools in the diagnosis ofintestinal parasitic infection proefschrift. Leiden: UniversiteitLeiden; 2004.

  18. Irusen EM, Jackson TF, Simjee AE. Asymptomatic intestinalcolonization by pathogenic Entamoeba histolytica in amebic liver abscess:prevalence, response to therapy, and pathogenic potential. Clin Infect Dis1992;14:889-93.

  19. Drugs for parasitic infections. Med Lett Drugs Ther2002;44:32.

  20. Blessmann J, Tannich E. Treatment of asymptomaticintestinal Entamoeba histolytica infection. N Engl J Med2002;347:1384.

  21. Kucers A, editor. The use of antibiotics: a clinicalreview of antibacterial, antifungal, and antiviral drugs. 5th ed. Oxford:Butterworth-Heinemann; 1997.

  22. Clifford Rose F, Gawel M. Clioquinol neurotoxicity: anoverview. Acta Neurol Scand Suppl 1984;100:137-45.

  23. Marsden PD, Knight R. Halogenated oxyquinolinederivatives. Lancet 1971;1(7704):854.

Auteursinformatie

Leids Universitair Medisch Centrum, Postbus 9600, 2300 RC Leiden.

Afd. Infectieziekten, Centrum voor Infectieziekten: mw.W.M.Edeling, student; hr.dr.L.G.Visser, internist-infectioloog.

Afd. Medische Microbiologie en Parasitologie, Centrum voor Infectieziekten: hr.dr.J.J.Verweij, researchmedewerker.

Ziekenhuis Hilversum, afd. Interne Geneeskunde, Hilversum.

Hr.dr.C.IJ.Ponsioen, internist/gastro-enteroloog.

Contact hr.dr.L.G.Visser (l.g.visser@lumc.nl)

Ook interessant

Reacties

Amsterdam, oktober 2004,

De lezenswaardige casuïstische mededeling van Edeling et al. over amoebiasis (2004:1830-4) geeft aanleiding tot enkele opmerkingen over de therapie. Schrijvers melden dat de werkzaamheid van clioquinol niet is bewezen en dat een kleine kans bestaat op de ernstige bijwerking van subacute myelo-optische neuropathie (SMON). Daarom, en vanwege de beschikbaarheid, menen zij dat paromomycine het middel van eerste keus is als luminaal amoebicide middel.

Wellicht zijn zij wat betreft het niet werkzaam zijn van clioquinol op het verkeerde been gezet door Martindale,1 waarin gemeld wordt dat clioquinol van twijfelachtig nut is bij de profylaxe en therapie van reizigersdiarree en andere vormen van diarree waarvoor het ook werd gebruikt. Deze opmerking over het nut slaat evenwel niet op de werkzaamheid bij amoebiasis. Clioquinol (iodochlorohydroxyquine) en het in de VS nog steeds geregistreerde en gebruikte iodoquinol (di-iodohydroxyquine) zijn 8-hydroxyquinolinepreparaten, middelen die direct amoebicide zijn, in vitro en in vivo. Ze zijn werkzaam in de tractus digestivus, niet in weefsels. Het werkingsmechanisme is niet bekend.2 Men gaat uit van een effectiviteit van 85 tot 95%;3 vergelijkend onderzoek van de verschillende preparaten (clioquinol, iodoquinol, paromomycine en diloxanide) is mij niet bekend, zeker niet bij patiënten met bevestigde Entamoeba histolytica-infectie, dat wil zeggen niet Entamoeba dispar-infectie.

SMON deed zich in epidemische vorm voor in Japan in relatie met langdurig gebruik van clioquinol. 25% van een groep van 2465 patiënten met SMON had evenwel geen clioquinol gebruikt.4 Buiten Japan zijn sporadisch gevallen van SMON gemeld. Wellicht speelden in Japan andere factoren mede een rol. Verondersteld werden onder andere etnische verschillen, chemische verontreiniging van voedsel of water (zware metalen?, mogelijk zink),5 vitaminedeficiënties, met name van vitamine B12.4

Enkele neurodegeneratieve ziekten als de ziekte van Parkinson, de ziekte van Alzheimer en mogelijk ook amyotrofe laterale sclerose worden in verband gebracht met schade door vrije radicalen. In de substantia nigra van patiënten met de ziekte van Parkinson bevindt zich meer ijzer dan bij niet-parkinsonpatiënten.5 6 Clioquinol is een ‘chelator’ van ijzer, koper en zink en is wegens deze eigenschap bestudeerd in muizenmodellen van de ziekte van Parkinson en wordt thans bestudeerd in klinisch fase-II-onderzoek bij patiënten met de ziekte van Alzheimer.4

Het laatste woord over clioquinol en ernstige neurologische bijwerkingen en SMON lijkt nog niet gezegd. Het is opmerkelijk dat een middel dat vanwege neurodegeneratieve bijwerkingen werd verbannen, vanwege mogelijk preventieve werking tegen neurodegeneratie terugkeert. In de voor amoebiasis gebruikelijke dosering van 250 mg 3 dd gedurende 10 dagen zijn deze bijwerkingen niet beschreven. Clioquinol kan in Nederland als LNA-preparaat als siroop worden bereid. Het kan op recept worden verkregen en wordt vergoed. Paromomycine is effectief, kan op recept worden verkregen, maar dient vergezeld te gaan van een artsenverklaring. Het wordt voor deze indicatie niet vergoed. Diloxanide(furoaat) is om commerciële redenen niet meer op de markt, maar kan via de parallelle import worden verkregen. Het is minder werkzaam dan paromomycine.7 Registratie van paromomycine en vergoeding ervan dienen te worden bevorderd.

De door schrijvers besproken patiënten werden behandeld met metronidazol, respectievelijk gedurende 14 dagen (patiënt met leverabces) en 7 dagen (patiënt met amoebendysenterie). Schrijvers noemen tinidazol, maar bespreken het niet. Ik ken geen meta-analyse of Cochrane-review waarin metronidazol en tinidazol met elkaar worden vergeleken. Overzichtsartikelen8-10 melden als voordelen van tinidazol de tenminste even grote, mogelijk grotere effectiviteit, de betere verdraagbaarheid, de eenmaal daagse toediening en korte kuur van 3 tot 5 dagen. Uit Durban, een centrum voor amoebenresearch buiten de keerkringen gelegen, werden overigens al in 1977 door Adams en MacLeod goede resultaten gemeld met eenmaal daagse toediening van hoge dosering (2 g) metronidazol gedurende 2 à 3 dagen, zowel bij amoebendysenterie,11 als bij het leverabces.12 Voor de goede orde: ik heb geen belang bij genoemde medicamenten.

P.A. Kager
Literatuur
  1. Parfitt K, editor. Martindale. The complete drug reference. 32th ed. Londen: Pharmaceutical Press; 1999.

  2. Goodman LS, Gilman A. The pharmacological basis of therapeutics. 5th ed. New York: MacMillan; 1975.

  3. McAuley JB, Juranek DD. Luminal agents in the treatment of amebiasis. Clin Infect Dis 1992;14:1161-2.

  4. Tabira T. Clioquinol’s return: cautions from Japan. Science 2001;292:2251-2.

  5. Cole GM. Ironic fate: can a banned drug control metal heavies in neurodegenerative diseases? Neuron 2003;37:889-90.

  6. Kaur D, Yantiri F, Rajagopalan S, Kumar J, Mo JQ, Boonplueang R, et al. Genetic or pharmacological iron chelation prevents MPTP-induced neurotoxicity in vivo: a novel therapy for Parkinson’s disease. Neuron 2003;37:899-909.

  7. Blessmann J, Tannich E. Treatment of asymptomatic intestinal Entamoeba histolytica infection. N Engl J Med 2002;347:1384.

  8. Reed SL. Amebiasis: an update. Clin Infect Dis 1992;14:385-93.

  9. Stanley jr SL. Amoebiasis. Lancet 2003;361:1025-34.

  10. Haque R, Huston ChD, Hughes M, Houpt E, Petri jr WA. Amebiasis. N Engl J Med 2003;348:1565-73.

  11. Adams EB, MacLeod IN. Invasive amebiasis. I. Amebic dysentery and its complications. Medicine (Baltimore) 1977;56:315-23.

  12. Adams EB, MacLeod IN. Invasive amebiasis. II. Amebic liver abscess and its complications. Medicine (Baltimore) 1977;56:325-34.

Leiden, november 2004,

Wij danken collega Kager voor zijn kanttekeningen bij ons artikel. Hierin stellen wij dat de werkzaamheid van clioquinol (iodochlorohydroxyquine) en van het verwante iodoquinol (di-iodohydroxyquine) bij de behandeling van E. histolytica-cystedragerschap onbekend is. Uit een ingezonden brief citeert Kager een effectiviteit van iodoquinol van 85-95%.1 Andere bronnen vermelden een effectiviteit van 60-70% voor dit middel.2 3 Toen deze middelen in de jaren zestig van de vorige eeuw werden ontwikkeld, kon men het onderscheid tussen E. dispar en E. histolytica niet maken. Nu weten wij dat tenminste 90% van de personen die amoebencysten uitscheiden, geïnfecteerd is met E. dispar. Stel dat een middel uitsluitend werkzaam is tegen E. dispar, dan zou men – indien men uitsluitend amoebencyste-uitscheiding als maat voor effectiviteit hanteert – een effectiviteit van 90% tegen amoebiasis veronderstellen. In werkelijkheid is een dergelijk middel echter volstrekt nutteloos, aangezien E. dispar geen behandeling behoeft.

Ook van diloxanide(furoaat) werd een werkzaamheid van 85-90% op grond van amoebencyste-uitscheiding gemeld.4 5 Wanneer men echter parasitologische genezing van E. histolytica met directe PCR vaststelt, dan blijkt diloxanide(furoaat) slechts een effectiviteit van 57% te hebben. De effectiviteit van paromomycine was in dat geval 87%.6 Wij zijn het met Kager eens dat de registratie en de vergoeding van paromomycine als contactamoebicide middel dienen te worden bevorderd. Wij zouden hieraan willen toevoegen dat de werkzaamheid van clioquinol tegen E. histolytica-cystedragerschap met moderne moleculaire technieken nog moet worden vastgesteld.

Sinds 1929 werden 42 gevallen van neurotoxiciteit bij niet-Japanse patiënten beschreven die werden toegeschreven aan clioquinol; 11 daarvan waren niet reversibel.7 De ernstigste bijwerkingen werden waargenomen bij chronische overdosering (tot een totaalinname van maar liefst 15 kg van het middel). Er werd één patiënt beschreven met myeloneuropathie zonder oogzenuwschade waarbij de klachten optraden vanaf een cumulatieve dosis van 7 g; de dosering die ook bij de luminale behandeling van amoebiasis wordt bereikt. In 1977 heeft een WHO-commissie van experts besloten om clioquinol van de lijst van essentiële geneesmiddelen te schrappen omdat de (kleine) kans op schade niet opwoog tegen de potentiële voordelen.8

In het artikel zijn wij niet dieper ingegaan op de behandeling van het amoebenleverabces omdat dit reeds eerder in het Tijdschrift werd beschreven.9 In vitro hebben tinidazol en metronidazol een vergelijkbare activiteit tegen E. histolytica.10 Tinidazol heeft een langere halfwaardetijd (12-14 h) dan metronidazol (7-8 h). Tinidazol is dus niet sterker, maar langer werkzaam dan metronidazol. Uit de resultaten van 7 gerandomiseerde studies over de behandeling van amoebenleverabces met metronidazol of tinidazol blijkt dat tinidazol 2 g 1 dd gedurende 3 dagen of metronidazol 750 mg 3 dd gedurende 5 dagen bij de meeste patiënten tot genezing leidt.11-17

L.G. Visser
Literatuur
  1. McAuley JB, Juranek DD. Luminal agents in the treatment of amebiasis. Clin Infect Dis 1992;14:1161-2.

  2. Krogstad DJ, Spencer jr HC, Healy GR. Current concepts in parasitology. Amebiasis. N Engl J Med 1978;298:262-5.

  3. Kapadia RM, Pathak HY, Apte SP. Chlorhydroxyquinoline and di-iodohydroxyquinoline in amoebiasis: a comparative study. J Indian Med Assoc 1968;51:125-6.

  4. Wolfe MS. Nondysenteric intestinal amebiasis. Treatment with diloxanide furoate. JAMA 1973;224:1601-4.

  5. McAuley JB, Herwaldt BL, Stokes SL, Becher JA, Roberts JM, Michelson MK, et al. Diloxanide furoate for treating asymptomatic Entamoeba histolytica cyst passers: 14 years’ experience in the United States. Clin Infect Dis 1992;15:464-8.

  6. Blessmann J, Tannich E. Treatment of asymptomatic intestinal Entamoeba histolytica infection. N Engl J Med 2002;347:1384.

  7. Clifford Rose F, Gawel M. Clioquinol neurotoxicity: an overview. Acta Neurol Scand 1984;100 Suppl:137-45.

  8. The selection of essential drugs: report of a WHO expert committee. World Health Organ Tech Rep Ser 1977;615:14.

  9. Buikhuisen WA, Wetsteyn JCFM, Gool T van, Kager PA. Malaise na een Afrika-reis: amoebenabces van de lever. [LITREF JAARGANG="2002" PAGINA="423-7"]Ned Tijdschr Geneeskd 2002;146:423-7.[/LITREF]

  10. Noguchi Y, Tanaka T. Aspects of the pharmacology and pharmacokinetics of nitroimidazoles with special reference to tinidazole. Drugs 1978;15(Suppl 1):10-5.

  11. Simjee AE, Gathiram V, Jackson TF, Khan BF. A comparative trial of metronidazole v. tinidazole in the treatment of amoebic liver abscess. S Afr Med J 1985;68:923-4.

  12. Jayawickrema US, Lionel ND. Comparison of metronidazole with emetine & chloroquine in the treatment of hepatic amoebiasis. A controlled double blind study. Ceylon Med J 1975;20:99-102.

  13. Hatchuel W. Tinidazole for the treatment of amoebic liver abscess. S Afr Med J 1975;49:1879-81.

  14. Khokhani RC, Garud AD, Deodhar KP, Sureka SB, Kulkarni M, Damle VB. Treatment of amoebic liver abscess with tinidazole and metronidazole. Drugs 1978;15 (Suppl 1):23-5.

  15. Lasserre R, Jaroonvesama N, Kurathong S, Soh CT. Single-day drug treatment of amebic liver abscess. Am J Trop Med Hyg 1983;32:723-6.

  16. Bhatia S, Karnad DR, Oak JL. Randomized double-blind trial of metronidazole versus secnidazole in amebic liver abscess. Indian J Gastroenterol 1998;17:53-4.

  17. Cohen HG, Reynolds TB. Comparison of metronidazole and chloroquine for the treatment of amoebic liver abscess. A controlled trial. Gastroenterology 1975;69:35-41.

Amsterdam, oktober 2004,

In het artikel van Edeling et al. (2004:1830-4) werden twee patiënten beschreven, van wie de één met een amoebenabces in de lever en de ander met amoebendysenterie. Wij willen graag enige aanvullende opmerkingen plaatsen over de diagnostiek van beide ziektebeelden.

Gezien de ernst van een amoebenabces is snelle informatie over het wel of niet aanwezig zijn van antistoffen tegen deze parasiet van groot klinisch belang. Deze informatie is ook snel te verkrijgen. Recent hebben wij 2 technieken, een latexagglutinatie- en een door ons ontwikkelde dipsticktechniek, uitvoerig geëvalueerd voor snelle serodiagnostiek van amoebiasis. De tests werden geëvalueerd bij patiënten met een amoebenabces (n = 27) en met amoebendysenterie (n = 7) en bij patiënten met cysten van Entamoeba histolytica (n = 11) en Entamoeba dispar (n = 61) in de feces, waarbij de soort met PCR was vastgesteld. Voor de bepaling van de specificiteit werden 203 patiënten met onder meer andere infectieziekten, auto-immuunziekten en bloeddonoren getest.

Bij patiënten met een amoebenabces was de sensitiviteit van de agglutinatie- en dipsticktest respectievelijk 92,5% en 100% en de specificiteit 99,5% en 98,0%. Bij 2 patiënten met een amoebenabces was de dipstick al vroeg in de infectie positief, terwijl de agglutinatietest pas later positief werd. Bij patiënten met amoebendysenterie werden met de agglutinatietest bij 7/7 en met de dipstick bij 6/7 specifieke antistoffen aangetoond. Bij patiënten met cysten van E. histolytica in feces werden met de agglutinatie en dipstick respectievelijk bij 10/11 en bij 9/11 specifieke antistoffen aangetoond, terwijl bij patiënten met E. dispar-cysten in de feces de uitslagen van beide tests bij 60 van de 61 (98,4%) monsters negatief bleven.

Beide tests zijn dus zeer betrouwbaar voor de serologische diagnose van een amoebenabces. Tevens kunnen ze, als aanvullende techniek, nuttig zijn bij de diagnostiek van amoebendysenterie en cystendragerschap van E. histolytica. De agglutinatietest is commercieel verkrijgbaar (Fumouze; Levallois-Perret, Frankrijk) en is in elk laboratorium goed uitvoerbaar. Deze snelle tests bieden dus binnen één uur een uitslag van serologisch onderzoek op amoeben. In onze laboratoria worden naast de genoemde technieken ook nog een CAP-1 en ELISA-test uitgevoerd waarbij, in tegenstelling tot de andere tests, de CAP-test snel negatief wordt na effectieve behandeling. In de praktijk is de uitslag van agglutinatie en/of dipstick in de regel voldoende voor de klinische besluitvorming.

Betreffende de tweede patiënt met amoebendysenterie die beschreven wordt door Edeling et al., willen wij het belang onderstrepen van goed uitgevoerd microscopisch fecesonderzoek zoals dit plaatsvindt in vrijwel elk microbiologisch laboratorium in Nederland. Ook zonder PCR kan hiermee de diagnose snel en betrouwbaar gesteld worden.1 2 Wanneer specifiek aan amoebendysenterie wordt gedacht, kan onderzoek naar vegetatieve stadia van E. histolytica in vers geproduceerde feces binnen een uur een diagnose opleveren.1 2 Door standaard gebruik te maken van een fixatief en meervoudig fecesonderzoek kunnen, ook als de arts niet aan dit soort infecties denkt, de parasieten met routineonderzoek goed aangetoond worden.1-3 Bij patiënten met amoebendysenterie is serodiagnostiek, ook met de hier genoemde snelle tests, meestal positief.

T. van Gool
R. Peek
H. Hofwegen
R. Koelewijn
Literatuur
  1. Cook GC, Zumla AL. Manson’s tropical diseases. 21st ed. Londen: Saunders; 2003.

  2. Garcia LS. Diagnostic medical parasitology. 4th ed. Washington: American Society of Microbiology; 2001.

  3. Bosman DK, Benninga MA, Berg P van de, Kooijman GCL, Gool T van. Dientamoeba fragilis: een mogelijk belangrijke oorzaak van persisterende buikpijn bij kinderen. [LITREF JAARGANG="2004" PAGINA="575-9"]Ned Tijdschr Geneeskd 2004;148:575-9.[/LITREF]

Leiden, november 2004,

Collega’s Van Gool et al. doen een interessante mededeling over snelle serologische diagnostiek van amoebiasis. In de praktijk is de waarde van dergelijke snelle diagnostiek echter beperkt. Bij klinisch vermoeden van een amoebenleverabces wacht men immers het resultaat van serologisch onderzoek niet af, maar wordt er onmiddellijk gestart met behandeling. Bovendien wordt een weefselamoebicide middel niet onthouden indien er initieel geen serumantistoffen tegen amoeben kunnen worden aangetoond. Immers, zoals terecht werd opgemerkt, kan vroeg in de infectie de serologische uitslag nog negatief zijn, en dient het onderzoek na enkele dagen te worden herhaald.

Wij onderschrijven met Van Gool et al. het belang van goed uitgevoerd microscopisch ontlastingsonderzoek. Wanneer men de karakteristieke grote hematofage trofozoïeten in verse ontlasting aantreft, is de diagnose ‘amoebendysenterie’ snel gesteld.1 2 De uitscheiding hiervan is echter zeer ongelijkmatig. PCR-onderzoek van de ontlasting heeft een hogere sensitiviteit en specificiteit dan het microscopisch onderzoek.3 4 Daarom verdient het aanbeveling om indien er bij bloederige diarree geen hematofage trofozoïeten worden gevonden of uitsluitend minutavormen van E. histolytica/E. dispar worden gezien, PCR-onderzoek en serologisch onderzoek naar E. histolytica te laten verrichten.

L.G. Visser
Literatuur
  1. Polderman AM, Rijpstra AC. Medische parasitologie. 2e dr. Houten: Bohn Stafleu van Loghum; 1993.

  2. Gonzalez-Ruiz A, Haque R, Aguirre A, Castanon G, Hall A, Guhl F, et al. Value of microscopy in the diagnosis of dysentery associated with invasive Entamoeba histolytica. J Clin Pathol 1994;47:236-9.

  3. Gonin P, Trudel L. Detection and differentiation of Entamoeba histolytica and Entamoeba dispar isolates in clinical samples by PCR and enzyme-linked immunosorbent assay. J Clin Microbiol 2003;41:237-41.

  4. Blessmann J, Buss H, Nu PA, Dinh BT, Ngo QT, Van AL, et al. Real-time PCR for detection and differentiation of Entamoeba histolytica and Entamoeba dispar in fecal samples. J Clin Microbiol 2002;40:4413-7.