Veilig of niet veilig voor kinderen?

Rubbergranulaat op kunstgrasvelden

Perspectief
Martin van den Berg
Alain de Bruin
Jan-Willem Cohen Tervaert
Pieter J.J. Sauer
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2019;163:D2339
Abstract

Dit artikel maakt deel uit van een serie artikelen in het NTvG over public health.

Samenvatting

Rubbergranulaat van oude autobanden in kunstgras bevat een groot aantal stoffen met kankerverwekkende en hormoonverstorende eigenschappen. Het RIVM en de European Chemical Agency (ECHA) concludeerden in 2017 dat de risico’s voor kinderen verwaarloosbaar zijn. Hun rapporten bevatten echter enkele wetenschappelijke onnauwkeurigheden en omissies, waardoor het risico voor kinderen onderschat kan zijn. Het is dus prematuur om te concluderen dat spelen op kunstgras met rubbergranulaat voor kinderen veilig is. De beslissing of sporten onder deze omstandigheden acceptabel is, ligt nu in eerste instantie bij de ouders. De Nederlandse overheid zou, conform het ECHA-advies, ouders moeten adviseren om hun kinderen hand- en mondcontact met dit granulaat zo veel mogelijk te vermijden.

Auteursinformatie

Universiteit Utrecht, Institute for Risk Assessment Sciences, Utrecht: prof.dr. M. van den Berg, toxicoloog.(tevens: faculteit Diergeneeskunde). Universiteit Utrecht, faculteit Diergeneeskunde, afd. Pathobiologie, Utrecht: prof.dr. A. de Bruin, patholoog. Maastricht Universitair Medisch Centrum, Maastricht: prof.dr. J.W. Cohen Tervaert, internist. Universitair Medisch Centrum Groningen-Rijksuniversiteit Groningen, afd. Kindergeneeskunde, Groningen: em.prof.dr. P.J.J. Sauer, kinderarts n.p.

Contact M. van den Berg (m.vandenberg@uu.nl)

Belangenverstrengeling

Belangenconflict en financiële ondersteuning: geen gemeld.

Auteur Belangenverstrengeling
Martin van den Berg ICMJE-formulier
Alain de Bruin ICMJE-formulier
Jan-Willem Cohen Tervaert ICMJE-formulier
Pieter J.J. Sauer ICMJE-formulier

Gerelateerde artikelen

Reacties

RIVM
.

De constatering van de auteurs dat het RIVM in haar onderzoek voorbarige conclusies heeft getrokken delen wij niet. De redactie van NTvG heeft RIVM de mogelijkheid gegeven om voor publicatie te reageren op dit artikel. De uitgebreide reactie van het RIVM is te vinden via een link onderaan het artikel en in het tabblad ‘Kaders’: https://www.ntvg.nl/artikelen/rubbergranulaat-op-kunstgrasvelden/kaders

Martin
Van den Berg

Wij stellen het zeer op prijs dat het RIVM is ingegaan op de conclusies in ons artikel. Dit bevordert een transparante wetenschappelijke discussie met grote maatschappelijke relevantie. Stapsgewijs reageren wij hierbij op de argumenten van het RIVM:

  1. Bij het uitvoeren van een risicoschatting van chemische stoffen wordt standaard gebruik gemaakt van onzekerheden aan de blootstellingskant en gezondheidsschadelijke effecten. Deze gezamenlijke onzekerheden komen meestal samen in een “worst case” scenario. Dit is een algemeen geaccepteerde procedure. Wij blijven van mening dat het RIVM ten onrechte onvoldoende rekening houdt met extra gevoeligheid van het kind voor kankerverwekkende stoffen. 
  2. Het verheugt ons dat het RIVM ons argument bevestigt dat gevoeligheidsverschillen tussen kinderen en volwassenen bestaan en deze niet zijn meegenomen in hun risico-analyse voor PAKs. De RIVM-aanbeveling om in de toekomst nader onderzoek uit te voeren stellen wij zeer op prijs. Dit betekent niet, dat bij rubbergranulaat een onzekerheidsfactor achterwege kan blijven vanwege veronderstelde conservatieve blootstellingsscenario’s. Deze benadering gaat eveneens in tegen reeds genoemde conclusies van eerdere wetenschappelijke commissies. Waarbij een additionele veiligheidsfactor al geruime tijd geleden onder de aandacht werd gebracht.
  3. Het RIVM suggereert dat “in gezamelijkheid” in de wetenschappelijke klankbordgroep is besloten om geen additionele veiligheidsfactor voor het kind te gebruiken. De suggestie wordt gewekt dat de eerste auteur (MvdB) destijds akkoord gegaan is met deze benadering. Niets is minder waar. Er is door hem uitdrukkelijk bezwaar gemaakt tegen deze leeftijdsonafhankelijke aanpak in de risicoschatting van het RIVM. De uitdrukking “in gezamenlijkheid” is niet gelijk aan unanimiteit.
  4. Het vasthouden aan de geldende EU-norm voor BPA door het RIVM doet de vraag rijzen of -weliswaar- officiele normen bij dit instituut prevaleren boven recente wetenschappelijk inzichten op het gebied van chemische stoffen.Heeft het RIVM immers zelf niet recent een verlaging van de BPA-norm voorgesteld op grond van nieuwe wetenschappelijke inzichten. Onsinziens zijn recent wetenschappelijke inzichten een belangrijker drijfveer voor de bescherming van de volksgezondheid dan historisch vastgestelde normen, die aan herziening toe zijn.

Tot slot wijzen wij op twee RIVM citaten over de risico’s van rubbergranulaat (https://www.rivm.nl/rubbergranulaat/onderzoek-naar-rubbergranulaat-op-s…):

“Als de normen voor consumentenproducten voor rubbergranulaat zouden gelden, dan zou een groot deel van de monsters vanwege de concentratie PAK’s net niet voldoen aan deze normen. Rubbergranulaat voldoet niet aan de norm voor speelgoed.”

“Gezien de aard van het gebruik van kunstgrasvelden, ook door jonge kinderen, is er vanuit gezondheidsperspectief behoefte aan gedegen onderbouwde normen voor rubbergranulaat.”

Op grond hiervan kunnen wij niet anders concluderen dan dat het RIVM zelf ook niet 100% zeker lijkt te zijn dat de huidige risicoschatting voor kinderen voldoet. Wij vinden dit een verstandig gezichtspunt en constateren dat onze inzichten dichter bij elkaar komen te liggen. Alleen kiezen wij, als toxicoloog, patholoog en medici, ervoor om bij dergelijke onzekerheden voor kinderen het voorzorgsprincipe te laten prevaleren.

Prof. dr. Martin van den Berg, toxicoloog
Prof. dr. Alain de Bruin, patholoog
Prof. dr. Jan Willem Cohen Tervaert, internist
Em. Prof. dr. Pieter J. J. Sauer, kinderarts