Pompe en zijn ziekte

Perspectief
Jan van Gijn
Joost P. Gijselhart
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2011;155:A2878
Abstract

Op 18 november 1931, op een bijeenkomst van Amsterdamse geneeskundigen, sprak de toen bijna 30-jarige patholoog Johannes Cassianus Pompe over ‘idiopathische hypertrophie van het hart’.1 Hij rapporteerde over zijn bevindingen bij een meisje dat op de leeftijd van 7 maanden was overleden. De wanden van de hartkamers waren zeer sterk verdikt, terwijl de kleppen en vaten er normaal uitzagen. Het hartgewicht bedroeg 190 g (verwacht gewicht: 39 g). Microscopisch onderzoek liet zien dat de spiervezels vrijwel onherkenbaar waren opgezwollen door vacuolen die gevuld bleken met glycogeen (karmijnroodkleuring). Een belangrijke inval van Pompe was om ook lever, nieren en skeletspieren te onderzoeken; deze bleken eveneens gestapeld glycogeen te bevatten.

Figuur 1

Dit alles deed denken aan 2 door Von Gierke beschreven patiënten met glycogeenstapeling in vooral lever en nieren, maar juist niet in het hart.2 Pompe besloot met de vaststelling dat zowel zijn patiëntje als 4 eerder beschreven gevallen van ‘oogenschijnlijk…

Auteursinformatie

Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, Amsterdam.

Prof.dr. J. van Gijn, curator medisch-historische bibliotheek; drs. J.P. Gijselhart, cultuurfilosoof en bibliothecaris.

Contact prof.dr. J. van Gijn (jan@vangijn.com)

Verantwoording

Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: J.P. Gijselhart heeft een deeltijdaanstelling bij de Vereniging Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde.
Aanvaard op 23 november 2010

Heb je nog vragen na het lezen van dit artikel?
Check onze AI-tool en verbaas je over de antwoorden.
ASK NTVG

Ook interessant

Reacties

Collega Dekker heeft gelijk, als het gewraakte woord in afzondering wordt beschouwd. Maar gezien de termen 'verzet' en 'bevrijding' in hetzelfde bijschrift en gezien de tekst van het artikel zelf kunnen wij ons moeilijk voorstellen dat iemand zal menen dat wij de executie als rechtmatig beschouwen. 

 

Jan van Gijn