Public health – van alle tijden

Klinische praktijk
Nienke M. van den Berg
Jet H.A. Smit
Menno S.A. Reijneveld
Marielle Jambroes
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2019;163:D4521
Abstract

Conflict of interest and financial support: none declared.

Het vakgebied public health houdt zich bezig met het bevorderen van gezondheid en gelijke kansen op gezondheid. Anders gezegd: public health is alles wat we als samenleving doen om te zorgen voor een goede gezondheid van de hele bevolking. Met de gezondheid van de Nederlandse bevolking gaat het goed. We worden ouder en we leven steeds langer in goede gezondheid.1 En bovendien zijn we ook heel gelukkig: volgens het meest recente rapport van de VN staan we op plaats nummer 5 van de gelukkigste landen ter wereld.2 In dit artikel geven we een beeld van de grootste successen van de afgelopen 10 jaar, de uitdagingen waar we voor staan en de consequenties die deze hebben voor de zorg en voor artsen.

Samenvatting

Het gaat goed met de gezondheid van de Nederlandse bevolking; we worden ouder, leven langer in goede gezondheid en staan vijfde op de wereldranglijst van gelukkigste landen. De afgelopen jaren hebben de verlaging van de wettelijke leeftijd voor de verkoop van alcohol en tabak, uitbreiding van het vaccinatieprogramma en de hoge opkomst van het bevolkingsonderzoek voor darmkanker bijgedragen aan onze goede gezondheid. Groeiende sociaaleconomische gezondheidsverschillen, de dalende vaccinatiegraad, ongezonde leefstijl en onvoldoende capaciteit in de jeugdhulp behoren tot de belangrijkste public health-uitdagingen. Om deze uitdagingen het hoofd te bieden is verandering van de opleiding van artsen noodzakelijk. Er moet meer aandacht besteed worden aan competenties op het terrein van maatschappelijk handelen en samenwerking, en samenwerking tussen artsen in de kliniek, de eerste lijn en de public health. Ook is een investering in de vervolgopleiding voor sociaal geneeskundigen van belang.

Auteursinformatie

Contact Julius Centrum voor Gezondheidswetenschappen en Eerstelijns Geneeskunde, UMC Utrecht, Utrecht.Afd. Public health: N.M. van den Berg, MSc, arts maatschappij & gezondheid (m.jambroes@umcutrecht.nl)

Belangenverstrengeling

Belangenconflict en financiële ondersteuning: geen gemeld.

Auteur Belangenverstrengeling
Nienke M. van den Berg ICMJE-formulier
Jet H.A. Smit ICMJE-formulier
Menno S.A. Reijneveld ICMJE-formulier
Marielle Jambroes ICMJE-formulier

Gerelateerde artikelen

Reacties

Piet van Loon &
Andre Soeterbroek

Uit de doorrekening in de VTV komt duidelijk naar voren dat leefstijl- en omgevingsfactoren tot de belangrijke drivers horen van ziektelasten. En daarmee hogere toekomstige kosten veroorzaken. 

Steeds meer groepen in de medische wereld zoals oogartsen voor bijziendheid vragen daarom aandacht voor het goed inregelen en (groot) onderhoud van gezondheid. Echte preventie raakt andere gebieden dan de zorg. Maar dan is de vraag of belangrijke stakeholders de noodzakelijke instrumenten hebben en gebruiken. Gebeurt er genoeg en tijdig? Zijn ” stick and carrot” beide beschikbaar, en worden ze evenwichtig ingezet? Een korte rondgang langs de instrumenten van ministerie VWS, zorgverzekeraars, en beroepsgroepen.

Ministerie VWS. De huidige staatssecretaris van VWS doet zijn uiterste best om de leefstijl de goede kant op te krijgen. En weet ten opzichte van vorige kabinetten relatief veel in beweging te zetten. Maar leunt vooral op de carrot van verleiding, van samenwerking, de vrijwillige medewerking van maatschappelijke actoren. Dat is zoveel werk dat hij zich tot enkele onderwerpen met grote ziektelast moet beperken: roken, alcohol en overgewicht. Grote vraag is of het genoeg is, en snel genoeg gaat.

Niet voor niets is er steeds meer roep dat hij ook meer de stick gebruikt van verboden (verkoop sigaretten in supermarkten) en geld (suikertaks). En kijkt naar de carrot van financiële beloningen. Kortom: goed bezig, maar geef die man ook de stok om zonodig te gebruiken.

Zorgverzekeraars. Onze huidige zorgverzekeringswet is een schadeherstelwet. Zorgverzekeraars hebben tot taak opgetreden schade te herstellen. Preventie is niet hun wettelijke taak. En daarmee zitten ze meteen met elkaar in een prisonersdilemma. Een individuele zorgverzekeraar die er serieus werk van maakt (lees: substantieel geld uitgeeft) loopt het risico dat de vruchten (gezondere verzekerde) geplukt worden door de collega die er niets aan doet. En door de extra uitgaven verslechtert bovendien de relatieve concurrentiepositie van de verzekeraar die de nek uitsteekt. Dit betekent dat zorgverzekeraars zich (moeten) beperken tot mooie woorden en kleine, marginale acties.

Alleen de wetgever kan dit prisonersdilemma doorbreken door een gelijk speelveld te maken voor preventieve acties door zorgverzekeraars. Geef hen de wettelijke taak, met elk dezelfde doelen en financieel inspanning. Het kan dan eventueel ook non-concurrentieel gezamenlijk uitgevoerd worden.

De beroepsgroepen. Richtlijnen opgesteld door de diverse (para-) medische professies zouden ook een belangrijke basis voor preventieve interventies kunnen zijn. Maar ze krijgen daarin niet de aandacht die ze verdienen; integendeel. En daarvoor is een combinatie van redenen.

Er is onduidelijk of zorgverleners er geld voor krijgen. Zorgverzekeraars betalen voor bewezen effectieve verrichtingen. En buiten de zorg is er helemaal geen middelenafweging; bijv. preventie in het onderwijs.

Bij de inhoudelijke afwegingen bij het opstellen van richtlijnen delven preventieve interventies het onderspit als het mes van kwaliteit van evidence valt. Voor preventie zijn minder, en minder goede recente studies beschikbaar (preventie heeft geen duidelijk verdienmodel; dus co-funding van onderzoek door de zorgindustrie ontbreekt). Als dan in EBM  GRADE als selectie geldt, dan heeft preventie het moeilijk. Een slechte manier om het mes van preventie te scherpen en te richten.