‘Pluis’ en ‘niet-pluis’ bij de jeugdarts: 2 casussen

Casuïstiek
15-07-2014
Mascha Kamphuis, Annemiek I. van de Nieuwegiessen en Petra M. Span

Achtergrond

De jeugdgezondheidszorg vormt een laagdrempelige voorziening waar ouders terecht kunnen voor ondersteuning bij gezond opgroeien van hun kinderen. Bij het merendeel van de screenings en medische onderzoeken worden geen afwijkingen gevonden. Soms is er twijfel over de ernst van de klachten: de grens tussen gezonde variatie en ziekten of afwijkingen kan dun zijn.

Casus

Patiënt A, een 3 maanden oude baby, vertoonde signalen van hypotonie, in combinatie met slechte groei bij borstvoeding. Met extra voeding herstelden zijn groei en tonus. Patiënt B, een 4 weken oude baby, was ernstig hypotoon. Dit bleek te berusten op de ziekte van Werdnig-Hoffman. Hij overleed op de leeftijd van 4 maanden.

Conclusie

Het onderscheiden van ‘pluis’ en ‘niet-pluis’ is dagelijks werk voor alle artsen en is gebaseerd op kennis en ervaring. Het combineren van symptomen en signalen is daarbij essentieel. De jeugdarts ziet veelal gezonde kinderen en kent de grote variatie die binnen deze groep bestaat. Dit maakt de jeugdarts expert in het onderscheiden van ‘pluis’ en ‘niet-pluis’.