Slaaphouding en toedekken van zuigelingen in het najaar van 1994
Open

Onderzoek
09-12-1995
R.J.F. Burgmeijer en G.A. de Jonge

Doel.

Nagaan of de slaaphouding en het dekmateriaal van zuigelingen in 1994 waren veranderd ten opzichte van voorgaande jaren.

Opzet.

Enquête-onderzoek.

Plaats.

Landelijk onderzoek op consultatiebureaus.

Methode.

Aan het onderzoek namen 194 consultatiebureaus deel. In de maand november werden van bij voorkeur 25 achtereenvolgende kinderen jonger dan 10 maanden vastgelegd: leeftijd in voltooide maanden, geslacht, geboorterangnummer en -gewicht, en vervolgens: de houding waarin het kind overdag respectievelijk 's nachts in de laatste 4 weken te slapen was gelegd, en de wijze van toedekken in de laatste nacht. De onderzoekmethode kwam overeen met die in een zelfde onderzoek in 1992.

Resultaten.

Het percentage buikligging nam af van 55 in 1985-1987 naar 24 in 1988 tot 9 in 1994. Buikligging werd vooral toegepast bij jongens, bij kinderen met een laag geboortegewicht en bij een hoger geboorterangnummer. De verhoogde incidentie van wiegedood in deze drie categorieën is daaruit ten dele te verklaren. Veel zuigelingen werden in november 1994 nog toegedekt met een dekbed (77).

Conclusie.

Te verwachten is dat het beter toepassen van de aanbevolen preventiemaatregelen de incidentie van wiegedood (0,31000 levendgeborenen in 1993) nog verder zal doen afnemen.

Inleiding

In de laatste decennia bleek wiegedood vooral veroorzaakt te worden door uitwendige, vermijdbare factoren, meestal in onderlinge combinatie: slapen op de buik, slapen op een zij, passief roken, gebruik van een dekbed en gebruik van een sederend geneesmiddel.1-8 Het op de buik te slapen leggen van zuigelingen wordt in Nederland sedert oktober 1987 ontraden, het vermijden van de zijligging wordt sedert 1992 aangeraden en het niet gebruiken van dekbed, hoofdkussen en hoofdbeschermer sedert oktober 1994.9-11 De toepassing van deze adviezen heeft men in het najaar van 1988, 1990, 1992 en 1994 geevalueerd door op consultatiebureaus aan de ouders te vragen hoe hun kind van 0 tot 9 maanden te slapen werd gelegd; in 1992 en 1994 werd tevens gevraagd hoe het werd toegedekt.1213

Doel van ons onderzoek was na te gaan in welke houding zuigelingen in de leeftijd van 0-9 maanden in Nederland in november 1994 te slapen werden gelegd en op welke wijze zij werden toegedekt, en het resultaat te vergelijken met dat van voorgaand onderzoek.

METHODE

In de zomer van 1994 verzocht de Landelijke Vereniging voor Thuiszorg 69 thuiszorgorganisaties die ouder- en kindzorg uitvoeren, met 1-5 consultatiebureaus mee te werken aan een enquête-onderzoek naar de slaaphouding en naar de wijze van toedekken van zuigelingen. De gevolgde methode was dezelfde als in vorige jaren; de arts of verpleegkundige noteerde in de maand november van bij voorkeur 25 achtereenvolgende kinderen jonger dan 10 maanden: leeftijd in voltooide maanden, geslacht, rangnummer (het hoeveelste kind van deze moeder?) en geboortegewicht, en vervolgens: de houding waarin het kind overdag respectievelijk 's nachts in de laatste 4 weken te slapen was gelegd, en de wijze van toedekken in de laatste nacht.

De slaaphouding werd in code genoteerd: altijd op de buik (B) of op de rug (R) of op een zij (Z), wisselend op de buik of op de rug (BR), wisselend op de buik of op een zij (BZ), wisselend op een zij of op de rug (ZR), of wisselend op de buik, op een zij of op de rug (BZR). In dit verslag worden B, BR, BZ en BZR meestal samengevoegd tot een afgeleide categorie B, waartoe dus alle kinderen behoorden die in die laatste 4 weken soms of altijd op hun buik te slapen werden gelegd.

Wat het toedekken betreft, werd evenals in 1992 gevraagd naar het gebruikte beddegoed in de laatste nacht: laken en (of) deken(s) en (of) dekbed (inclusief hoes) en (of) slaapzak. In de rubriek Db werden alle kinderen samengevat die ten minste waren toegedekt met een dekbed, al of niet in combinatie met iets anders.

De statistische significantie van gevonden verschillen werd onderzocht met de ?2-toets, waarbij p < 0,05 als criterium werd aangehouden.

Onderzoeksgroep.

Van de 69 benaderde thuiszorgorganisaties namen 56 deel aan het onderzoek, met 194 consultatiebureaus. Evenals bij de vorige onderzoeken kon een goede landelijke spreiding worden bereikt, al was de deelname van de grote steden gemiddeld vrij gering doordat Amsterdam en Den Haag niet waren vertegenwoordigd. Van 4297 zuigelingen jonger dan 10 maanden kwamen de gegevens volledig en tijdig ter beschikking; de leeftijdsverdeling weerspiegelde de leeftijden waarop zuigelingen gewoonlijk op het consultatiebureau worden onderzocht. Van 20 ouders werden geen gegevens verkregen, 7 maal wegens weigering en 13 maal wegens taalproblemen.

RESULTATEN

Tussen de 12 provincies waren er geen significante verschillen in de wijze van te slapen leggen en toedekken; de navolgende gegevens hebben dan ook betrekking op Nederland als geheel.

De ligging

Verschil tussen overdag en 's nachts.

Van de 4297 kinderen werden er in 1994 overdag 349 soms of altijd op hun buik te slapen gelegd (8,1) tegenover 's nachts 229 (5,3). Het kwam dan ook nogal eens voor dat men kinderen overdag (soms of altijd) op de buik liet slapen en 's nachts niet (82 kinderen); het omgekeerde: 's nachts soms of altijd op de buik en overdag niet, werd minder gemeld (37 kinderen). Er was in dit opzicht geen verschil tussen jongens en meisjes.

Geslacht.

Evenals in voorgaande jaren werden in 1994 meer jongens dan meisjes op hun buik te slapen gelegd (10,1 versus 8,1; p < 0,05). Over de gehele periode 1988-1994 samengevat bleek dit verschil tussen jongens en meisjes ook significant voor drie leeftijdsgroepen afzonderlijk: 0-2, 3-4 en 5-9 maanden (tabel 1).

Leeftijd.

Het percentage kinderen dat soms of altijd op de buik werd gelegd nam sedert 1990 met de leeftijd geleidelijk toe, in 1994 van 3,6 naar 12 (zie tabel 1).

Rangnummer.

In 1988 en 1990 was er een significant verschil tussen eerstgeborenen en tweede kinderen, met dien verstande dat eerste kinderen minder vaak op de buik werden gelegd dan tweede kinderen. Tussen tweede en daarop volgende kinderen werd toen nog geen verschil gezien. In 1992 en 1994 was het verschil tussen eerste en tweede kinderen klein geworden, maar was het nog wel significant tussen eerste en derde (inclusief daarop volgende) kinderen (tabel 2).

Geboortegewicht In 1988 werd bij 28 van de 75 kinderen met een geboortegewicht < 2500 g buikligging toegepast, significant meer dan bij de overigen; in 1990 en 1992 was dat verschil niet significant. In 1994 werden 10 van de 57 kinderen die bij hun geboorte minder dan 2000 g wogen, significant meer op hun buik te slapen gelegd dan de overige kinderen.

Zijligging.

Met het afnemen van het percentage buikligging na oktober 1987 nam de prevalentie van zijligging sterk toe tot 1990. Na het advies om zeker na de leeftijd van 1 à 2 weken de voorkeur te geven aan de rugligging nam de toepassing van zijligging af, tot deze in 1994 onder het niveau van 1985-1987 lag (tabel 3).

Rugligging.

Het wordt aanbevolen om het kind, zeker na 1 à 2 weken, altijd op de rug te slapen te leggen. In 1994 werd dit advies nog bij minder dan de helft van de kinderen van 1 maand oud opgevolgd. Naarmate de kinderen ouder waren, nam dit percentage toe: van 42 bij kinderen van 2 maanden en 64 bij kinderen van 3 maanden naar 82 bij kinderen van 6 maanden.

Het toedekken

Het bleek dat in 1994 77 van de kinderen de voorgaande nacht was toegedekt met een dekbed, dikwijls in combinatie met een babyslaapzak (28), en soms in combinatie met een deken of laken (tabel 4). Het al of niet gebruiken van een dekbed werd niet significant beïnvloed door het rangnummer van de geboorte, noch door de leeftijd van het kind. Er was geen samenhang tussen het gebruik van een dekbed en de houding waarin de kinderen te slapen werden gelegd.

BESCHOUWING

In ons onderzoek werd niets vastgelegd over de etnische herkomst van de kinderen. Het is mogelijk, mede doordat Amsterdam en Den Haag niet meededen, dat het allochtone deel van de bevolking evenals in 1992 ondervertegenwoordigd bleef. In hoeverre dit invloed had op de uitkomst van het onderzoek is niet bekend.

De ligging.

Het feit dat buikligging vaker overdag dan 's nachts werd toegepast, kan erop wijzen dat sommige ouders (ten onrechte) het idee hebben dat buikligging overdag minder gevaarlijk is dan 's nachts. Voor de voorlichting lijkt dit een punt van betekenis.

De merkwaardige en niet verklaarde waarneming dat in Nederland meer jongens dan meisjes op hun buik te slapen worden gelegd, gold wederom voor 1994. Dit verschil in de verzorging verklaart voor een belangrijk deel de hogere incidentie van wiegedood bij jongens: de geslachtsratio (m:v) voor wiegedood was in de jaren 1988-1993 in Nederland 1,58,14 en die voor buikligging was in de jaren 1988-1994 1,26.

Dat de incidentie van wiegedood bij volgende kinderen veel hoger is dan bij eerste kinderen lijkt (althans in Nederland) causaal samen te hangen met de bevinding dat buikligging bij volgende kinderen meer wordt toegepast. Zo bleek slechts 32-34 van een, grote reeks wiegedoodkinderen uit de jaren 1984-1991 eerstgeborene te zijn,215 terwijl toen 44 van alle levendgeborenen als eerste kind werd geboren. De rangorde-ratio (latergeborenen:eerstgeborenen) voor wiegedood was in die jaren dus 2,03 en voor buikligging in 1988-1992 1,95.

Engelberts stelde vast dat in 1985-1987 wiegedood bij kinderen met een geboortegewicht < 2500 g bijna 4 maal zo veel voorkwam als bij de kinderen die met een hoger gewicht werden geboren.2 Wierenga telde 15 gevallen van wiegedood onder de 1338 kinderen die in 1983 na een zwangerschapsduur < 32 weken en (of) met een geboortegewicht < 1500 g waren geboren; deze incidentie bleek ongeveer 10 maal zo hoog te zijn als die bij op tijd en met een normaal gewicht geborenen.16 Het is waarschijnlijk dat deze hoge incidenties deels moeten worden toegeschreven aan de veelvuldige toepassing van buikligging, ook na ontslag uit het ziekenhuis.

Dat buikligging als slaaphouding vooral vanaf 5 maanden meer werd toegepast, kan ten dele worden toegeschreven aan het feit dat kinderen dan meer en meer zelf hun slaaphouding gaan bepalen en ten dele aan het onjuiste idee van veel ouders dat men op die leeftijd niet meer met de mogelijkheid van wiegedood rekening hoeft te houden.1517

Over het geheel genomen was de prevalentie van buikligging in 1994 slechts weinig afgenomen ten opzichte van de jaren daarvoor. Het aantal zuigelingen dat op de leeftijd van 4 maanden soms of altijd op de buik te slapen werd gelegd nam af van meer dan 55 in 1985-1987, via 24 in 1988, 17 in 1990 en 10,1 in 1992, naar 8,6 in 1994.

De zijligging nam na 1990 weliswaar af, maar van de kinderen van 1 maand oud werd in 1994 toch nog 39 altijd op een zij te slapen gelegd en 13 soms op de zij en soms op de rug. Hoewel het relatieve risico van zijligging voor wiegedood lager is dan dat van buikligging (circa 1,5 versus 4-6), is hier dus nog vooruitgang mogelijk. Slechts 42 van de zuigelingen van 1 maand oud werd in 1994 op de ideale wijze, dat wil zeggen steeds op de rug, te slapen gelegd.

Het toedekken.

De gegevens over de wijze van toedekken van zuigelingen van 1994 kunnen alleen vergeleken worden met die van 1992, toen hiernaar voor het eerst werd geïnformeerd. Beide onderzoeken vonden plaats in een opvallend zachte novembermaand: de gemiddelde dagtemperatuur (gerekend over 24 uur) in De Bilt bedroeg in november 1992 8,0°C en in november 1994 10,2°C, tegen 5,9°C normaal. November 1994 was zelfs de warmste novembermaand sedert het begin van de metingen in 1706. Desondanks bleek dat dekbedden nog zeer veel werden toegepast: in 1992 bij 85 van de kinderen (bij 7 van hen in combinatie met één of meer dekens), in 1994 bij 77 (bij 6 van hen in combinatie met één of meer dekens). Het is waarschijnlijk dat deze beginnende afname verband houdt met de landelijke adviezen in oktobernovember 1994 om bij baby's jonger dan 2 jaar geen dekbed te gebruiken.

Voorlichting.

De periodieke peiling van de slaaphouding leert dat de afname van de buikligging in de periode 1992-1994 is afgezwakt, en verder dat baby-dekbedden in november 1994 nog zeer veel werden toegepast. Het is evident dat de voorlichting over het dag en nacht veilig laten slapen van baby's nog veel aandacht nodig heeft, evenals trouwens de voorlichting over de gevaren van het passief roken door zuigelingen. De sterfte aan wiegedood nam van 1986 naar 1994 reeds af van 1,1 naar 0,3 per 1000 levendgeborenen.1416 Het is te verwachten dat deze sterfte nog verder zal afnemen, indien de nu bekende maatregelen algemeen in acht worden genomen.

Literatuur

  1. Jonge GA de. Naar preventie van wiegedood. Med Contact1987; 42:1562.

  2. Engelberts AC. Cot death in the Netherlands. Anepidemiological study. Amsterdam: VU University Press, 1991.

  3. American Academy of Pediatrics AAP Task Force on InfantPositioning and SIDS: positioning and SIDS. Pediatrics1992;89:1120-6.

  4. Report of the Chief Medical Officer's Expert Group onthe sleeping position of infants and cot death. Department of Health. London:Her Majesty's Stationary Office, 1993.

  5. Jonge GA de, Zijligging als slaaphouding voor zuigelingenontraden. T Jeugdgezondheidszorg 1992;24:72-4.

  6. Mitchell EA, Ford RPK, Stewart AW, Taylor BJ, Becroft DMO,Thompson JMD, et al. Smoking and the sudden infant death syndrome. Pediatrics1993;91:893-6.

  7. Jonge GA de. Dekbed vormt risicofactor voor wiegedood.Ned Tijdschr Geneeskd1994;138:2138-41.

  8. Kahn A, Blum D. Phenothiazines and sudden infant deathsyndrome. Pediatrics 1982;70:75-8.

  9. Landelijke Vereniging voor Thuiszorg (LVT). Adviseringslaaphouding. Bunnik: LVT, 1987.

  10. Landelijke Vereniging voor Thuiszorg (LVT). Adviseringslaaphouding en gebruik dekbedjes. Bunnik: LVT, 1992.

  11. Landelijke Vereniging voor Thuiszorg en StichtingConsument en Veiligheid. Advies beddegoed baby's. Informatief,Mededelingenblad voor de Thuiszorg 1994;nr 2122, november1994.

  12. Burgmeijer RJF, Jonge GA de. Slaaphouding van zuigelingennajaar 1992. Verslag van een onderzoek naar de houding waarin zuigelingen teslapen worden gelegd. T Jeugdgezondheidszorg 1993;25: 35-9.

  13. Burgmeijer RJF, Jonge GA de. Te warm toegedektezuigelingen. Een onderzoek naar het toedekken van zuigelingen, november 1992.T Jeugdgezondheidszorg 1993;25:67-9.

  14. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Overledenennaar doodsoorzaak, leeftijd en geslacht in het jaar 1988. Voorburg: CBS,1989-1994.

  15. Jonge GA de, Kostense PJ, Pieterson I. Achtergronden vanwiegedood. Verslag van een onderzoek. Wageningen: Vereniging Ouders vanWiegedoodkinderen, 1992.

  16. Wierenga H. Cot death in preterm and small forgestational age infants in the Netherlands. Pre- and postnatal risk factors.Groningen: Wolters-Noordhoff, 1988.

  17. Jonge GA de, Hoogenboezem J. Wiegedood in Nederland in deperiode 1980-1993. Ned TijdschrGeneeskd 1994;138:2133-7.