Toenemende incidentie van mesothelioom in de toekomst door beroepsmatige blootstelling aan asbest in het verleden

Onderzoek
A. Burdorf
J.J. Barendregt
P.H.J.J. Swuste
D.J.J. Heederik
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1997;141:1093-8
Abstract

Samenvatting

Doel

Het schatten van de incidentie van mesothelioom, veroorzaakt door beroepsmatige blootstelling aan asbest in het verleden, in Nederland in de komende 35 jaar.

Opzet

Toepassing van een cohortleeftijdmodel.

Plaats

Erasmus Universiteit, Instituut Maatschappelijke Gezondheidszorg, Rotterdam.

Methode

Er werd een cohortleeftijdmodel opgesteld voor de mannelijke bevolking op basis van de leeftijdspecifieke sterfte aan het pleuramesothelioom in de periode 1969-1994. De middenvariant voor de bevolkingsprognose van het Centraal Bureau voor de Statistiek werd toegepast op dit model om de sterfte aan pleuramesothelioom onder mannen in de periode 1995-2030 te schatten.

Resultaten

Volgens de schatting worden in de komende 35 jaar bijna 20.000 sterfgevallen aan pleuramesothelioom onder mannen verwacht. De jaarlijkse sterfte zal een piek bereiken van bijna 700 gevallen in het jaar 2018. Daarna neemt de incidentie snel af tot een niveau rond 450 gevallen in het jaar 2030. Het ligt in de verwachting dat de snelle daling zich zal voortzetten na 2030. Van de geboortecohort 1943-1947 zal 0,87 van de mannen uiteindelijk overlijden door pleuramesothelioom. Blootstelling aan asbest in het beroep vormt de belangrijkste verklaring voor dit sterftepatroon.

Conclusie

Beroepsmatige blootstelling aan asbest is een belangrijk volksgezondheidsprobleem onder Nederlandse mannen.

Auteursinformatie

Erasmus Universiteit, Instituut Maatschappelijke Gezondheidszorg, Postbus 1738, 3000 DR Rotterdam.

Dr.ir.A.Burdorf, epidemioloog-arbeidshygiënist; drs.J.J.Barendregt, historicus-econoom.

Technische Universiteit, vakgroep Veiligheidskunde, Delft.

Dr.drs.P.H.J.J.Swuste, veiligheidskundige.

Landbouw Universiteit, vakgroep Humane Epidemiologie, Wageningen.

Dr.ir.D.J.J.Heederik, epidemioloog-arbeidshygiënist.

Contact dr.ir.A.Burdorf

Heb je nog vragen na het lezen van dit artikel?
Check onze AI-tool en verbaas je over de antwoorden.
ASK NTVG

Ook interessant

Reacties

L.J.
Schouten

Maastricht, juli 1997,

Burdorf et al.(1997:1093-8) voorspellen op basis van sterftecijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) dat in Nederland in de komende 35 jaar 20.000 sterfgevallen ten gevolge van pleuramesothelioom zullen optreden. Daarnaast melden zij dat in de afgelopen 25 jaar geen trend waarneembaar was in de sterfte ten gevolge van peritoneummesothelioom. Het is echter twijfelachtig of de aard van de beschikbare gegevens deze laatste conclusie rechtvaardigt. Waarschijnlijk hebben de auteurs hiervoor gebruikgemaakt van code 158 van de ‘International classification of diseases’-9. Deze codering omvat alle maligniteiten die primair zijn ontstaan in peritoneum en retroperitoneum, dus niet alleen peritoneummesotheliomen, maar ook extragonadale kiemceltumoren, retroperitoneale sarcomen, et cetera. Ook valt niet uit te sluiten dat metastasen in het peritoneum ten onrechte als primaire peritoneumtumor gecodeerd zijn (denk bijvoorbeeld aan het pseudomyxoma peritonei). Tegen deze achtergrond is het niet mogelijk om betrouwbare uitspraken te doen over mogelijke trends in de sterfte ten gevolge van het peritoneummesothelioom. Het is mogelijk dat een verbetering van de rapportage aan en de codering door het CBS, met als gevolg een daling van overige, onder 158 gecodeerde doodsoorzaken, een stijging van de sterfte aan het peritoneummesothelioom maskeert.

Deze problemen spelen ook enigszins een rol ten aanzien van het pleuramesothelioom. Uitzaaiing van primaire tumoren naar de pleura komt frequent voor en het valt niet uit te sluiten dat een klein deel ten onrechte als primaire pleuramaligniteit is gecodeerd. Als door verbetering van de registratie de frequentie van deze misclassificatie in de tijd is afgenomen, is de stijging van de sterfte ten gevolge van pleuramesothelioom zelfs nog onderschat en is het mogelijk dat in de komende 35 jaar nog meer dan de door de auteurs voorspelde 20.000 sterfgevallen zullen optreden.

L.J. Schouten

Rotterdam, juli 1997,

Bij onze schatting van de toekomstige sterfte aan mesothelioom hebben wij ons vooral gebaseerd op de beschikbare informatie over de sterfte aan peritoneummesothelioom en pleuramesothelioom in de afgelopen 25 jaar. Collega Schouten merkt terecht op dat de betrouwbaarheid van de diagnose ‘peritoneummesothelioom’ beperkt is, zeker als alleen gebruik wordt gemaakt van ICD-9-code 158. Dit zou zeer goed een lichte stijging in de werkelijke incidentie van het peritoneummesothelioom kunnen verbloemen. Het aantal personen dat jaarlijks overlijdt aan dit type mesothelioom is echter zo laag, dat een trend in de tijd zeer moeilijk aantoonbaar zal zijn. Voor pleuramesotheliomen zal enige misclassificatie eveneens onontkoombaar zijn. Wij hebben in ons artikel aangegeven dat wij het effect hiervan op de gepresenteerde schatting gering achten. Onze redenering is dat een verbetering in diagnose vooral zal zijn opgetreden in de periode 1970-1980. De sterkste stijging in de pleuramesothelioomsterfte is opgetreden in de periode 1985-1994 en het zijn vooral de grote aantallen in deze periode die de parameters in het opgestelde model bepalen. De opmerkingen van Schouten zijn terecht, maar het is nagenoeg onmogelijk de invloed van diagnostiek op de gepresenteerde schattingen te analyseren. Overigens moet worden bedacht dat de onzekerheden in de voorspelling vooral worden bepaald door de veronderstellingen over het effect van cohorten en leeftijdsgroepen die aan het beschreven cohortleeftijdmodel ten grondslag liggen.

A. Burdorf
J.J. Barendregt
P.H.J.J. Swuste
D.J.J. Heederik