Trends in cardiovasculaire ziekte en sterfte in Nederland, 1980-2000

Onderzoek
H.L. Koek
D.E. Grobbee
M.L. Bots
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2004;148:27-5
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Doel

Beschrijving en interpretatie van trends in cardiovasculaire ziekte en sterfte van de Nederlandse bevolking in de periode 1980-2000, waarbij de sterke daling in ziekenhuisopnamen wegens hart- en vaatziekten in de tweede helft van de jaren negentig centraal stond.

Opzet

Beschrijvend.

Methode

Analyse van trends in ziekenhuisopnamen en cardiovasculaire sterfte aan de hand van landelijke gegevens over ziekenhuisopnamen en sterfte naar leeftijd en geslacht in de periode 1980-2000, afkomstig uit de Landelijke Medische Registratie van ziekenhuisopnamen van Prismant en de landelijke statistiek van doodsoorzaken van het Centraal Bureau voor de Statistiek.

Resultaten

Sinds de jaren zeventig daalde de sterfte aan hart- en vaatziekten gestaag. Bij mannen was het gestandaardiseerde sterftecijfer 36 gedaald, bij vrouwen 33. De daling in sterfte trad op bij zowel acute als chronische ziektebeelden. De ziekenhuisopnamecijfers voor hart- en vaatziekten lieten na een aanvankelijke stijging een sterke daling zien sinds de tweede helft van de jaren negentig. Bij mannen was het gestandaardiseerde ziekenhuisopnamecijfer met 15 gedaald, bij vrouwen met 13. Deze daling trad op in alle leeftijdsgroepen en bij zowel acute als chronische ziektebeelden.

Conclusie

De recente daling van ziekenhuisopnamen wegens hart- en vaatziekten in de tweede helft van de jaren negentig lijkt vooral het gevolg te zijn van de verschuiving van ziekenhuisopnamen naar dagverpleging en polikliniek.

Inleiding

Zie ook het artikel op bl. 7.

Hart- en vaatziekten vormen sinds vele jaren de frequentste doodsoorzaak in Nederland,1 zoals ook in andere landen (WHO Statistical Information System; www3.who.int/whosis/). De – voor veranderingen in leeftijdsopbouw van de bevolking gecorrigeerde – sterfte aan hart- en vaatziekten daalt echter sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw gestaag in Nederland, met name als gevolg van een dalende sterfte aan ischemische hartaandoeningen en cerebrovasculaire aandoeningen.2

Aangezien de incidentie van deze ziekten minder lijkt te dalen dan de sterfte en er een verschuiving plaatsvindt van acute naar chronische ziekten, is het gevolg dat het aantal patiënten met chronische hartaandoeningen zoals hartfalen toeneemt. Mede hierdoor is het aantal ziekenhuisopnamen in verband met hart- en vaatziekten in de jaren tachtig en begin jaren negentig aanzienlijk toegenomen.3

Aan de hand van analyse van trends in ziekenhuisopnamen en cardiovasculaire sterfte hebben wij op basis van landelijke gegevens bestudeerd of deze ontwikkelingen in cardiovasculaire morbiditeit en mortaliteit zich in de tweede helft van de jaren negentig hebben voortgezet.

methode

Wij verzamelden gegevens over cardiovasculaire ziekte en sterfte van de Nederlandse bevolking in de periode 1980-2000 en analyseerden vervolgens trends in ziekenhuisopnamen en cardiovasculaire sterfte.

Gegevensbronnen

Jaarlijkse ziekenhuisopname-, dagopname- en verpleegduurcijfers van hart- en vaatziekten naar leeftijd, geslacht en hoofddiagnose bij ontslag werden verkregen uit de Landelijke Medische Registratie (LMR) van Prismant. Gegevens van 1980-1985 zijn voor meer dan 95 compleet en werden verhoogd om tot het totaal van heel Nederland te geraken. Vanaf 1986 zijn alle algemene en academische ziekenhuizen aangesloten bij de LMR. Gegevens omtrent dagopnamen zijn na 1993 voor meer dan 99 compleet.

Jaarlijkse sterftecijfers van hart- en vaatziekten naar leeftijd, geslacht en primaire doodsoorzaak zijn afkomstig uit de landelijke statistiek van doodsoorzaken van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Voor het berekenen van de opname- en sterftecijfers van hart- en vaatziekten werden codes gebruikt uit de ‘Classificatie van ziekten’ (CVZ, de Nederlandse vertaling van de 9e versie van de ‘International classification of diseases – clinical modification’; ICD-9-CM), de ICD-9 en de ICD-10.4

Jaarlijkse gegevens van de bevolkingsopbouw van Nederland naar leeftijd en geslacht werden verkregen van het CBS.

Statistische analyse

Brutosterfte- of -opnamecijfers werden berekend door het aantal sterfgevallen of opnamen per jaar te delen door de gemiddelde bevolkingsgrootte in dat jaar en te vermenigvuldigen met 100.000. Tevens werden voor veranderingen in leeftijdsopbouw gecorrigeerde (gestandaardiseerde) sterfte- of opnamecijfers berekend. De storende invloed van verschillen in leeftijdsopbouw van de bevolking die bestonden tussen verschillende jaren werd bij deze cijfers gecorrigeerd met directe standaardisatie, waarbij de gemiddelde bevolkingsopbouw van 1980 als standaardpopulatie werd gekozen. Leeftijdspecifieke sterfte- of opnamecijfers geven brutocijfers voor verschillende leeftijdsgroepen weer, dus het aantal sterfgevallen of opnamen per 100.000 van de gemiddelde bevolking in de desbetreffende leeftijdsgroep per jaar. De gemiddelde verpleegduur werd berekend als het quotiënt van het totaal aantal verpleegdagen voor een bepaalde aandoening gedeeld door het totale aantal opnamen wegens die betreffende aandoening.

resultaten

Sterfte

Gedurende de periode 1980-2000 waren zowel de brutosterftecijfers als de gestandaardiseerde sterftecijfers voor hart- en vaatziekten gedaald (figuur 1). Bij mannen was het brutosterftecijfer (per 100.000) gedaald van 395 naar 304 (23), bij vrouwen van 338 naar 323 (4). Het verschil in daling tussen mannen en vrouwen werd kleiner als de sterftecijfers gestandaardiseerd werden: 36 respectievelijk 33. Sinds 1991 overleden in absolute zin meer vrouwen dan mannen aan hart- en vaatziekten (in 2000 23.953 mannen en 25.999 vrouwen).

De gestandaardiseerde sterftecijfers voor verschillende acute en chronische hart- en vaatziekten vertoonden alle een daling in de jaren tachtig en negentig; bij het acuut myocardinfarct 55, bij de cerebrovasculaire aandoeningen 32 en bij de chronisch ischemische hartziekten 28 (figuur 2).

Bij mannen was het brutosterftecijfer (per 100.000) voor alle doodsoorzaken tezamen gedaald van 902 naar 873 (3), bij vrouwen daarentegen gestegen van 715 naar 892 (25). Als de sterftecijfers gestandaardiseerd werden, was de sterfte zowel bij mannen als bij vrouwen gedaald: 19 bij mannen en 9 bij vrouwen.

Ziekenhuisopnamen

Gedurende de jaren tachtig en de eerste helft van de jaren negentig waren zowel de bruto- als de gestandaardiseerde ziekenhuisopnamecijfers (per 100.000) voor hart- en vaatziekten gestegen (figuur 3). Bij mannen was het brutoziekenhuisopnamecijfer van 1980-1996 gestegen met 42 (van 1511 naar 2150) en het gestandaardiseerde ziekenhuisopnamecijfer met 24. Bij vrouwen was het brutoziekenhuisopnamecijfer van 1980-1997 met 47 gestegen (van 1043 naar 1532) en het gestandaardiseerde ziekenhuisopnamecijfer van 1980-1995 met 28.

Vanaf de tweede helft van de jaren negentig was er echter een dalende trend (zie figuur 3). Bij mannen was het brutoziekenhuisopnamecijfer (per 100.000) na 1996 gedaald met 11 (naar 1924 in 2000) en het gestandaardiseerde ziekenhuisopnamecijfer met 15. Bij vrouwen was het brutoziekenhuisopnamecijfer na 1997 gedaald met 10 (naar 1374 in 2000) en het gestandaardiseerde ziekenhuisopnamecijfer na 1995 met 13.

De dalende trend deed zich voor in alle leeftijdsgroepen (figuur 4); bij de jongere leeftijdsgroepen vanaf 1995, bij 65-79-jarigen 2 jaar later en bij 80-plussers vanaf 1998. De daling was het duidelijkst in de lagere leeftijdsklassen; van 1995-2000 14 bij patiënten jonger dan 50 jaar en 21 bij 50-64-jarigen, van 1997-2000 12 bij 65-79-jarigen en van 1998-2000 8 bij 80-plussers.

De gestandaardiseerde ziekenhuisopnamecijfers voor verschillende acute en chronische hart- en vaatziekten vertoonden eenzelfde trend (figuur 5). Het jaar waarin de daling begon, wisselde echter per ziektebeeld; bij het acuut myocardinfarct reeds vanaf 1986; bij chronisch hartfalen vanaf 1994; bij de chronische ischemische hartziekten vanaf 1995; bij het geruptureerd aneurysma aorta abdominalis vanaf 1996; bij het intracerebraal hematoom vanaf 1997 en bij de cerebrovasculaire aandoeningen vanaf 1998.

De gemiddelde verpleegduur (in dagen) voor hart- en vaatziekten was in de periode 1980-2000 jaarlijks gedaald, bij mannen van 15,5 naar 9,1 en bij vrouwen van 19,1 naar 10,6. Deze daling deed zich voor bij zowel acute als chronische ziektebeelden. De gemiddelde verpleegduur voor het acuut hartinfarct bijvoorbeeld was van 18 naar 12 gedaald en voor chronisch hartfalen van 21 naar 13.

Het totale aantal ziekenhuisopnamen was gedurende de periode 1990-1994 in Nederland gestegen met 4 (van 1.503.000 naar 1.564.000). Het brutoziekenhuisopnamecijfer (per 100.000) was ongeveer gelijk gebleven (van 10.053 naar 10.167). Vanaf de tweede helft van de jaren negentig was er een dalende trend in zowel het absolute aantal als het brutoaantal ziekenhuisopnamen. Vanaf 1995 was het absolute aantal gedaald met 6 (tot 1.465.000 in 2000) en het brutoziekenhuisopnamecijfer met 10 (tot 9199 in 2000).5

Dagopnamen

Landelijke gegevens over het aantal dagopnamen wegens hart- en vaatziekten in de periode 1993-2000 lieten een stijging zien van 23.454 naar 52.687 (125) (figuur 6). In 1993 werd 1 patiënt in dagverpleging opgenomen tegen 11 patiënten in het ziekenhuis; in 2000 was deze verhouding 1 op 5. Deze trend werd gezien bij diverse ziektebeelden (figuur 7). Zo was het aantal dagopnamen wegens varices toegenomen van 6452 naar 11.803 (+83), wegens chronische ischemische hartziekten van 1228 naar 3825 (+211) en wegens cerebrovasculaire aandoeningen van 360 naar 1184 (+229), waaronder passagère cerebrale ischemie van 64 naar 441 (+589). De dagopnamen wegens hartfalen lieten geen duidelijke trend zien.

Het totale aantal dagopnamen was gedurende de periode 1993-2000 geleidelijk toegenomen van 536.729 naar 891.798 (66). In 1993 werd 1 patiënt in dagverpleging opgenomen tegen 3 patiënten in het ziekenhuis, in 2000 was deze verhouding 1 op 2.

De som van het aantal ziekenhuisopnamen en het aantal dagopnamen wegens hart- en vaatziekten was bij mannen gestegen van 165.643 in 1993 tot 186.119 in 1997 (+12) en bij vrouwen van 123.898 naar 140.593 (+13). Na 1997 was deze som iets gedaald; bij mannen naar 179.441 in 2000 (–4) en bij vrouwen naar 135.367 (–4). Het aantal ziekenhuisopnamen was in de periode 1997-2000 met 23.626 gedaald; het aantal dagopnamen was in dezelfde periode met 11.722 gestegen.

Polikliniek

Het aantal eerste polikliniekbezoeken was in de periode 1990-2000 toegenomen van 4.680.000 naar 8.360.000 (79). In 1990 werden 3 patiënten voor het eerst poliklinisch gezien tegen 1 ziekenhuisopname, in 2000 was deze verhouding 6 op 1. Het totale aantal polikliniekbezoeken was in de periode 1990-1994 eveneens toegenomen van 19.926.000 naar 22.452.000 (13), echter, sinds 1995 bleef het aantal stabiel (in 2000 22.309.000). In 1990 werden 13 patiënten poliklinisch gezien tegen 1 ziekenhuisopname, in 2000 was deze verhouding 15 op 1. Het gemiddeld aantal herhalingsbezoeken per eerste polikliniekbezoek was in de periode 1990-2000 gedaald van 3,3 naar 1,7.5

beschouwing

Sinds de jaren zeventig van de afgelopen eeuw daalde de gestandaardiseerde sterfte aan hart- en vaatziekten gestaag. Deze trend zette zich ook in de jaren negentig onveranderd voort, zowel voor de totale groep hart- en vaatziekten als voor verschillende afzonderlijke acute en chronische ziektebeelden.

De gestandaardiseerde ziekenhuisopnamecijfers voor hart- en vaatziekten lieten echter halverwege de jaren negentig een duidelijke daling zien. In diverse andere landen was van een dergelijke daling geen sprake. In Engeland bijvoorbeeld is in de periode 1998-2000 het aantal ziekenhuisopnamen wegens hart- en vaatziekten met 9 gestegen (Department of Health, Hospital Episode Statistics, Engeland; www.doh.gov.uk/hes/free_data/index.html). Verschillende fenomenen kunnen aan de daling in ziekenhuisopnamen in Nederland ten grondslag liggen.

Verandering in codering

Bij de registratie van doodsoorzaken was er in 1996 een overgang van ICD-9 naar ICD-10. Bij de registratie van ziekenhuisopnamen was van een dergelijke overgang van coderingssysteem echter geen sprake. Vanaf 1980 tot heden wordt gecodeerd volgens de CVZ. De afname in ziekenhuisopnamen kan dus niet het gevolg zijn van een overgang naar een ander coderingssysteem. Ook is het niet waarschijnlijk dat in de relatief korte periode waarin de daling optrad de wijze waarop gecodeerd werd drastisch veranderd is. Het feit dat het jaar waarop de daling inzette en de mate waarin de daling optrad per leeftijdscategorie en per ziektebeeld wisselde, maakt dit ook minder aannemelijk.

Een ander argument dat tegen een verandering in codering pleit, is het feit dat niet alleen het aantal cardiovasculaire ziekenhuisopnamen daalde, maar ook het totale aantal ziekenhuisopnamen. Sinds 1986 tot heden is de participatiegraad van ziekenhuizen die coderen volgens de LMR 100, dus ook hier ligt geen verklaring voor de daling.

Verandering in verpleegduur

Een verandering in gemiddelde verpleegduur, met name een toename, zou de daling in ziekenhuisopnamen kunnen verklaren. De gemiddelde verpleegduur van hart- en vaatziekten is echter sinds 1980 gestaag gedaald, terwijl tegelijkertijd het aantal ziekenhuisopnamen toenam en pas sinds halverwege de jaren negentig is gaan dalen. Hieruit volgt logischerwijs dat de daling in ziekenhuisopnamen waarschijnlijk niet in belangrijke mate is veroorzaakt door een verandering in verpleegduur.

Verschuiving van ziekenhuisopnamen naar dagverpleging of polikliniek

Het aantal ziekenhuisopnamen is gedaald in de tweede helft van de jaren negentig, het aantal dagopnamen en eerste polikliniekbezoeken daarentegen is gestegen. De som van het aantal ziekenhuisopnamen en het aantal dagopnamen is in deze periode licht gedaald. Bovenstaande bevindingen maken het aannemelijk dat er in de afgelopen jaren een verschuiving heeft plaatsgevonden van ziekenhuisopnamen naar dagopnamen of polikliniek en dat deze verschuiving bijdraagt aan de daling in het aantal ziekenhuisopnamen in de tweede helft van de jaren negentig. Voor acute aandoeningen zoals het acuut myocardinfarct is dit een minder plausibele verklaring. Het is immers onwaarschijnlijk dat deze levensbedreigende aandoening tot een dagopname in plaats van een ziekenhuisopname zou leiden. Uitspraken over het exacte aantal dat verschoven is van ziekenhuisopnamen naar dagopnamen of polikliniek zijn niet mogelijk, onder andere omdat bij de gegevens omtrent ziekenhuisopnamen (en dagopnamen) het onderscheid tussen een eerste (dag)opname en een her(dag)opname niet mogelijk is.

Verschuiving van ziekenhuisopnamen naar verpleeghuis

Deze verklaring wordt aannemelijk als met name oudere patiënten en patiënten met minder acute cardiovasculaire ziektebeelden vaker opgenomen worden in het verpleeghuis in plaats van in het ziekenhuis. Het blijkt echter dat de daling eerder optrad en (procentueel) het duidelijkst was in de lagere leeftijdscategorieën en dat de daling bij zowel acute als chronische cardiovasculaire ziektebeelden optrad. Het aantal ziekenhuisopnamen wegens hart- en vaatziekten was na 1997 gedaald met 23.626 opnamen. In 2000 waren er in de verpleeghuizen in totaal 1679 opnamen minder dan in 1997.6 Gezien het bovenstaande lijkt een aanzienlijke verschuiving van ziekenhuiszorg naar verpleeghuiszorg niet waarschijnlijk.

Verschuiving van ziekenhuisopnamen naar de eerste lijn

De verwachting hierbij is dat daling vooral optreedt bij minder acute ziektebeelden. Het blijkt echter dat zowel de acute als de chronische cardiovasculaire ziektebeelden een dalende trend vertoonden. Het percentage personen met contact met de huisarts per jaar was van 1997-2000 stabiel gebleven. Hetzelfde geldt voor het percentage patiënten dat verwezen werd naar een specialist.6 Al deze feiten tezamen maken het minder waarschijnlijk dat er een verschuiving van zorg van de tweede naar de eerste lijn heeft plaatsgevonden in de jaren negentig.

Capaciteitsproblematiek in de gezondheidszorg

In de periode 1997-2000 is het aantal ziekenhuisbedden gedaald van 54.378 naar 51.288 (6).5 Het aandeel van hart- en vaatziekten in het totale aantal ziekenhuisopnamedagen is constant gebleven in deze periode (21). Uit bovenstaande gegevens volgt een daling van 649 bedden voor hart- en vaatziekten. In 2000 vond er 24,3 ziekenhuisopname wegens hart- en vaatziekten per bed voor hart- en vaatziekten plaats (in 1997: 25,0). Bij een daling van 649 bedden komt dit neer op 15.771 minder opnamen wegens hart- en vaatziekten. Dit is 67 van de totale daling in ziekenhuisopnamen wegens hart- en vaatziekten gedurende de periode 1997-2000. Het lijkt er derhalve op dat sluiting van de bedden in belangrijke mate kan hebben bijgedragen aan de waargenomen daling in ziekenhuisopnamen en verschuiving naar dagbehandeling en polikliniek. Daarnaast is bekend dat er een tekort aan ziekenhuispersoneel was en uit onderzoek bleek dat 6 van de ziekenhuisbedden door de verkeerde patiënt bezet werd.7 Deze patiënten wachtten op vervolgzorg, bijvoorbeeld door de thuiszorg of in een verpleeghuis. Deze factoren kunnen eveneens een bijdrage geleverd hebben aan de daling in ziekenhuisopnamen.

Lagere incidentie van hart- en vaatziekten door primaire preventie

Onderzoek toonde aan dat de daling in sterfte wegens het myocardinfarct in de jaren tachtig voor een groot deel kan worden toegeschreven aan de invloed van primaire preventie (daling van het percentage rokers, daling van de cholesterolconcentratie en behandeling van hypertensie).8 9 Uitspraken over recente trends in incidentie (en prevalentie) van hart- en vaatziekten zijn niet goed mogelijk, gezien het gebrek aan betrouwbare recente cijfers. De gegevens die er zijn, hebben vaak alleen betrekking op sterfte of een bepaald ziektebeeld uit de groep hart- en vaatziekten (acuut hartinfarct) dan wel op een periode die niet op de tweede helft van de jaren negentig van toepassing is. Een goede landelijke registratie die voor trends in incidentie gebruikt kan worden, is er niet. Zo legt de LMR wel opnamen vast, maar zij volgt geen individuen. Dit betekent dat iemand die meerdere malen in een jaar voor hetzelfde ziektebeeld wordt opgenomen, evenzovele malen wordt geregistreerd. Gezien het bovenstaande is het niet goed mogelijk vast te stellen of er sprake is van een recente dalende incidentie van hart- en vaatziekten en of dit een bijdrage levert aan de recente daling in het aantal ziekenhuisopnamen.

Verbeterde behandeling invloed secundaire preventie

Er is de afgelopen decennia grote vooruitgang geboekt in de behandeling en vooral ook secundaire preventie van hart- en vaatziekten, hetgeen tot daling van de ziekenhuisopnamen geleid kan hebben. De daling van het gestandaardiseerd ziekenhuisopnamecijfer voor hartfalen is hier een voorbeeld van. Deze daling is waarschijnlijk ten dele het gevolg van verbeteringen in de behandeling van dit ziektebeeld, met name door middel van angiotensineconverterend-enzym(ACE)-remmers. ACE-remmers verlagen de mortaliteit (oddsratio: 0,80) en het aantal ziekenhuisheropnamen (oddsratio: 0,67) bij patiënten met hartfalen.10 Ziekenhuisopnamen wegens hartfalen vormen 9 van het totale aantal ziekenhuisopnamen wegens hart- en vaatziekten, dus een afname in ziekenhuisopnamen wegens hartfalen kan een deel van de afname in het totale aantal ziekenhuisopnamen wegens hart- en vaatziekten verklaren. Een ander voorbeeld is het gebruik van lipideconcentratieverlagende medicijnen, dat van 1991-1998 in Nederland statistisch significant is toegenomen.11 In een recent onderzoek naar de effecten van het gebruik van een cholesterolsyntheseremmer was er een statistisch significante daling (na tenminste één jaar gebruik) van het aantal patiënten dat overleed, een hartinfarct of beroerte kreeg, dan wel een revascularisatieprocedure onderging.12 Deze ontwikkelingen kunnen eveneens een bijdrage geleverd hebben aan het dalende ziekenhuisopnamecijfer voor hart- en vaatziekten.

conclusie

Op basis van onze gegevens lijkt een verschuiving van ziekenhuisopnamen naar dagverpleging en polikliniek, in grote mate als gevolg van sluiting van bedden, de belangrijkste verklaring te zijn van de sterke daling van ziekenhuisopnamen wegens hart- en vaatziekten in de tweede helft van de jaren negentig. Met de gegevens uit dit onderzoek is echter de relatieve bijdrage van de verschillende andere mogelijke verklaringen niet te bepalen. Verder onderzoek hiernaar, alsmede naar recente (trends in) incidentie- en prevalentieschattingen van hart- en vaatziekten is gewenst, bijvoorbeeld door middel van een goede landelijke registratie waarbij onderscheid gemaakt kan worden tussen een eerste opname dan wel een heropname.

Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: de Nederlandse Hartstichting (projectnummer 31632501).

Literatuur
  1. Koek HL, Bots ML. Hartinfarct, cijfers en feiten. HartBulletin 2002;33:81-4.

  2. Bonneux L, Looman CWN, Barendregt JJ, Maas PJ van der.Regression analysis of recent changes in cardiovascular morbidity andmortality in the Netherlands. BMJ 1997;314:789-92.

  3. Reitsma JB, Dalstra JAA, Bonsel GJ, Meulen JHP van der,Koster RW, Gunning-Schepers LJ, et al. Cardiovascular disease in theNetherlands, 1975-1995: decline in mortality, but increasing numbers ofpatients with chronic conditions. Heart 1999;82:52-6.

  4. Leest LATM van, Koek HL, Bots ML, Verschuren WMM. Hart- envaatziekten in Nederland 2002, cijfers over ziekte en sterfte. Den Haag:Nederlandse Hartstichting; 2002.

  5. Gebruik ziekenhuisvoorzieningen 2000. Utrecht: Prismant;2000.

  6. Vademecum gezondheidsstatistiek, jaargang 1996-2000. DenHaag: Centraal Bureau voor de Statistiek; 1996-2000.

  7. Verkeerde-bed-problematiek. Utrecht: Prismant;2001.

  8. Oei LT, Erkelens DW. Daling in sterfte door coronairehartziekten in de periode 1974-1992 grotendeels verklaarbaar door veranderingin de risicofactoren cholesterol en rookgedrag.Ned Tijdschr Geneeskd1995;139:2309-14.

  9. Bots ML, Grobbee DE. Decline of coronary heart diseasemortality in the Netherlands from 1978 to 1985: contribution of medical careand changes over time in presence of major cardiovascular risk factors. JCardiovasc Risk 1996;3:271-6.

  10. Mosterd A, Reitsma JB, Grobbee DE. Angiotensin convertingenzyme inhibition and hospitalisation rates for heart failure in theNetherlands, 1980-1999: the end of an epidemic? Heart 2002;87:75-6.

  11. Mantel-Teeuwisse AK, Klungel OH, Verschuren WM, PorsiusAJ, Boer A de. Time trends in lipid lowering drug use in the Netherlands. Hasthe backlog of candidates for treatment been eliminated? Br J Clin Pharmacol2002;53:379-85.

  12. Heart Protection Study Collaborative Group. MRC/BHF HeartProtection Study of cholesterol lowering with simvastatin in 20,536 high-riskindividuals. Lancet 2002;360:7-22.

Auteursinformatie

Universitair Medisch Centrum Utrecht, Julius Centrum voor Gezondheidswetenschappen en Eerstelijnsgeneeskunde, Postbus 85.060, Huispostnummer Str. 6.118, 3508 AB Utrecht.

Mw.H.L.Koek, arts-onderzoeker; hr.prof.dr.D.E.Grobbee en hr.dr. M.L.Bots, artsen-epidemiologen.

Contact mw.H.L.Koek (h.l.koek@jc.azu.nl)

Gerelateerde artikelen

Reacties