Theo Ooms

R.W.M. Hooijen
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2008;152:646
Download PDF

Als altijd strak in het pak, glimmend geschoren en fier rechtop komt meneer Ooms op die mooie voorjaarsdag de spreekkamer in, vriendelijk mijn uitgestoken hand schuddend. Zevenenzeventig jaar oud, kerngezond, slank en kwiek in zijn bewegingen. Als altijd zal ik zijn bloeddruk meten en als altijd verheug ik me al op een exposeetje over het koffiezetapparaat dat meeging op vakantie naar Oostenrijk, over zijn praten tegen de urn met de as van zijn overleden levenspartner Jos of over zijn liefde voor de maagd Maria en de keer dat hij een kaarsje voor haar opstak in Duitsland, waar hij in de tewerkstelling zat in de oorlog. Hij komt echter voor een lelijke bobbel op zijn borst bij de linker oksel, zo groot als een luciferdoosje. De chirurg gebeld en drie maanden later is de diagnose bekend, een sarcoom. ‘De chirurg is vol goede moed, hij gaat het helemaal mooi weghalen en dan is het klaar,’ glimlacht hij. Het luciferdoosje is intussen twee keer zo groot geworden. ‘Over drie weken ben ik aan de beurt voor de operatie.’

Na de operatie gaat het vier maanden goed en dan zie ik hem weer op het spreekuur: ‘Dokter, er zit een knobbel op de linker arm, net op het laatste stukje van het litteken, denkt U dat het de spier is die weer aangroeit?’ Nee, dat denk ik niet. Nu mag hij de volgende dag al terug naar de chirurg en kort daarna komt hij weer bij mij. Hij vermagert, de schouders hangen wat af en hij loopt iets stram. Het nette pak, jaren geleden zijn trouwpak en tussendoor nog een keer vermaakt, wappert om hem heen: ‘Het is mis, de kanker is teruggekomen en zit nu ook door allebei mijn longen en ook de wond op mijn arm is kanker. Moet U de wond zien?’ ‘Natuurlijk.’ Een felrood vast gezwel op punt van openbarsten, geen abces, een toekomstige necrotische pijnlijke, stinkende wond. ‘Ik begrijp het niet, dokter, ik hoef niet meer terug te komen bij de chirurg, hij wil niet eens die wond nog een keer terugzien,’ diep gekwetst kijkt hij me aan, ‘het zal wel komen omdat ik helemaal verkankerd ben, dan kan hij er toch niets meer aan doen,’ licht zuchtend haalt hij de schouders op en glimlacht verontschuldigend. Ik zak door de grond en kom weer boven met gewauwel over wondverzorging, pijnstilling en contact met de zuster.

Het gezwel gaat kort daarna open en verspreidt die nare geur die je volgens zuster Anne alleen uit de neusgaten verwijdert met een beetje melk. Als de pijn te heftig is geworden, zeg ik dat ik hem een klein beetje morfine wil geven als pijnstilling. ‘Nee, dokter, alstublieft, ik wil geen euthanasie! Geen morfine alstublieft, ik red het wel met die pijn, U moet maar niet meer zo vaak langskomen.’ Die avond laat het me niet los. Wat denkt hij dat ik van plan ben? Waarom wordt dit mij toegedicht? Hoe groot is de macht van artsen? Ik herinner me mevrouw Smits: ‘U schrijft mij altijd keurig mijn longmedicijnen voor en daar ben ik U erg erkentelijk voor.’ ‘Dat spreekt toch voor zich.’ ‘Nee, dat spreekt helemaal niet voor zich, maar dat kunt U niet meer weten, U bent te jong.’ Ze was van Hongaars-joodse afkomst, haar familie was uitgeroeid in de oorlog, zelf had ze het kamp overleefd. Ook mevrouw Smits wilde geen enkele bemoeienis rond haar sterven. Zij wilde slapen op de bank in de woonkamer waar ze langzaam maar zeker uitgemergeld kapseisde. De zuster mocht haar pas de laatste drie dagen een beetje verzorgen. De oorlog heeft de reputatie van artsen geen goed gedaan.

Meneer Ooms wordt bedlegerig en er komt steeds meer familie rond het bed. Ik krijg koffie uit het reislustige koffiezetapparaat, het nette pak hangt aan de deur en op het antieke kastje prijkt de urn met de as van Jos. Op het salontafeltje staan drie prachtige bossen bloemen, complimenten van de bloemist waar hij meer dan dertig jaar wekelijks bloemen kocht. De zieke grapt dat hij snel weer beter wordt, klaagt nooit, zeurt nooit. De zusters melden dat het door de dag wel gaat, maar dat de wondverzorging ondraaglijk is. Zijn laatste wens is dat er rozen mee de kist in gaan: rode rozen, zijn lievelingsbloemen. Als er ook een pijnlijke doorligwond op het linkerschouderblad is ontstaan en hij uitgeput tussen ‘ik wil niet meer’ en ‘laat mij maar’ vertoeft, vraag ik hem of hij wil gaan slapen, geen euthanasie, gewoon slapen en niet meer lijden. Dat wil hij wel en aan het eind van de middag starten we de sedatie. De volgende dag overlijdt hij. Een jaar en tien dagen kostte het het luciferdoosje om het hele huis af te branden.

Auteursinformatie

Contact Mw.R.W.M.Hooijen, huisarts, Heemraadssingel 246, 3021 DP Rotterdam (renee.hooijen@wanadoo.nl)

Gerelateerde artikelen

Reacties