Prostaatkanker: vervolg mannen op basis van eerste PSA-waarde

Prostaatkanker: vervolg mannen op basis van eerste PSA-waarde
Lucas Mevius
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2010;154:C685

artikel

De lagere sterfte aan prostaatkanker door screening geldt mogelijk alleen voor mannen met een verhoogde PSA-waarde bij de eerste meting. Voor mannen met een aanvankelijk laag PSA wegen de voordelen van screening, vervolgonderzoek en behandelingen niet op tegen een stijging in cumulatieve incidentie, overbehandeling en kosten. Dat stellen Pim van Leeuwen van het Erasmus MC te Rotterdam en collega’s in Cancer (doi:10.1002/cncr.25474).

In 2009 liet de ‘European Randomized Study of Screening for Prostate Cancer (ERSPC)’ zien dat prostaatkankerscreening het risico op sterfte door prostaatkanker met 20% verkleint. Van Leeuwen et al. vergeleken de gegevens van 43.987 mannen die tussen 1993 en 1999 startten in de ERSPC, met de gegevens van 42.503 mannen die niet aan een prostaatkankerscreening deelnamen. De mannen waren tussen de 55 en 74 jaar oud.

3,6% van de niet-gescreende mannen ontwikkelde tijdens de studieperiode prostaatkanker, tegen 9,9% van de gescreende mannen. In beide groepen hadden mannen met hogere PSA-waarden tijdens de eerste meting een groter risico op prostaatkanker. Eind 2006 was 25,5% van de niet-gescreende en 14,5% van de gescreende mannen overleden. 236 mannen (0,6%) uit de controlegroep en 109 mannen (0,2%) uit de screeningsgroep overleden aan prostaatkanker; hoe hoger de eerste PSA-waarde, des te hoger de prostaatkankerspecifieke sterfte. Van de mannen met de laagste PSA-waarden (0,0-1,9 ng/ml) zouden er 24.642 gescreend en gevolgd en 724 daadwerkelijk behandeld moeten worden om 1 sterfgeval door prostaatkanker te voorkomen. Om 1 sterfgeval te voorkomen in de hoogste PSA-groep (10,0-19,9 ng/ml) hoeven er maar 133 mannen getest en 60 mannen behandeld te worden.

Deze getallen laten volgens de onderzoekers de effectiviteit zien van vroege detectie: een lagere sterfte door prostaatkanker. De keerzijde is echter het hoge aantal mannen dat een risicovolle medische procedure moet doorlopen om 1 sterfgeval te voorkomen. Artsen kunnen nu op basis van dit onderzoeksresultaat na een eerste PSA-meting beter bepalen of verder onderzoek noodzakelijk is.

In Huisarts en Wetenschap levert Henk Scholten kritiek op de oorspronkelijke ERSPC-studie uit 2009 (2010;53:501-2). Hij pleit er voor dat zorgverzekeraars PSA-screening voor vroege opsporing uit het basispakket halen en dat geldstromen voor prostaatkankeronderzoek naar het Erasmus MC worden bevroren. Chris Bangma reageert namens de ERSPC in hetzelfde nummer (Huisarts Wet. 2010;53:503). Hij herkent zich niet in de kritiek van Scholten en voelt zich ook niet aangesproken door diens geschetste ‘complottheorieën’.

Tobias Klein et al. van het Marienhospital Herne (Duitsland) tonen in The Journal of Urology (2010;184:1447-52) een aantal bijwerkingen van prostaatbiopsie. Zij volgden 198 mannen die verschillende biopsiemethoden ondergingen (10 of 20 biopten met of zonder perifere zenuwblokkade).

Prostaatbiopsie veroorzaakte een tijdelijk gestoorde mictie en tijdelijke erectiestoornissen. Bij een groter aantal biopten was het risico op blijvende mictieklachten verhoogd.

De onderzoekers denken dat een groter aantal biopten en een zenuwblokkade de neurovasculaire bundel meer prikkelt. Deze irritatie leidt mogelijk tot een verstoorde mictie en erectiestoornissen. Overigens worden periprostatische zenuwblokkades nauwelijks tot niet toegepast in Nederland.

Heb je nog vragen na het lezen van dit artikel?
Check onze AI-tool en verbaas je over de antwoorden.
ASK NTVG

Ook interessant

Reacties