Gevoelsmatig lijkt kankerscreening nuttig; je wil er vroeg bij zijn, zodat de patiënt kan genezen. Maar screening leidt ook tot overdiagnostiek en -behandeling, waardoor het vaak z’n doel voorbijschiet. De vraag blijft: leidt kankerscreening tot minder sterfte?
Samenvatting
Kankerscreening lijkt intuïtief logisch; je wil het vroeg opsporen, om erger te voorkomen. Dit artikel beschrijft de complexiteit achter deze aanname. Vroegdetectie is gebaseerd op het idee dat kanker lineair groeit, maar dat blijkt achterhaald. Kankers groeien met sterk verschillende snelheden; sommige stoppen met groeien of verdwijnen zelfs spontaan.
Het grootste probleem is overdiagnostiek. Door de borstkankerscreening worden in Nederland jaarlijks circa 2000 vrouwen behandeld vanwege een vorm van kanker die nooit tot symptomen zou hebben geleid. De epidemiologische gegevens laten een blijvende toename zien van kankers in stadium I, terwijl de kankers in stadium IV gelijk blijven – een teken van overdiagnostiek.
Screening heeft een dubbelgezicht: enerzijds heeft het een levensreddend potentieel, anderzijds geeft het onnodige behandelingen met bijwerkingen. De effectiviteit ervan moet bewezen worden door gerandomiseerde trials die een daling laten zien in de kankerspecifieke én algemene sterfte. Burgers verdienen eerlijke voorlichting over het verschil tussen het intuïtieve nut van kankerscreening en het wetenschappelijk bewijs ervoor.
Kortom, screening werkt alleen als het sterfte vermindert, niet door simpelweg meer kankers te vinden.
Reacties