Taalkunde in de bloedgroepserologie
Open

Overig
25-03-1997
B.A. van Dijk, M.A.M. Overbeeke en C.P.E. Engelfriet

Om terminologische uniformiteit te betrachten zouden wij de bloedgroepserologen, immunologen en transfusiegeneeskundigen dringend willen verzoeken voortaan alleen nog te schrijven over het ‘ABo-systeem’ (in plaats van ‘ABO’), over ‘antistoffen’ (in plaats van ‘antilichamen’) en over bijvoorbeeld ‘HLA-antistoffen’ (in plaats van ‘anti-HLA-antistoffen’). Terminologische uniformiteit bevordert immers een betere communicatie.

Allen die niet verplicht zijn de regels van de Nederlandse Taalunie te volgen, zouden wij willen aanraden de letter ‘h’ in het woord ‘rhesus’ te respecteren, in de hoop dat de Nederlandse Taalunie in haar volgende spellingwijziging dit ook zal doen.

In 1996 werd voor het Nederlands een spellingwijziging doorgevoerd, wat een goede aanleiding is om stil te staan bij enkele taalkundige kwesties in het vak van de bloedgroepserologie.

Het eerste onderwerp betreft de schrijfwijze van ‘rhesus’. Bij het schrijven van een klinische les voor dit tijdschrift in 1984,1 viel het op dat bij de redactionele spelling van het woord ‘rhesus’ een tamelijk uitgeklede, fonetisch aandoende vorm werd gehanteerd, namelijk ‘resus’. Bij navraag bleek het Tijdschrift de spelling volgens Van Dale te volgen, die zich weer bleek te conformeren aan de spellingregels van de Woordenlijst van de Nederlandse Taal (‘Groene Boekje’) uit 1954. Inderdaad gaven deze regels aan dat ‘rh overal is vervangen door (r(catarre, reumatiek, ritme enz.)’. Er is toen door de auteurs van de klinische les nog geïnformeerd bij de redactie van dit tijdschrift, waardoor voorkomen kon worden dat het gehele artikel werd ontsierd door het woord ‘resus’. Nadien bleef het Tijdschrift overigens de onzes inziens correcte spelling ‘rhesus’ gebruiken.

Uitgebreide correspondentie met de Taaladviescommissie van de Nederlandse Taalunie heeft weinig meer mogen opleveren dan de toezegging dat de zaak in beraad genomen werd en dat getracht zou worden via ‘spreidings- en frequentiegegevens te weten te komen hoe het woord (dit is ’rhesus‘) door de meeste taalgebruikers in niet-specialistisch taalgebruik gespeld wordt’. Het resultaat van deze exercitie is nooit bekend geworden; men heeft zich in de nieuwe Woordenlijst Nederlandse Taal uit 1995 helaas opnieuw geconformeerd aan ‘resus’. Wij zullen op wetenschappelijke gronden aantonen dat dit onjuist is.

Etymologie van ‘rhesus’.

‘Rhesus’ is een eigennaam. In 1799 beschreef J.B.Audebert een nieuw soort aap, door hem Simia Rhesus genoemd (figuur 1).2 (Overigens bleek later dat reeds in 1780 deze apensoort door Zimmermann was beschreven en benoemd. De huidige officiële naam van de rhesusaap is dan ook Macaca mulatta.) Audebert gaf de aap de naam ‘Rhesus’ met de opmerking ‘... je le nommerai Simia Rhesus; ce nom, n'ayant aucune signification, peut être appliqué à ce singe...’ (figuur 2). Hoewel de naam ‘Rhesus’ dus een fantasienaam was voor deze apensoort, moet Audebert zich hebben laten leiden door de Griekse mythologie. Rhesos (P???; de eerste twee letters vormen samen de Griekse rho, met geaspireerde ‘h’), zoon van de Macedonische riviergod Strymon en de muse Euterpe, was een bondgenoot van de Trojanen. Hij werd vóór de inname van Troje gedood door Odysseus en Diomedes.34

Het is te betreuren dat ‘Rhesus’ van eigennaam tot soortnaam geworden is en daarna spellingverandering heeft moeten ondergaan op grond van het feit dat ‘voor de meerderheid van de taalgebruikers het verband met de naam niet meer duidelijk aanwezig is’ (commentaar Taaladviescommissie van de Nederlandse Taalunie van 21 oktober 1994). Diegenen die de officiële spelling moeten volgen, kunnen de regels van de Taalunie helaas niet ontlopen. Alle anderen zouden wij dringend willen verzoeken de letter ‘h’ in het woord ‘rhesus’ te handhaven. Een extra argument hiervoor vormt de afkorting ‘Rh’ die vaak gebruikt wordt: ‘bloedgroep A Rh’ is voor ieder duidelijk, ‘A R’ niet.

Het ABo-systeem.

Een tweede onderwerp dat wij hier bespreken, is het ABo-systeem. Karl Landsteiner beschreef in 1990 de bloedgroepen A, B en C, nu bekend als respectievelijk A, B en 0.5 Zijn leerlingen DeCastello en Sturli ontdekten een jaar later de 4e groep, die wij nu AB noemen.6 De naamgeving van de 4 groepen leidde tot een internationaal conflict. De Amerikaan Jansky nummerde de groepen met Romeinse cijfers: I = bloedgroep o, II = A, III = B en IV = AB.7 De Duitser Moss kende Jansky's publicatie niet en zorgde met zijn becijfering voor grote verwarring door de I en de IV om te draaien: met zijn I bedoelde hij bloedgroep AB, terwijl IV stond voor groep o.7 Von Dungern en Hirszfeld stelden het gebruik van de letters A, B en AB voor, terwijl het cijfer 0 (nul) toegekend werd aan ‘... die Blutkörperchen die von keinem der normalen übrigen Seren agglutiniert werden: Blutgruppe ’0‘ = Null .. .’.8 Pas in 1928 erkende de Volkerenbond de ABo-classificatie.79 In taal en geschrift behoort men het dus te hebben over ‘AB-nul’, evenals de Duitsers spreken van ‘AB-Null’, de Fransen van ‘AB-zéro’ en de Zweden van ‘AB-nol’. Vreemd genoeg hebben de Angelsaksen het altijd over ABO, waarbij men zowel op papier als in uitspraak de letter O gebruikt. De oorzaak van dit verschil is onduidelijk. Mogelijk heeft de Volkerenbond in 1928 de reden achter de ABo-classificatie verkeerd geïnterpreteerd. Het is ook goed denkbaar dat de Engelstaligen weliswaar de ratio achter de ‘nul’ begrepen, maar bij de uitspraak de letter O gebruikten, zoals gewoonlijk gedaan wordt: ‘double-O-seven’ alias geheimagent James Bond 007. Een derde en aardige verklaring, die ons terugvoert naar de eerste decennia van deze eeuw, betreft het ontbreken van het cijfer 0 op de eerste generatie typemachines; men was daardoor aangewezen op de letter O.

In de huidige, merendeels Engelstalige vakliteratuur wordt meestal de letter O gebruikt, hoewel niet consequent (vergelijk ‘ABo’ en ‘ABO’ in één aflevering van Vox Sanguinis1011). Wil men blijk geven van kennis van zaken, dan spreekt men dus van ‘AB-nul’ en schrijft men ‘ABo’, hoe onesthetisch dit laatste er typografisch misschien uit moge zien.

‘Antistof’ versus ‘antilichaam’.

Een derde interessant taalkundig gegeven in de bloedgroepserologie betreft het gebruik van het woord ‘antistof’. Van Dale (11e druk) omschrijft dit woord als volgt: ‘stof die de werking van andere stoffen, inz. ziektestoffen, of van bacteriën opheft; stof die in het lichaam ontstaat als reactie op de inspuiting van antigeen’. Bij ‘antilichaam’ verwijst Van Dale naar ‘antistof’, implicerend dat de voorkeur uitgaat naar ‘antistof’. Vreemd genoeg is het Nederlands hier vrijwel uniek in. Een rondgang door enkele landen leert het volgende: ‘antibody’ (UK, USA, India), ‘anticorps’ (Frankrijk), ‘anticuerpos’ (Spanje), ‘anti-Körper’ (Duitsland), ‘anti-kropp’ (Zweden), ‘anti-trup’ (Albanië), ‘antitela’ (Rusland). In al deze talen bedoelt men met het achtervoegsel steeds ‘lichaam’. Hoe komt men in het Nederlands dan aan het woord ‘antistof’? Het blijkt dat dr.J.J.van Loghem sr., hoogleraar algemene gezondheidsleer aan de Universiteit van Amsterdam, bezwaren had tegen het woord ‘antilichamen’; zelf gebruikte hij tegenstoffen‘.12 Zijn zoon dr.J.J.van Loghem jr., hoogleraar immunopathologie aan de Universiteit van Amsterdam en voorheen directeur van het Centraal Laboratorium van de Bloedtransfusiedienst van het Nederlandse Rode Kruis te Amsterdam, heeft het woord later veranderd in ’antistof‘, corresponderend met ’antigeen‘ (persoonlijke mededeling, 1995). Sindsdien spreekt immunohematologisch Nederland van ’antistof‘, daarin gesteund door slechts één andere taal: ook de taalbewuste Noren kennen het woord ’antistoff‘. Overigens is het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde hier niet consequent in: in één aflevering vindt men zowel ’antilichamen‘ als ’antistofpreparaat‘.1314

’Anti-antistof‘?

Een steeds weerkerende vraag betreft de spelling van specifieke antistoffen, ons laatste onderwerp. Men spreekt bijvoorbeeld van ’HLA-antistoffen‘, terwijl in geschrift soms verschijnt ’anti-HLA-antistoffen‘. Inderdaad komt men deze geschreven vorm in de Angelsaksische literatuur tegen. Veel vaker echter wordt, blijkens een steekproef in Engelstalige handboeken over immunohematologie en bloedtransfusiekunde, voor bijvoorbeeld antistoffen tegen het bloedgroepantigeen K (Kell) de term ’K antibodies‘ of ’anti-K‘ gebruikt, nooit een combinatie van beide. Taalkundig is dit vermoedelijk beter: vanwege ’K-antigeen‘ (geaccepteerde spreek- en schrijfvorm) lijkt het gebruik van ’K-antistoffen‘ logisch.

Wij danken mw.drs.F.F.J.M.Pieters, bioloog, conservator Artis Bibliotheek, faculteit der Biologie, Universiteit van Amsterdam, voor de geschiedenis over en de afbeeldingen van Audebert; dr.C.Smeenk, bioloog, conservator afdeling Zoogdieren, Nationaal Natuurhistorisch Museum te Leiden voor de zoölogische nomenclatuur en de mythologie; prof.dr.J.J.van Loghem jr., emeritus hoogleraar immunopathologie aan de Universiteit van Amsterdam en voormalig directeur van het Centraal Laboratorium van de Bloedtransfusiedienst van het Nederlandse Rode Kruis te Amsterdam, Kudelstaart, voor de achtergrond van het woord ‘antistof’; en dr.Neville J.Bryant, A.R.T., F.A.C.B.S., President Serological Services Ltd., Toronto, Ontario, Canada, voor het onderzoek naar de Volkerenbond.

Dit artikel is een bewerking van een bijdrage aan het Liber amicorum bij het afscheid van prof.dr.J.Bennebroek Gravenhorst te Leiden, 19 april 1996.

Literatuur

  1. Bennebroek Gravenhorst J, Overbeeke MAM, Dijk BA van.Problemen bij de anti-rhesus(D)-immunoprofylaxe.Ned Tijdschr Geneeskd1984;128:1005-9.

  2. Audebert JB. Histoire naturelle des singes et des makis.Paris: Librairie Desray, 1799.

  3. Grimal P. Dictionnaire de la mythologie grecque etromaine. 11e ed. Paris: Presses Universitaires de France, 1991:76, 125, 328,408, 431, 444, 471.

  4. Barthell jr EE. Gods and goddesses of ancient Greece. 1sted. Coral Gables, Fla.: University of Miami Press, 1971:49, 152, 302,318.

  5. Landsteiner K. Über Agglutinationserscheinungennormalen menschlichen Blutes. Wien Klin Wochenschr 1901;46:1132-4.

  6. Decastello A, Sturli A. Über die Isoagglutinine imSerum gesunder und kranker Menschen. Münch Med Wochenschr 1902;26:1090-5.

  7. Prokop O, Göhler W. Die menschlichen Blutgruppen. 5eed. Stuttgart: Fischer, 1986:23.

  8. Dungern E von, Hirszfeld L. Über Vererbunggruppenspezifischer Strukturen des Blutes. II. Z Immunitätsforsch ExpTher 1910;6:284-92.

  9. Bryant NJ. An introduction to immunohematology. 2nd ed.Philadelphia: Saunders, 1982.

  10. Mercuriali F, Inghilleri G, Colotti MT, Fare M, Biffi E,Vinci A, et al. Bedside transfusion errors: analysis of 2 years use of asystem to monitor and prevent transfusion errors. Vox Sang1996;70:16-20.

  11. Olsson ML, Chester MA. Frequent occurrence of a variantO1 gene at the blood group ABO locus. Vox Sang1996;70;26-30.

  12. Loghem JJ van. Algemene gezondheidsleer. 6e dr.Amsterdam: Kosmos, 1956:133.

  13. Mol MJTM. De titer van antilichamen tegen geoxideerde‘low-density’-lipoproteïnen voorspelt myocardinfarctreferaat. Ned TijdschrGeneeskd 1995;139:847.

  14. Laane HM. Het ene antistofpreparaat is het andere niet:de plaats van passieve immuuntherapie bij de behandeling van HIV-infectiesingezonden. Ned TijdschrGeneeskd 1995;139:850.